Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/
Introductie
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS446102:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook een schuldeiser wiens eigen vordering is betwist, kan een vordering, voorrang of retentie betwisten. Hetzelfde geldt voor een schuldeiser wiens vordering, voorrang of retentie slechts voorwaardelijk is toegelaten.
In surseance is dit anders. Dit wordt in de paragraaf hierna besproken.
De verwijzing is geen beschikking en dus niet vatbaar voor hoger beroep. Tegen de weigering of het verzuim van de rechter-commissaris te verwijzen, kan echter wel hoger beroep worden ingesteld. Zie ook Van Galen/V erstijlen, Faillissementswet, Deventer: Kluwer (losbl), art. 122 Fw, aant. 2.
Het geschil wordt verwezen naar de rechtbank die de faillietverklaring heeft uitgesproken. Dit ongeacht het bedrag van de vordering.
Door de voorwaardelijke toelating kan worden voorkomen dat een met de schuldenaar bevriende schuldeiser de vordering van een medeschuldeiser betwist, zodat deze laatste van de stemming over het akkoord wordt uitgesloten. Zie ook Kortmann/ Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 74 en 114.
Art. 147 Fw is niet beperkt tot wijzigingen in het getal der schuldeisers of in het bedrag der vorderingen ten gevolge van de uitkomst van renvooiprocedures. Ook wijzigingen als gevolg van een uiteindelijke vaststelling van voorwaardelijke rechten vallen er onder.
Zie memorie van toelichting bij art. 145 Fw, waarin wordt aangegeven dat het niet mogen meestemmen, terwijl men later wel schuldeiser blijkt te zijn, nog veel bezwaarlijker is. Daarnaast zou het leiden tot chicaneuze betwistingen. Kortmann/ Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 114.
Zie ook Van der Weide, De betwiste schuldeiser in het faillissementsakkoord, Tvl 1996/1.
Vgl. evenwel Elskamp & Van der Heijden 2004, (T&C Fw), art. 126 FW, aant. 2.
Zie HR 4 februari 2005, NJ 2005, 362 en JOR 2005/106, nt. A. van Hees. Dit arrest wordt nader besproken in paragraaf 7.5.
Nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden ingediend (art. 108 Fw). Indiening van de vorderingen geschiedt bij de curator (art. 110 Fw), deze onderzoekt de vorderingen en brengt ze vervolgens aan op een lijst van voorlopige, erkende vorderingen dan wel op een lijst van voorlopige betwiste vorderingen (art. 112 Fw). Op de verificatievergadering worden de voornoemde lijsten besproken en kan ieder van de schuldeisers die op een der lijsten voorkomt, inlichtingen vragen en van de andere vorderingen die op de lijsten staan, hun bestaan betwisten dan wel het beweerde recht van voorrang of van retentie (art. 119 Fw).1 De procedure rondom de erkenning en betwisting van vorderingen in faillissement heeft als doel dat hiermee komt vast te staan wie voor welk deel recht heeft op de boedel van de schuldenaar.2 De boedel dient immers in beginsel te worden geliquideerd, zodat de baten vervolgens onder de erkende schuldeisers kunnen worden verdeeld.
De curator kan op een eerdere erkenning of betwisting terugkomen. Daarnaast heeft hij de bevoegdheid om te vorderen dat een schuldeiser de deugdelijkheid van zijn vordering onder ede bevestigt (art. 119 lid 2 Fw). In het geval schuldeisers onderling twisten over een vordering en de rechter-commissaris er niet in slaagt partijen te verenigen, verwijst3 hij ze naar een door hem te bepalen terechtzitting van de rechtbank (art. 122 lid 1 Fw), de zogenoemde renvooiprocedure.4 Daarnaast heeft de rechter-commissaris ingevolge art. 125 Fw de bevoegdheid betwiste vorderingen, betwiste voorrangen5 en betwiste retentierechten voorwaardelijk toe te laten om zodoende oneigenlijke betwistingen buiten spel te zetten.6 Voor een schuldeiser van een betwiste vordering is het van groot belang dat zijn vordering geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk wordt toegelaten. Een voorwaardelijke toelating betekent voor de desbetreffende schuldeiser onder meer dat hij kan meestemmen over het akkoord. Mocht nadien blijken dat hij geen schuldeiser is, dan heeft dit ingevolge art. 147 Fw7 geen invloed op de getalsverhoudingen van art. 145 Fw.8 Dit geldt overigens ook als achteraf blijkt dat een vordering ten onrechte is betwist en niet voorwaardelijk door de rechter-commissaris is toegelaten. De schuldeiser van een ten onrechte betwiste vordering kan dan geen verandering meer aanbrengen in de aanneming of verwerping van het akkoord. Evenmin kan hij op de voet van art. 149 Fw verbetering verzoeken van het procesverbaal van de verificatievergadering, aangezien dat slechts is voorbehouden aan schuldeisers die voor het akkoord hebben gestemd. Hem rest slechts de mogelijkheid om ex art. 151 Fw aan de rechter-commissaris schriftelijk zijn redenen kenbaar te maken waarom de homologatie van het akkoord zou moeten worden geweigerd. Onder omstandigheden is denkbaar dat hij een actie uit onrechtmatige daad instelt jegens de betwistende schuldeiser en wellicht zelfs jegens de rechter-commissaris.9 De bevoegdheid van de rechter-commissaris uit hoofde van art. 125 Fw en de consequenties die daaruit kunnen voortvloeien voor de betrokken partijen, geeft de rechter-commissaris een nadere onderzoeksplicht ten aanzien van de gegrondheid van de vordering.
In het systeem van de wet heeft een betwisting door de schuldenaar voor de erkenning van een vordering in faillissement geen gevolg. Art. 126 lid 1 Fw luidt immers als volgt:
"Ook de gefailleerde is bevoegd, onder summiere opgaaf zijner gronden, tegen de toelating eener vordering, hetzij voor het geheel, hetzij voor een gedeelte, of tegen de erkenning van den beweerden voorrang, zich te verzetten. In dit geval geschiedt in het proces-verbaal aanteekening van de betwisting en van hare gronden, zonder verwijzing van partijen naar de rechtbank, en zonder dat daardoor de erkenning der vordering in het faillissement wordt verhinderd."
Uit art. 126 lid 1 Fw blijkt dat betwisting van een vordering door alleen de schuldenaar de erkenning van die vordering in het faillissement niet kan tegenhouden. De betrokken vordering wordt ondanks de betwisting in het faillissement geverifieerd en de schuldeiser van de betreffende vordering mag meestemmen over een akkoord. De erkenning van de vordering heeft jegens de schuldenaar echter geen rechtskracht. Het gevolg van de betwisting van een vordering door de schuldenaar is dat het recht van de betrokken schuldeiser tegenover de schuldenaar niet onherroepelijk komt vast te staan. De schuldeiser van een door de schuldenaar betwiste vordering verkrijgt, nadat het faillissement door een akkoord is geëindigd, dan ook niet de uit art. 159 Fw voortvloeiende executoriale titel.10
"Door de bevoegdheid, den gefailleerde in artikel 126 gegeven, om aanteekening te doen houden, dat hij de verificatie eener vordering niet goedkeurt, en de bepaling dat voor dergelijke vorderingen geen executoriale titel wordt verkregen, worden des gefailleerden rechten en belangen op de ruimste wijze gewaarborgd en gehandhaafd."11
Dit betekent dat een schuldeiser van een door de schuldenaar betwiste vordering na afloop van het faillissement in een bodemprocedure zijn recht jegens de schuldenaar moet aantonen, alvorens hij aanspraak kan maken op het akkoord(percentage). Om te voorkomen dat de schuldenaar elke vordering betwist om het rechtsgevolg van art. 159 Fw te verhinderen, dient de schuldenaar op de voet van art. 126 lid 2 Fw iedere door hem gedane betwisting te onderbouwen. Een betwisting door de schuldenaar zonder motivering wordt niet als een betwisting aangemerkt. Op zichzelf is de rechter-commissaris niet gehouden onderzoek te doen naar de gegrondheid van de motivering, maar in het kader van het al dan niet voorwaardelijk toelaten van betwiste vorderingen, doet hij er verstandig aan de gegrondheid van de motivering nader te onderzoeken. De rechter-commissaris is weliswaar vrij in het maken van zijn eigen afwegingen hierin, maar is voor de informatie over de vorderingen afhankelijk van de schuldenaar, de curator en de schuldeisers.12
Een vordering die is erkend in het faillissement en niet door de schuldenaar is betwist, hetgeen moet blijken uit het proces-verbaal van de verificatievergadering, heeft blijkens art. 121 lid 4 Fw in het faillissement kracht van gewijsde.13 Dit betekent dat het recht van de schuldeiser jegens de schuldenaar, de curator en de medeschuldeisers onherroepelijk vaststaat. In verbinding met art. 159 Fw verkrijgt een schuldeiser met een erkende en niet door de schuldenaar betwiste vordering na beëindiging van het faillissement, een voor tenuitvoerlegging vatbare titel op de schuldenaar alsmede jegens de eventuele tot het akkoord toegetreden borgen.