Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/20.2.3.1
20.2.3.1 Geen mogelijkheid (meer) voor verlenging van de opmaaktermijn
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580249:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hierover Hijink (2006a), p. 51 met verdere verwijzingen, deze paragraaf bouwt hierop voort. Wanneer sprake is van 'bijzondere omstandigheden' is niet in de wet beschreven. Hierover ook De Jong/Nieuwe Weme (2006), p. 68 e.v.
Vgl. p. 11 van de MvT bij het voorstel voor de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn: 'Ofschoon de richtlijn transparantie dat niet expliciet bepaalt, leidt het verkorten van de termijn voor het algemeen verkrijgbaar stellen van de jaarrekening (...) logischerwijs tot een kortere termijn voor het opmaken van dat stuk. Het ligt in de rede een dergelijke verkorting voor het bestuur van een beursvennootschap expliciet in de regelgeving op te nemen.'
P. 38 van de MvT bij het voorstel voor de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn.
Ingevolge art. 2:394, lid 8, BW wordt geacht te zijn voldaan aan de respectievelijke onderdelen van art. 2:394 BW indien de beursvennootschap (tijdig) aan art. 5:25o, lid 1 of 2, Wft heeft voldaan.
In die zin De Jong/Nieuwe Weme (2006), p. 60, voetnoot 47. Eveneens onjuist: M. Raaijmakers/Van der Schee (2008), p. 150. Zij verbinden hieraan de — eveneens onjuiste — conclusie dat ingevolge (thans) art. 5:25i, lid 2, Wft, de opgemaakte stukken onverwijld na het gereedkomen gepubliceerd dienen te worden.
Zie uitdrukkelijk p. 31 van de MvT bij de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn: '[d]e jaarrekening hoeft op het moment van algemeenverkrijgbaarstelling nog niet te zijn vastgesteld door de AvA in de zin van artikel 2:101, derde lid, BW.' Dat is terecht, aangezien ook de Transparantierichtlijn daartoe niet verplicht. Vgl. p. 14 van het voorstel voor de Transparantierichtlijn (COM (2003) 138 definitief, van 26 maart 2003): 'het jaarlijks financieel verslag [behoeft] niet de definitieve versie te zijn die door de aandeelhouders op de algemene jaarvergadering is goedgekeurd.' Op de mijns inziens verdergaande implicaties hiervan kom ik terug in § 3.1 van dit hoofdstuk.
Door enkele marktpartijen is hiervoor, tevergeefs, aandacht gevraagd. Vgl. p. 3 van het advies van de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie van 10 december 2007 over het voorstel voor de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn (te vinden op http://www.notaris.nl/subsites/commissie/pdf/rapport31093.pdf). De vraag wordt opgeworpen of, nu de Transparantierichtlijn op dit punt niet regelt, het de Nederlandse wetgever niet vrijstaat om een eigen regeling te treffen. De ruimte daarvoor bestaat, gezien de mate van harmonisatie van de Transparantierichtlijn, naar mijn mening niet tot nauwelijks.
Art. 1:79, lid 1 Wft resp. Wft 1:80, lid 1Wfl, jo. de bijlage bij art. 1:79/1:80, jo. 5:25c, lid 1, Wft.
Aldus De Jong/Nieuwe Weme (2006), p. 101. Zij voegen daaraan toe om die reden de mogelijkheid om een last onder dwangsom op te leggen ook een geschikt sanctie-instrument te vinden bij overtreding van (de voorganger van) art. 5:25o Wft. Deze mogelijkheid ontbreekt thans.
Hetgeen overigens meer specifiek geldt — ook in art. 5:25d, lid 1, Wft — voor de in de eerste volzin van het eerste lid van die bepaling opgenomen verplichting.
Waarvoor, zoals ook De Jong/Nieuwe Weme (2006), p. 101, opmerken, vooral sanctionering door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete geschikt is.
Vgl. p. 31 van de MvT. Daaraan is toegevoegd dat 'in onder meer artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten en de artikelen 2:138 BW en 2:150 BW [bedoeld zal zijn art. 2:134 BW] (...) (sanctionele) gevolgen [worden] verbonden aan niet naleving van artikel 2:394 BW.'
Een tweede voorbeeld van inperking van een in Boek 2 BW opgenomen mogelijkheid tot "vrijstelling" van de publicatieplicht voor (bepaalde) Nederlandse beursvennootschappen, vloeit sinds 1 januari 2009 voort uit art. 2:101 BW.
Art. 2:101, lid 1, eerste volzin, BW bepaalt dat de AvA op grond van bijzondere omstandigheden de termijn voor het opmaken van de jaarrekening met ten hoogste zes maanden kan verlengen.1 Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn bepaalt de derde volzin van art. 2:101, lid 1, BW thans dat de termijn voor het opmaken van een jaarrekening van een vennootschap waarvan effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt niet kan worden verlengd. Zoals in de toelichting op het voorstel voor die wet (impliciet) is opgemerkt, dwong de Transparantierichtlijn strikt genomen niet tot deze aanpassing. De aanpassing is wel een logische.2 De aanpassing is echter niet helemaal consistent doorgevoerd. Omdat ook van B.V.'s effecten — obligaties — tot de handel op een gereglementeerde markt kunnen zijn toegelaten en de in de Transparantierichtlijn opgenomen verplichtingen onafhankelijk van de rechtsvorm toepasselijk zijn, had in de rede gelegen de inperking van de mogelijkheid tot het verlenen van uitstel van de opmaakplicht ook in art. 2:210, lid 1, BW op te nemen.
Over de "doorwerking" van de uitdrukkelijke verplichting in de Transparantierichtlijn om binnen vier maanden na het einde van het boekjaar de jaarlijkse financiële verslaggeving algemeen verkrijgbaar te stellen in de mogelijkheid om verlenging te verlenen aan de opmaakplicht heeft de wetgever opgemerkt: ["v]ennootschappen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten kunnen geen beroep doen op de (...) mogelijkheid om de termijn voor het opmaken van de jaarrekening te (laten) verlengen. (...) De termijn van vier maanden is, met andere woorden, een harde termijn, die bovendien doorwerkt in het eerste lid van artikel 2:394 BW."3 Voor ogen moet worden gehouden op welke wijze dit plaatsvindt. Art. 2:394, lid 1, BW bepaalt dat deponering plaats dient te vinden binnen acht dagen na de vaststelling van de jaarrekening, dan wel onverwijld — indien de jaarrekening niet binnen twee maanden na afloop van de voor het opmaken voorgeschreven termijn is vastgesteld, aldus art. 2:394, lid 2, BW. Voor beursvennootschappen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, vloeit uit het voorgaande voort dat uiterlijk onverwijld na zes maanden na het einde van het boekjaar de (al dan niet vastgestelde) jaarrekening en het jaarverslag bij het handelsregister moeten zijn gedeponeerd. Dit vindt overigens op grond van art. 5:25o Wft plaats door de vastgestelde jaarrekening, of een mededeling van uitblijven van de vaststelling, aan de AFM toe te zenden. De AFM stuurt deze jaarrekening of mededeling vervolgens door aan het handelsregister.4
Onjuist is de, ook wel in de literatuur aan te treffen, gedachte dat uit de Transparantierichtlijn zou voortvloeien dat vaststelling van de jaarrekening door de AvA binnen vier maanden na het einde van het boekjaar moet hebben plaatsgevonden.5 De verplichting van art. 5:25c Wft om binnen vier maanden na het einde van het boekjaar de jaarlijkse financiële verslaggeving te publiceren omvat niet deze verplichting.6Noch in de Wft, noch in Boek 2 BW is geregeld hoe de beursvennootschap moet handelen indien (het bestuur van) de beursvennootschap niet in staat is (tijdig) aan de opmaakplicht van art. 2:101/210, lid 1, BW — en als gevolg daarvan — aan de publicatieverplichting van art. 5:25c Wft te voldoen.7 Wel regelt de Wft welke consequentie is verbonden aan overtreding van art. 5:25c Wft. De AFM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijk boete opleggen.8
Dat de AFM over de mogelijkheid beschikt om een last onder dwangsom op te kunnen leggen indien art. 5:25c, lid 1, Wft is overtreden, vind ik niet zonder meer vanzelfsprekend. In de literatuur wordt wel verdedigd dat de "[n]ietnaleving van de publicatieplicht door een vennootschap (...) een voortdurend delict [is], dat ongedaan gemaakt kan worden door alsnog te deponeren. Een last onder dwangsom is daarom een geschikt sanctie-instrument."9 Verdedigbaar is mijn inziens eveneens de zienswijze dat overtreding van art. 5:25c, lid 1, Wft10 een delict is dat in het verleden heeft plaatsgehad.11 De periodieke publicatieverplichtingen zijn zelf weliswaar doorlopende verplichtingen, het overtreden van het vereiste dat binnen de wettelijke termijn die informatie algemeen verkrijgbaar gesteld moet zijn zou echter ook gekwalificeerd kunnen worden als een eenmalige overtreding. Ook wanneer alsnog die informatie op een later moment alsnog wordt gepubliceerd, leidt dit immers niet tot ongedaanmaking van de overtreding. Hierdoor blijft ook de gedachte waarop oplegging van een last onder dwangsom gebaseerd is — een "herstelsanctie, inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding"12 buiten beeld." Dat bij overtreding van de in art. 5:25o, lid 1, Wft opgenomen toezendplicht van de vastgestelde jaarrekening aan de AFM geen last onder dwangsom kan worden opgelegd, vind ik derhalve niet onjuist.13 Indien een beursvennootschap niet voldoet aan art. 5:25o Wft heeft dat overigens wel andere, vertrekkende consequenties. Hierdoor zal, zoals in de MvT bij het voorstel voor de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn is opgemerkt "het achtste lid van artikel 2:394 BW buiten toepassing blij[ven] waardoor de uitgevende instelling — langs de weg van artikel 5:25o — niet heeft voldaan aan artikel 2:394, eerste of tweede lid, BW.14