Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.6.4.3
9.3.6.4.3 Uitoefening van een wilsrecht door een beslaglegger
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648799:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo kan beslag worden gelegd op een overdraagbare (koop)optie en vervolgens kan dit optierecht, zonder dat het wordt uitgeoefend, worden verkocht (executie). Zie bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 29 augustus 2008, JBPr 2008/62. Anders: Biemans 2009, p. 99.
Asser/Steneker 2019.
HR 29 oktober 2004, NJ 2006/203.
Zie onder meer Bergervoet 2014, par. 4.2.6.
HR 11 maart 2005, NJ 2006/362 en JOR 2005/131, r.o. 3.6.
Kortmann 2005 en Kortmann in zijn noot onder HR 11 maart 2005 in JOR 2005/131. Anders: Snijders in zijn noot onder HR 11 maart 2005 in NJ 2006/362.
Een andere vraag is of een beslaglegger die beslag op een wilsrecht heeft gelegd, bevoegd is om dat wilsrecht vervolgens uit te oefenen.1 Betoogd wordt dat een beslaglegger in beginsel niet bevoegd is om aan de beslagene toekomende wilsrechten uit te oefenen. Zie onder andere Steneker:2
“De beslaglegger is in beginsel niet bevoegd om aan de beslagene toekomende wilsrechten uit te oefenen.”
Het is natuurlijk zeer goed denkbaar dat een beslaglegger, die beslag legt op de vordering van een vrijgestelde rechtspersoon en op het wilsrecht om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken, de wens heeft om dit wilsrecht uit te oefenen. Met name wanneer de vrijgestelde rechtspersoon geen verhaal biedt, zou het logisch zijn dat de beslaglegger de vordering bij de consoliderende rechtspersoon incasseert. Het zou bezwaarlijk zijn als de beslaglegger wordt belemmerd door het technische probleem dat hij als beslaglegger niet bevoegd zou zijn om het wilsrecht uit te oefenen.
Wanneer de beslaglegger het wilsrecht niet uit kan oefenen wanneer hij het heeft beslagen, is de vraag wat er gebeurt als hij het wilsrecht verkoopt (executie).
Wanneer de beslaglegger de bevoegdheid heeft om het wilsrecht uit te oefenen, blijven deze problemen hem bespaard. Het is niet uitgesloten dat de beslaglegger deze mogelijkheid heeft. In dit kader heeft de Hoge Raad bepaald dat:3
“[d]e vraag of de beslaglegger in verband met een door hem gelegd derdenbeslag een door de beslagene nog niet uitgeoefend wilsrecht in diens plaats mag uitoefenen, (...) zich niet in algemene zin [laat] beantwoorden aangezien het antwoord afhankelijk is van de aard van het wilsrecht in kwestie”.
Zou de 403-aanspraak kwalificeren als borgtocht, dan zou de beslaglegger eveneens niet met deze problemen opgezadeld worden en zich eveneens tot de consoliderende rechtspersoon kunnen wenden. Op basis van de jurisprudentie is verdedigbaar dat een beslaglegger de zekerheidsrechten kan uitoefenen waarmee de beslagen vordering is gesecureerd.4 Borgtocht is een (persoonlijk) zekerheidsrecht. Zie in dit kader de Hoge Raad:5
“in overeenstemming met het in art. 477 Rv. in verbinding met art. 477a Rv. neergelegde wettelijke systeem, waarin aan de derdenbeslaglegger de bevoegdheid toekomt zijn vordering op de beslagdebiteur te verhalen door inning van de vordering van de beslagdebiteur op de derde-beslagene, dat de derdenbeslaglegger wiens beslag een vordering onder hypothecair verband heeft getroffen, profiteert van de aan de beslagen vordering verbonden hypothecaire voorrang boven andere schuldeisers die verhaal zoeken op het hypothecair verbonden registergoed.”
Hoewel de uitkomst van dit arrest wordt aanvaard, bestaat er discussie over de redenering die de Hoge Raad aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.6