Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.4.4.4
2.4.4.4 De baattrekkingsregel
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS592783:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
T.J. Dorhout Mees, noot onder het Dieselgarage-arrest in AA VIII (1958), p. 21-23; Mohr/ Meijers 2013, § 4.3.1, p. 96/97; Huizink 2014, nr. 18; Tervoort 2015d, nr. 6.3.3. Asser/ Maeijer 5-V 1995/114 geeft deze opvatting weer, maar neemt er geen standpunt over in.
Zie 2.2.2.2.
De ongerechtvaardigde verrijking als bron van verbintenis werd erkend in HR 30 januari 1959, NJ 1959/548 (Quint/Te Poel), zeven maanden na het hier te bespreken Dieselgarage-arrest. Nu heeft zij een algemene wettelijke basis (art. 6:212 BW).
HR 13 juni 1958 (Dieselgarage), NJ 1958/352.
T.J. Dorhout Mees, noot onder het Dieselgarage-arrest in AA VIII (1958), p. 21-23.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-MvT, p. 99.
Na deze algemene aspecten van de Boek 7A-aansprakelijkheid, wil ik nog ingaan op de baattrekkingsregel die in het slot van artikel 7A:1681 BW staat vermeld. Vennoten worden persoonlijk door een in naam van de maatschap aangegane handeling verbonden, indien de zaak tot voordeel van de maatschap heeft gestrekt, ook als zij daartoe geen volmacht hebben gegeven. Betoogd wordt wel dat het hier om een vertegenwoordigingsregel zou gaan. Een onbevoegd namens de vennootschap verrichte rechtshandeling zou als ‘van rechtswege bekrachtigd’ moeten worden beschouwd in geval de vennoten daaraan uiteindelijk voordeel ontlenen. Op grond van deze lezing wordt betwijfeld of de baattrekkingsregel een redelijke grond heeft.1 Volgens mij is deze vertegenwoordigingstheorie onjuist. Van bekrachtiging is helemaal geen sprake. De baattrekkingsregel kan goed in de sleutel van de ongerechtvaardigde verrijking worden geplaatst, zoals in Frankrijk.2 Zo bezien is het een regel die ook uit het commune recht voortvloeit.3
Om dit duidelijk te maken, neem ik het Dieselgarage-arrest erbij. Een vennoot van een VOF die tot f 5.000 tekeningsbevoegd is, heeft ruim f 6.200 bij de bank van de VOF opgenomen om aan de dealer een nieuw gekochte auto te betalen. Deze is al doorverkocht en wordt direct geleverd aan de klant, die daarvoor ongeveer f 3.000 betaalt en een oude auto inlevert voor f 3.900, die echter maar f 2.400 waard blijkt en voor dat bedrag wordt doorverkocht. De VOF incasseert uiteindelijk dus ongeveer f 5.400, terwijl ruim f 6.200 is betaald. De VOF gaat failliet. De bank cedeert haar pretense vordering op de VOF van ruim f 6.200. De cessionaris spreekt de andere vennoot persoonlijk aan tot betaling. De Hoge Raad oordeelt dat deze niet aansprakelijk is, nu de VOF onbevoegd tegenover de bank is vertegenwoordigd en de handeling uiteindelijk voor de VOF geen voordeel heeft opgeleverd.4 Dat het geleende bedrag volledig is aangewend tot betaling van een schuld van de VOF aan de dealer, is onvoldoende voor gebondenheid van (de VOF en) de medevennoot aan de leenschuld. En dat de VOF ‘uiteindelijk’ nog f 5.400 contant van de leensom terugzag, is onvoldoende voor gebondenheid voor dat gedeelte. ‘Uiteindelijk’ heeft de VOF een verlies geleden (van ongeveer f 800) en dat is genoeg om (haar en) de medevennoot buiten schot te laten.
Dorhout Mees stelt naar aanleiding van dit arrest voorop dat de medevennoten volgens artikel 1681 zijn verbonden ‘indien’ en niet ‘voor zover’ de vennootschap door de handeling werkelijk is gebaat, en dat de VOF met f 5.400 ongerechtvaardigd is verrijkt. Daarom kan genoemde wetsbepaling volgens hem niet op ongerechtvaardigde verrijking berusten.5 Naar mijn mening kan het arrest beter anders worden opgevat. De VOF is weliswaar verrijkt, met ruim f 6.200 of f 5.400, maar dat is tegenover de bank nog niet ongerechtvaardigd in de zin dat zij en de medevennoot voor de leenschuld aansprakelijk konden worden gehouden. Dat de bank voorbij ging aan de beperkte tekeningsbevoegdheid (die was ingeschreven in het handelsregister) komt voor haar eigen rekening. Dat is het uitgangspunt. Het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking biedt hierop een restrictieve uitzondering. Het gaat om een uitwerking van de corrigerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Aan de voorwaarde voor toepassing van deze uitzondering werd niet voldaan.
Het Ontwerp-Maeijer voorzag in afschaffing van de baattrekkingsregel. Kritiek op dat voorstel is niet vernomen. De werkgroep-Van Olffen voorziet eveneens in afschaffing.6 Zoals gezegd vat ik de regel op als een weergave van het commune recht. Als zodanig kan schrappen geen kwaad. Handhaven ook niet.