Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/2.3.2.1
2.3.2.1 Voorontwerpen
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS447420:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Boek 7 ontwerp Nieuw Burgerlijk Wetboek wijdde in de ontwerpfase nog een aparte titel, 7.12, aan de collectieve arbeidsovereenkomst, die later is geschrapt. Zie Florijn (1995), p. 443 en p. 448-449.
‘B.W. 71: Vennootschap’, in: NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1394.
Dat was voor Meijers een gebruikelijke wijze van werken; zie Florijn (1995), p. 446.
Zie hierboven onder 2.2.2.
Deze had tot taak de door Meijers opgestelde concepten van commentaar te voorzien; zie Florijn (1995), p. 114-123.
‘Notities van Prof. Mr. W.F. de Gaay Fortman, naar aanleiding van het ontwerp van Prof. Meyers (sic!, noot AT) voor de regeling van de vennootschap (B.W. 71)’, in: NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1394.
‘Notulen van de vergadering van 14 en 15 Februari 1952 te Leiden, ter bespreking van het voorontwerp: ‘Vennootschap (no. 71)’ en van enige stukken betreffende de: ‘Naamloze Vennootschap (85 pro memorie)’, in: NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1394. Aanwezig waren naast Meijers, De Gaay Fortman en Van Vrijberghe de Coningh: Van Sasse van IJsselt als vertegenwoordiger van het Departement van Justitie en notaris Schadee als deskundige. Anders dan Meijers (1996), p. 94, schrijft was Van der Grinten niet aanwezig bij deze bespreking, al was het oorspronkelijk kennelijk wel de bedoeling hem hiervoor uit te nodigen: zie Florijn (1995), p. 443.
‘B.W. 71bis: Vennootschap’, in: NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1394. Hoewel dit niet uit het stuk zelf blijkt is, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, aannemelijk dat dit nog van de hand van Meijers zelf was.
Deze bedoeling is af te leiden uit de hierna te bespreken toelichtende nota van Kamphuisen; zie ‘B.W. 71, behoort bij I, Nota voor het driemanschap’, p. 20, in: NL-HaNA, Justitie- NBW, 2.09.75, inv.nr. 1395.
Florijn (1995), p. 448.
‘B.W. 71, I: Vennootschap, Kamphuisen, September 1954’ en ‘B.W. 71, behoort bij I, Nota voor het driemanschap’, beide in: NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1395.
‘B.W. 71, behoort bij I, Nota voor het driemanschap’, p. 19, in: NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1395.
‘B.W. 71, behoort bij I, Nota voor het driemanschap’, p. 19-20, in: NL-HaNA, Justitie- NBW, 2.09.75, inv.nr. 1395.
‘(Staatscommissie dossier B.W. 71) Eerste drukproef, October 1954 (Prof. Mr. P.W. Kamphuisen), 7.14’, in: NL-HaNA, Justitie-NBW, 2.09.75, inv.nr. 1395.
Florijn (1995), p. 451-463.
Aan de verschijning in 1972 van het Ontwerp-Van der Grinten gaat een lange voorgeschiedenis vooraf, waarin tal van teksten voor de aan personenvennootschappen te wijden titel van Boek 7 van het nieuwe BW zijn opgesteld, besproken en herschreven. Het lijkt zinvol de ontwikkeling van de gedachtevorming inzake het bestuursverbod te bezien in deze aan het Ontwerp-Van der Grinten voorafgaande ontwerpen. Een eerste, nooit gepubliceerd en niet-gedateerd, voorontwerp voor deze titel, toen nog titel 7.14 genummerd,1 is van de hand van Meijers zelf.2 Een toelichting daarop ontbrak.3 In artikel 29 van dit ontwerp wordt het volgende bepaald:
‘De naam van de vennoot die van het beheer is uitgesloten, mag niet in de naam van de vennootschap vermeld worden. Evenmin mag deze vennoot de vennootschap tegenover derden vertegenwoordigen, een en ander op straffe van als beherend vennoot voor alle verbintenissen van de vennootschap aansprakelijk te worden.’
Hierin valt op dat het de commanditair uitsluitend verboden werd extern op te treden: interne bestuursbeïnvloeding was hem kennelijk toegestaan. Daar staat dan wel tegenover dat iedere vertegenwoordigingshandeling de commanditair is verboden, en dus niet alleen die, op grond waarvan de derde een onjuiste indruk zou kunnen krijgen van diens positie in de vennootschap. Als gevolg van schending van het bestuursverbod houdt Meijers vast aan de aansprakelijkheid voor alle verbintenissen van de vennootschap, ondanks de kritiek daarop die ook toentertijd al bestond.4 Dit ontwerp is becommentarieerd door twee leden van de Staatscommissie voor de Nederlandse Burgerlijke Wetgeving,5 De Gaay Fortman en Van Vrijberghe de Coningh. Over de regeling van het bestuursverbod had alleen De Gaay Fortman een opmerking, namelijk of het wel gewenst was om de niet-beherende vennoot te verbieden om de vennootschap krachtens een bijzondere volmacht te vertegenwoordigen.6 Tijdens een vergadering op 14 en 15 februari 1952 zijn Meijers’ voorontwerp en de vorenbedoelde commentaren besproken.7 Inzake het bestuursverbod zegde Meijers toe de suggestie van De Gaay Fortman nader te zullen overwegen. In een herzien, ongedateerd, ontwerp8 is dit punt inderdaad gewijzigd. Bovendien zijn enige andere wijzigingen aangebracht. De desbetreffende bepaling is in dit herziene ontwerp vernummerd tot art. 31 lid 2 en luidt als volgt:
‘2. Een commanditaire vennoot wordt voor schulden der vennootschap onder firma eerst aansprakelijk, wanneer hij de vennootschap op dezelfde wijze als een beherend vennoot heeft vertegenwoordigd of wanneer zijn naam in die van de vennootschap is opgenomen, echter alleen voor daarna ontstane schulden.’
Op twee belangrijke punten wijkt dit herziene ontwerp af van het oorspronkelijke. In de eerste plaats wordt de commanditair slechts aansprakelijk voor vennootschapsschulden wanneer hij ‘op dezelfde wijze als een beherend vennoot’ de vennootschap heeft vertegenwoordigd, dus niet elke vertegenwoordigingshandeling wordt hem fataal. Ook het optreden als gevolmachtigde wordt door het gebruik van deze woorden mogelijk: handelt de commanditair als gevolmachtigde, dan treedt hij niet op ‘op dezelfde wijze als een beherend vennoot’.9 De andere opmerkelijke wijziging is dat zijn aansprakelijkheid slechts de schulden betreft die zijn ontstaan nadat de commanditair een hem verboden gedraging heeft verricht; de aansprakelijkheid voor alle schulden van de vennootschap is uit het ontwerp geschrapt. Na het onverwachte overlijden van Meijers op 25 juni 1954 werd de bewerking van de titel ‘Vennootschap’ opgedragen aan de Nijmeegse hoogleraar Kamphuisen.10 Al in september van dat jaar kwam deze met een gewijzigde wettekst, vergezeld door een nota waarin hij de door hem aangebrachte wijzigingen toelichtte (hierna ook: ‘Ontwerp-Kamphuisen’).11 Hoewel de formulering afwijkt van die van Meijers is de kern van het bepaalde inzake het bestuursverbod in dit ontwerp niet wezenlijk veranderd. Artikel 31 van het Ontwerp-Kamphuisen luidt als volgt:
Een commanditaire vennoot is niet aansprakelijk voor de schulden der vennootschap.
Treedt hij echter naar buiten op op dezelfde wijze als een beherend vennoot, dan wordt hij tegenover derden op dezelfde wijze aansprakelijk als een beherend vennoot met dien verstande, dat, indien het een vennootschap onder firma betreft, zijn hoofdelijke aansprakelijkheid alleen geldt voor schulden door of na zijn optreden ontstaan.’
Net als in het voorafgaande ontwerp wordt ook in dit ontwerp-Kamphuisen het bestuursverbod slechts overtreden wanneer de commanditair zich extern manifesterende handelingen verricht. Uit de toelichtende nota blijkt dat het optreden van de commanditair, wil het aansprakelijkheid vestigen, een optreden als beherend vennoot moet zijn, wat niet het geval is wanneer hij als gemachtigde van de vennootschap handelt.12 In de toelichtende nota wordt expliciet tot uitdrukking gebracht dat interne handelingen door de commanditair niet voldoende zijn om aansprakelijkheid aan te nemen. Ook het verlenen van goedkeuring is de commanditair toegestaan. Ingeval van overtreding wordt de commanditair aansprakelijk voor (gelijktijdig ontstane en) posterieure vennootschapsschulden en dus niet voor alle schulden van de vennootschap. Ook op dit punt wijkt het Ontwerp-Kamphuisen dus niet af van het voorafgaande ontwerp. De aansprakelijkheid van de bedrijvige commanditair geldt wel jegens een ieder, en niet alleen jegens degene met wie hij gehandeld heeft.13 Vermeld wordt nog in de toelichtende nota dat art. 31 alleen invloed heeft op de verhouding van de commanditair tot derden en dat zijn positie jegens de vennootschap en de medevennoten ongewijzigd blijft, zodat hij op hen verhaal kan zoeken voor wat hij aan de derde heeft betaald. Kort daarop, in oktober 1954, verscheen de eerste drukproef van wat toen nog als titel 7.14 BW werd aangeduid.14 De tekst en toelichting van Kamphuisen betreffende dit punt zijn hierin ongewijzigd overgenomen. Deze drukproef is nooit in druk verschenen: het werk aan Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek lag van 1955 tot 1961 nagenoeg stil, en daarna moest het deel dat klaar was afgestemd worden op de inmiddels gedeeltelijk gewijzigde terminologie en systematiek van andere boeken van het nieuwe Burgerlijk Wetboek.15