Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.4.4.1
2.4.4.1 Het Biek-arrest
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS586857:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie r.o. 3.2 van Hof Amsterdam 30 augustus 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9012 (Biek Holdings), waarnaar wordt verwezen in r.o. 3.2 van het Biek-arrest van de Hoge Raad.
Biek-arrest, r.o. 3.7, met verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 329-333. Zie ook HR 18 september 2015, JOR 2015/289, NJ 2016/66(Alasco Vastgoed BV): als de cliënt de advocaat aanspreekt die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd, maar die niet zijn contractuele wederpartij is, kan aansprakelijkheid slechts worden aangenomen met inachtneming van de daarvoor in art. 6:162 BW gestelde eisen.
In 1996 geven Biek e.a. opdracht aan een advocatenmaatschap om op te treden tegen een eerdere advocaat, van een ander kantoor, die beroepsfouten zou hebben gemaakt bij de behandeling van een zaak. Binnen de in 1996 aangezochte maatschap wordt de zaak tegen de oude advocaat behandeld door A. Deze procedure eindigt met een arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 17 september 2003, waarin de eis van Biek e.a. wordt afgewezen. Vervolgens geeft Biek aan A opdracht om de oude advocaat opnieuw te dagvaarden. Gelet op de termijn van artikel 3:316 lid 2 BW moet de dagvaarding uiterlijk op 17 juni 2004 zijn betekend. Betekening vindt pas een week later plaats; alle vorderingen worden afgewezen. Biek stelt nu, via weer een nieuwe advocaat, A c.s. aansprakelijk wegens een drietal beroepsfouten van A: (i) de te late betekening; (ii) het niet tijdig waarschuwen dat een verjaringstermijn op 14 september 1994 een aanvang had genomen; en (iii) het niet tijdig waarschuwen dat een andere verjaringstermijn mogelijk al op 26 maart 1994 een aanvang had genomen, hetgeen A in ieder geval op 30 oktober 1996 zou hebben geweten of had behoren te weten.1 Een ingewikkeld en droevig verhaal. Murphy’s law?
Biek vordert vergoeding van de uit de drie beroepsfouten voortvloeiende schade van een vijftal personen (A, alsmede B, C, D en E) die rechtstreeks of via praktijk-BV’s als vennoten aan de advocatenmaatschap verbonden waren. A, B en C zijn nimmer in persoon lid van de maatschap geweest. D was in persoon vennoot sinds 1994 en is medio 2002 als vennoot vervangen door zijn praktijk-BV. E was in persoon vennoot vanaf 2000 en is begin 2003 als vennoot vervangen door zijn praktijk-BV. Ten tijde van de dagvaarding in eerste instantie stonden de namen van A c.s. op het briefpapier van de maatschap, maar in feite bestond de maatschap op dat moment uit hun BV’s.
De Hoge Raad neemt in dit arrest tot uitgangspunt dat de vennoten van een maatschap voor gelijke delen persoonlijk aansprakelijk zijn voor de tekortkoming in de nakoming van een deelbare prestatie die door de maatschap verschuldigd is. De Hoge Raad verwijst naar de hierboven aangehaalde artikelen 7A:1679-1681 BW. Aangezien het i.c. een overeenkomst van opdracht betreft, is de aansprakelijkheid van de vennoten volgens de Hoge Raad echter hoofdelijk (art. 7:407 lid 2 BW). De persoonlijke aansprakelijkheid blijft bestaan, wanneer de vennoot uittreedt. Waar het een openbare maatschap betreft, kan in de dagvaarding worden volstaan met vermelding van de naam van de maatschap, maar al dan niet in combinatie daarmee kunnen vennoten ook individueel worden gedagvaard ter zake van hun persoonlijke aansprakelijkheid. Anders dan het hof heeft geoordeeld, volgt uit het feit dat met de maatschap is gecontracteerd niet dat de maatschap in rechte moet worden betrokken. Indien blijkt dat bedoeld is de gezamenlijke vennoten te dagvaarden, maar niet alle (rechts)personen zijn gedagvaard die ten tijde van de dagvaarding vennoot waren, behoort de rechter desverzocht, of zo hij het nodig oordeelt dat de niet gedagvaarde vennoten aan het geding (kunnen) deelnemen, in beginsel gelegenheid te geven om die personen alsnog in het geding te betrekken op de voet van artikel 118 Rv. Aldus de Hoge Raad.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat degene die vennoot is op het tijdstip dat de in artikel 7:407 lid 2 BW bedoelde opdracht is aanvaard, in beginsel op grond van die bepaling voor het geheel aansprakelijk is ter zake van een tekortkoming in de nakoming daarvan en dat degene die maat is op het tijdstip dat de betrokken schuld van de maatschap ontstaat, daarvoor voor een gelijk deel aansprakelijk is op grond van de artikelen 7A:1679-1681 BW. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van E is derhalve reeds voldoende dat hij in 2000 als vennoot is toegetreden tot de maatschap, na welk tijdstip een deel van de door Biek gestelde schulden is ontstaan. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van D is voldoende dat hij vennoot was toen de opdrachten door de maatschap werden aanvaard of toen de door Biek gestelde schulden zijn ontstaan. Aldus nog steeds de Hoge Raad.
A was niet in persoon, maar via een BV vennoot van de maatschap. Hij is daarom niet aansprakelijk op grond van artikel 7:407 lid 2 BW of de artikelen 7A:1679-1681 BW. Wel is duidelijk dat de opdracht aan de maatschap is verleend met het oog op A, waardoor hij zelf gehouden was deze uit te voeren (art. 7:404 BW). Voor eventuele tekortkomingen in de uitvoering van de opdracht is hij dan naast de opdrachtnemer hoofdelijk aansprakelijk, aldus de Hoge Raad. Bij de regeling van artikel 7:404 BW is onder meer gedacht aan de advocaat die werkzaam is in maatschapsverband, waarbij de maatschap optreedt als opdrachtnemer.2 In dit geval staat vast dat A in de (aaneengesloten) periode van 1994 tot 2004 als advocaat de opdrachten heeft uitgevoerd. In dit licht valt volgens de Hoge Raad niet in te zien dat Biek haar aansprakelijkstelling van A nog nader had moeten toelichten of onderbouwen, zoals het hof had overwogen.