Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.13:7.13 Beheersregeling bij certificering
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.13
7.13 Beheersregeling bij certificering
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232775:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 6.3.
Zie artikelen 2:294, 2:298 respectievelijk 2:299 BW, alsmede paragrafen 7.8.2.5.2 en 7.8.2.5.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waar bij testamentair bewind de wet voorziet in een basisregeling, die ook een regeling bevat voor de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder,1 is dit bij certificering vanwege het ontbreken van een wettelijke regeling niet het geval. Aannemend dat gekozen wordt voor een stichting als administratiekantoor, heeft men dan slechts de bepalingen met betrekking tot de stichting om op terug te vallen, alsmede de algemene bepalingen van het goederen- en verbintenissenrecht. De regeling inzake de stichting is relatief beperkt en biedt veel vrijheid voor het naar wens inrichten van een stichting, maar de keerzijde hiervan is dat de mogelijkheden die de wet biedt, indien geen voorziening in de statuten van de STAK getroffen is, beperkt zijn: er zijn regelingen voor wijziging van de statuten en voor benoeming en ontslag van bestuurders,2 maar deze bieden pas een oplossing in situaties waarin de stichting zonder rechterlijk ingrijpen vast dreigt te lopen. Het is derhalve van groot belang dat de insteller zelf in regelingen voor deze situaties voorziet.
Daarbij moet ook rekening gehouden worden met de twee, doorgaans ten minste gedeeltelijk tegengestelde, belangen die spelen bij certificering: het (financiële) belang van de certificaathouder en het belang van de STAK, zoals neergelegd in haar doelomschrijving, dat door haar bestuur nagestreefd zal moeten worden. Bij certificering moeten deze belangen in evenwicht gebracht worden, vanuit het perspectief van certificering als beschermingsfiguur op zodanige wijze dat de certificaathouder geen (doorslaggevende) zeggenschap heeft, althans niet in situaties die de insteller niet voor ogen hebben gestaan, maar de certificaathouder gelijktijdig zodanige bevoegdheden c.q. zeggenschap heeft, dat hij wel in staat is om zijn eigen belangen te beschermen in de situatie dat het bestuur van de STAK hier afbreuk aan poogt te doen. Samengevat impliceert dit naar mijn mening ten minste de volgende regelingen:
Een regeling inzake de wijziging van de statuten. Bij certificering als beschermingsfiguur ligt voor de hand om het bestuur van de STAK de bevoegdheid tot statutenwijziging toe te kennen, behoudens wellicht in geval een toezichthoudend orgaan is ingesteld. Daarbij dienen de certificaathouders naar mijn mening echter ten minste zodanige instemmingsrechten te krijgen, dat zij een statutenwijziging die (significant) te hunnen nadeel is te kunnen tegenhouden. Bij meer dan enkele certificaathouders heeft het daarbij de voorkeur om dit instemmingsrecht toe te kennen aan een vergadering van certificaathouders, die de instemming met een bepaalde meerderheid kan verlenen, om te voorkomen dat de instemming afhankelijk wordt van de medewerking van alle individuele certificaathouders.
Het is eventueel ook mogelijk om te bepalen dat aangewezen statutaire bepalingen niet gewijzigd kunnen worden, maar dit gaat uiteraard ten koste van de flexibiliteit.
Een regeling voor de benoeming en het ontslag van bestuurders. In deze regeling moet bij uitstek voorzien worden in een evenwicht tussen het bestuur en de certificaathouders. Bij certificering als beschermingsfiguur past om, aannemend dat geen sprake is van een toezichthoudend orgaan dat benoemings- en ontslagrecht zou kunnen krijgen, het zwaartepunt bij het bestuur te leggen in de vorm van bestuursbenoeming door coöptatie. Een doorslaggevende stem voor de certificaathouders biedt hun in elk geval in theorie de mogelijkheid om een bestuur te benoemen dat meewerkt aan voortijdige decertificering, zodat dit in beginsel geen wenselijke regeling is. De certificaathouders moeten echter wel beschermd worden tegen een bestuur dat hun belangen onvoldoende in het oog houdt en wellicht ook niet meer handelt in de geest van de bedoeling die de insteller met de certificering had. De regeling inzake benoeming en ontslag van bestuurders dient derhalve naar mijn mening gepaard te gaan met een regeling die de certificaathouders de mogelijkheid biedt om het beleid van het bestuur van de STAK op enige wijze aan onafhankelijke toetsing te kunnen onderwerpen (zie nader paragraaf 7.8.2.5.2).
Ook los van deze specifieke regelingen zullen de bepalingen van zowel de statuten en de administratievoorwaarden het doel van de certificering en het belang van de certificaathouders in evenwicht moeten houden. Zonder uitputtend te willen zijn, kan dit zich bijvoorbeeld uiten in een regeling met betrekking tot de wijziging van de administratievoorwaarden, maar ook in inspraak van de certificaathouders ter zake van het beleid van de STAK bij het beheer van het gecertificeerde vermogen of een recht van de certificaathouders om bij belangrijke beslissingen in dat verband geraadpleegd te worden, ook al gaat dit niet gepaard met daadwerkelijke invloed. Het is van belang om niet uit het oog te verliezen dat de certificering er niet slechts tegen de certificaathouder is, maar ook diens belang moet dienen en dat moet zich uiten in de getroffen beheersregeling en verdeling van de zeggenschap daarbinnen.