Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/7.8.4
7.8.4 Zeepbel was reeds aanwezig toen de misleiding begon, maar zou zonder de misleiding eerder uit elkaar zijn gespat
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655960:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Verordening (EU) Nr. 596/2014 (PbEU 2014, L 173/1).
In het scenario waarin (in de feitelijke situatie) de zeepbel tijdens het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat, is deze vraag natuurlijk alleen relevant voor de beleggers die hun aandeel voordien hebben gekocht.
Zie over de toerekeningsfactor strekking van de geschonden norm § 1.3.3.2 sub a en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat dit argument alleen geldt voor de beleggers die hun aandeel tijdens het tijdvak van de misleiding hebben gekocht. Dit argument geldt niet voor de beleggers die toen de misleiding begon reeds aandeelhouder waren.
Zie over de toerekeningsfactor verwijderdheid van de schade § 1.3.3.5 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Soepel vanuit het oogpunt van de eisende beleggers.
Zie over de toerekeningsfactor voorzienbaarheid van de schade § 1.3.3.4 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Dan is er nog één situatie niet behandeld. Dat is de situatie waarin de (toen de misleiding begon reeds aanwezige) zeepbel tijdens het tijdvak van de misleiding, dan wel tegelijkertijd met het bekend worden van de misleiding, uit elkaar spat, maar waarin deze zonder de misleiding eerder uit elkaar zou zijn gespat (het gaat hier dus om twee verschillende scenario’s). Ter illustratie geef ik een eenvoudig voorbeeld van het (eerste) scenario waarin de zeepbel tijdens het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat.
Stel dat op tijdstip T0 sprake is van een zeepbel in de koers van het litigieuze aandeel. Deze zeepbel heeft ervoor gezorgd dat de koers is verdubbeld ten opzichte van de oorspronkelijke fundamentele waarde. Op tijdstip T0 noteert het aandeel € 100, terwijl het zonder de zeepbel € 50 zou noteren. Vervolgens beschikt de vennootschap op tijdstip T1 over (negatieve) voorwetenschap. Deze voorwetenschap weerspiegelt een fundamentele waarde van € 10, maar onder de huidige marktomstandigheden weerspiegelt zij een waarde van € 20. In strijd met de op haar rustende openbaarmakingsplicht uit hoofde van art. 17 lid 1 verordening Marktmisbruik1besluit de vennootschap de voorwetenschap niet te publiceren. Aanvankelijk ontstaat hierdoor een koersinflatie van € 20. Nu doet echter de (bijzondere) omstandigheid zich voor dat deze normschending niet alleen tot gevolg heeft dat de markt niet met de nieuwe (negatieve) informatie bekend wordt, maar deze tevens tot gevolg heeft dat de markt niet wordt gealarmeerd over de aanwezigheid van een zeepbel. Zou de informatie wel zijn gepubliceerd, dan zou in reactie op de initiële koersdaling van € 20 – meteen of kort daarna – de zeepbel uit elkaar zijn gespat, en zou de koers vervolgens zijn gehalveerd. De koers zou dus uiteindelijk – na eerst te zijn teruggevallen naar € 80 – zijn teruggevallen naar € 40. In totaal heeft de misleiding daarmee in een overwaardering van € 60 geresulteerd. In de feitelijke situatie duurt het zeepbeleffect echter nog even voort. Pas als op tijdstip T2 de zeepbel uit elkaar spat, zal (ook in de feitelijke situatie) het zeepbeleffect uit de koers lopen en zal de koers terugvallen naar € 50. De koers noteert op dat moment echter nog steeds € 10 boven de fundamentele waarde, omdat de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie nog steeds in de koers zit. Pas als op tijdstip T3 de misleiding bekend wordt, zal de koers terugvallen naar de fundamentele waarde van € 40.
In de onderhavige situatie leidt de misleidende informatie tot een overwaardering die het bedrag van de oorspronkelijke koersinflatie ver overtreft. Dat komt omdat de misleiding hier op een bijzondere wijze met de zeepbel interfereert. Enerzijds zorgt de zeepbel ervoor dat de totale koers – waaronder de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie – met een zeepbeleffect wordt ‘opgeblazen’, anderzijds zorgt de misleiding ervoor dat de zeepbel vooralsnog niet uit elkaar spat. Analytisch gezien kan deze door de misleiding veroorzaakte overwaardering in drie delen worden opgesplitst: ten eerste het zeepbeleffect in het ‘zuivere’ gedeelte van de koers (in bovenstaand voorbeeld € 40), ten tweede het zeepbeleffect in het onzuivere gedeelte van de koers (in bovenstaand voorbeeld € 10) en ten derde het bedrag van de eigenlijke koersinflatie (in bovenstaand voorbeeld eveneens € 10). In het kader van de schadetoerekening is vervolgens de vraag welk bedrag aan koersschade aan de vennootschap kan worden toegerekend.2 Is dat het bedrag van de totale door de misleiding veroorzaakte overwaardering (in bovenstaand voorbeeld € 60), het bedrag van de koersinflatie niet gecorrigeerd voor het zeepbeleffect (in bovenstaand voorbeeld € 20) of slechts het bedrag van de koersinflatie wel gecorrigeerd voor het zeepbeleffect (in bovenstaand voorbeeld € 10)?
Deze vraag is nog minder eenvoudig te beantwoorden dan de in § 7.8.3 behandelde toerekeningsvraag. Dat komt omdat de eerdergenoemde toerekeningsfactoren in dit geval niet in dezelfde richting hoeven te wijzen, en omdat daarnaast de factoren ook elk afzonderlijk geen eenduidig beeld geven. Zo kan men in het kader van de toerekeningsfactor strekking van de geschonden norm3 enerzijds zeggen dat de effectenrechtelijke informatieverplichtingen er niet toe strekken beleggers te beschermen tegen algemene beleggingsrisico’s. De vorming van een zeepbel is zo’n algemeen beleggingsrisico, en dat pleit ervoor slechts de koersinflatie gecorrigeerd voor het zeepbeleffect aan de vennootschap toe te rekenen. Anderzijds kan men zeggen dat de misleiding ervoor heeft gezorgd dat de zeepbel langer heeft voortgeduurd, zodat het aan de vennootschap is toe te rekenen dat de (door de misleiding benadeelde) beleggers aan het risico van een zeepbeleffect zijn blootgesteld.4 Dit laatste pleit er (op zichzelf) voor het volledige bedrag van de overwaardering aan de vennootschap toe te rekenen. Voor de toerekeningsfactor verwijderdheid van de schade5 kan een vergelijkbare redenering worden gevolgd. Enerzijds kan men zeggen dat de meest nabije oorzaak van het ontstaan van de zeepbel niet is gelegen in de misleiding; deze is gelegen in irrationeel beleggerssentiment (eventueel in combinatie met arbitragebeperkingen). Dat pleit ervoor slechts de koersinflatie exclusief het zeepbeleffect aan de vennootschap toe te rekenen. Anderzijds kan men zeggen dat de meeste nabije oorzaak van het voortduren van het zeepbeleffect wel is gelegen in de misleiding, en niet in het irrationele beleggerssentiment. Dit laatste pleit op zichzelf voor een soepele toerekening.6 De toerekeningsfactor voorzienbaarheid van de schade7 geeft in dit geval eventueel wel enig houvast. Zo is onder omstandigheden verdedigbaar dat de vennootschap heeft kunnen voorzien dat de misleiding tot gevolg zou hebben dat de zeepbel langer zou voortduren. Het komt in de praktijk immers nogal eens voor dat de publicatie van negatieve informatie fungeert als een soort ‘wake up call’ ten aanzien van de aanwezigheid van een zeepbel, zodat de vennootschap hier wellicht op bedacht kon zijn. Op grond van de laatstgenoemde toerekeningsfactor is dan bepleitbaar het volledige bedrag van de overwaardering aan de vennootschap toe te rekenen. Dit laatste gezichtspunt kan extra gewicht in de schaal leggen als (kan worden vastgesteld dat) de vennootschap er welbewust op heeft aangestuurd om via misleidende berichtgeving de zeepbel langer te laten voortduren, zodat zij langer (en derhalve meer) van het zeepbeleffect in de koers(inflatie) heeft kunnen profiteren. Ik verwijs in dit verband naar mijn opmerking over het door (het bestuur van) de vennootschap direct of indirect profiteren van een zeepbeleffect in de koers(inflatie) in § 7.8.3. Omdat de verschillende toerekeningsfactoren in dit geval dus geen eenduidig beeld opleveren, is de onderhavige toerekeningsvraag in algemene zin niet te beantwoorden. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen hoe het toerekeningsoordeel uiteindelijk zal uitvallen.