Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.5.2
4.5.2 Rechtvaardiging vereist voor een vermogensverschuiving
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500053:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Nieskens-Isphording ziet in de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking een ‘doorwerking’ van het eigendomsrecht. Zij sluit zich met deze opvatting aan bij Bregstein (1927, p. 192-193) en Wilburg (1933, p. 6, 20). De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking zou de verbintenisrechtelijke tegenhanger zijn van de revindicatie. Bijvoorbeeld, een eigendomsrecht van de verarmde dat tenietgaat door natrekking door een zaak van de verrijkte blijft voortbestaan in de verrijkingsvordering van de verarmde; Nieskens-Isphording 1991, p. 69-73.
Schoordijk 1999, p. 15.
Verhagen 1996, p. 376-379; Verhagen 2004, p. 140.
Zie hoofdstuk 2, par. 2.5.3.
Linssen 2001, p. 509-511.
Van een inbreuk kan ook sprake zijn ingeval van een inbreukmakende toestand; zie par. 4.4.5 (2).
Ook wordt wel als rechtvaardiging genoemd een rechterlijk vonnis (zie hoofdstuk 3, par. 3.4.2). Ik meen echter dat een rechterlijk vonnis is gebaseerd op (het stelsel van) de wet en niet naast (het stelsel van) de wet een zelfstandige rechtvaardiging vormt. Dat is naar mijn mening ook het geval bij constitutieve of discretionaire uitspraken, waarin een partij bijvoorbeeld wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom. In dat geval vloeit de bevoegdheid van de rechter voort uit het stelsel van de wet.
Wanneer is een verrijking die het gevolg is van een inbreuk, ongerechtvaardigd? Een antwoord op deze vraag kan worden gegeven wanneer wordt bedacht dat een inbreuk op een exclusieve rechtspositie leidt tot een vermogensverschuiving.
Nieskens-Isphording1 , Schoordijk2 en Verhagen3 betogen dat voor een vermogensverschuiving een rechtsgrond, dat wil zeggen een rechtvaardiging, nodig is. Bij een vermogensverschuiving vloeit immers een verrijking voort uit het vermogen van de schuldeiser. De verrijking kwam dus in eerste instantie aan de schuldeiser toe. Dit betekent dat de vermogensverschuiving een rechtvaardiging nodig heeft. Zonder rechtvaardiging voor de vermogensverschuiving is de verrijking van de schuldenaar ongerechtvaardigd. Ik stem in met Nieskens-Isphording, Schoordijk en Verhagen dat voor een vermogensverschuiving een rechtvaardiging dient te bestaan.
Opmerking verdient dat het – volgens mij – onwenselijk is om een spiegelbeeldige redenering te hanteren, waarin wordt uitgegaan van het gerechtvaardigde karakter van een verrijking en in het stelsel van de wet wordt gezocht naar een reden op grond waarvan een verrijking ongerechtvaardigd is. Deze benadering wordt in de Engelse literatuur en rechtspraak gehanteerd, maar wordt langzamerhand verlaten. Het is in Engeland niet mogelijk gebleken om een heersende leer te ontwikkelen ten aanzien van de redenen die een verrijking ongerechtvaardigd maken.4
Anders dan Nieskens-Isphording, Schoordijk en Verhagen meen ik dat artikel 6:212 moet worden beperkt tot inbreuken op exclusieve rechtsposities. Zoals Linssen in navolging van de Duitse literatuur betoogt, volgt uit het exclusieve karakter van de rechtspositie niet alleen dat gebruik, genot, exploitatie of beschikking door een ander dan de rechthebbende een vermogensverschuiving vormt ten koste van de verarmde, maar ook dat gebruik, genot, exploitatie en beschikking niet toekomen aan een ander dan de rechthebbende en daarom – zonder rechtvaardiging – leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking.
Artikel 6:212 stelt zo bezien een eis die vergelijkbaar is met het vereiste van artikel 6:203 dat een prestatie (een wijze waarop een vermogensverschuiving kan plaatsvinden) wordt verricht op grond van een rechtsgrond, dat wil zeggen een feit dat de prestatie rechtvaardigt. Men kan dus ook zeggen dat ongerechtvaardigd in de zin van artikel 6:212 betekent: zonder rechtsgrond. Op dit punt wijkt mijn opvatting enigszins af van die van Linssen. Volgens Linssen betekent ongerechtvaardigd niet ‘zonder rechtsgrond’. In plaats daarvan moet ongerechtvaardigd worden opgevat als een inbreuk op een exclusieve rechtspositie.5 Naar mijn mening sluit het een het ander echter niet uit. Van een inbreuk (onbevoegd gebruik van de exclusieve rechtspositie) is sprake als een ander dan de rechthebbende gedragingen verricht die zijn voorbehouden aan de rechthebbende en dat de verrijking die ligt besloten in deze inbreuk ongerechtvaardigd is omdat een rechtvaardiging voor de inbreuk ontbreekt.6
Wanneer bestaat een rechtvaardiging voor het gebruik van de exclusieve rechtspositie door een ander dan de rechthebbende? Volgens de Duitse auteurs bestaat een rechtvaardiging als dit volgt uit het stelsel van de wet of uit een rechtshandeling van degene die gerechtigd is tot de rechtspositie.7 Dit is juist. Ik bespreek daarom in de volgende subparagrafen het stelsel van de wet en rechtshandelingen als rechtvaardiging voor rechtsinbreuken.