Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.2.1:2.4.2.1 Objectieve kenmerken
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.2.1
2.4.2.1 Objectieve kenmerken
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS495404:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Andere categorieën van belastbare prestaties laat ik voor het gemak buiten beschouwing.
Behoudens de gevallen waarin de btw op grond van de verleggingsregeling van de afnemer wordt geheven.
Van Zadelhoff 2012, p. V.
Opvallend is dat de Btw-richtlijn het heeft over ‘belastingplichtige’ en de Wet OB 1968 spreekt van ‘ondernemer’. Beide begrippen zijn echter uitwisselbaar (HR 2 mei 1984, BNB 1984/295, Van der Paardt & Sparidis 2013 en Van Zadelhoff 2012).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 2 lid 1 onderdeel a juncto onderdeel c Btw-richtlijn bepaalt dat goederenleveringen en diensten,1 die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan btw zijn onderworpen. De btw wordt op grond van art. 193 Btw-richtlijn als uitgangspunt2 van de betreffende belastingplichtige geheven. Hiermee is het dus de ‘belastingplichtige’ die feitelijk het subject van heffing is. Op grond van art. 9 lid 1 Btw-richtlijn wordt als belastingplichtige beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.
De Wet OB 1968 kent soortgelijke bepalingen. Op grond van art. 1 onderdeel a Wet OB 1968 wordt btw geheven ter zake van leveringen van goederen en diensten, die in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht. De btw wordt als uitgangspunt ook van deze ondernemer geheven art. 12 lid 1 Wet OB 1968. Het ondernemersbegrip wordt uitgewerkt in art. 7 Wet OB 1968. In lid 1 wordt de ondernemer gedefinieerd als ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. Het verbaast daarom niet dat algemeen wordt aanvaard dat in Nederland de ‘ondernemer’ moet worden aangemerkt als het daadwerkelijke subject van heffing.3 De objectieve kenmerken rondom het subject van heffing zijn onder de Wet OB 1968 dus gelijk aan die van de Btw-richtlijn.4