Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/5.4.3
5.4.3 Beperkingen en uitbreidingen van bevoegdheden van bestuur en AV in specifieke gevallen op grond van artikelen 2:8 en 3:13 BW
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232665:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreid: Oosterhoff 2017, hoofdstuk 6.
Par. 3.49 en 3.53 concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
Artikel 3:12 BW. Zie ook par. 3.53 concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §43.3. Assink, MvO 2018/7, par. 5.8b; Assink 2019, par. 9. Zie ook: par. 2.49 concl. A-G Wesseling-van Gent bij HR 21 februari 2003, NJ 2003/182, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/57, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (HBG). In paragraaf 4.4 van dit proefschrift schreef ik al dat de verklaring over de toepassing van de Corporate Governance Code in het jaarverslag van een beursvennootschap niet vrijblijvend is, maar in beginsel een concrete toezegging is jegens de bij de NV betrokkenen die mede inhoud geeft aan algemene normen zoals onder andere neergelegd in artikel 2:8 BW (zie aldaar voor nadere bronvermelding).
In de Cryo-Save-beschikking rechtvaardigde de Ondernemingskamer de responstijd op basis van de redelijkheid en billijkheid, zie Hof Amsterdam (OK) 6 september 2013, JOR 2013/272 (Cryo-Save). Meer in het algemeen ziet de Hoge Raad de Corporate Governance Code als een uiting van de in Nederland heersende algemene rechtsovertuiging, zie HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.4; HR 9 juli 2010, NJ 2010/544, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2010/228, m.nt. M.J. van Ginneken (ASMI), r.o. 4.4.2. Zie voor een nadere toelichting en nuancering: paragraaf 6.2.4 van dit proefschrift.
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §43.3.
Vletter-van Dort 2001, par. 3.3.3a e.v. Zie ook: Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, nr. 64 en Hof Amsterdam (OK) 17 februari 2009, JOR 2009/129 (Butôt), r.o. 3.7. Zie meer uitgebreid paragraaf 3.3 van dit proefschrift, in het bijzonder voetnoot 205.
Rb. Amsterdam 26 maart 2008, JOR 2008/125, m.nt. S.M. Bartman (Delta Lloyd/Aviva). Bartman spreekt in zijn annotatie over een “stemgebod”.
Hof Amsterdam (OK) 3 maart 1999, JOR 1999/87 (LVMH/Gucci), r.o. 3.3 en Hof Amsterdam (OK) 11 maart 1999, JOR 1999/89, m.nt. M. Brink (Uni-Invest/Breevast), r.o. 4.16.
Op grond hiervan kan een agenderingsverzoek geweigerd worden, zie HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.4. Een andere grond voor een dergelijke weigering kan artikel 3:13 lid 1 BW zijn. Maeijer 1964, par. 5. Op grond van artikel 2:8 lid 2 BW kan ook artikel 2:107a BW niet toepassing zijn, zie Hof Amsterdam, 29 juli 2014, JOR 2014/300, m.nt. D.R. Doorenbos, (Fortis), r.o. 5.2.6 (waarover uitgebreider paragraaf 6.2.1).
Hof Amsterdam (OK) 18 juli 2018, JOR 2018/303, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Eneco), r.o. 3.13.
HR 4 april 2014, NJ 2014/286, m.nt. P. van Schilfgaarde (Roovers/Cancun Holding I), r.o. 4.2.1-4.2.2.
Rb. Amsterdam 10 augustus 2017, JOR 2017/260, m.nt. R.G.J. Nowak (Elliott/AkzoNobel).
Par. 3.49 concl. A-G Timmerman bij HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO).
HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex).
Op grond hiervan kan het agenderingsverzoek geweigerd worden, zie HR 20 april 2018, NJ 2018/331, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2018/142, m.nt. A.F.J.A. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.4. Een andere grond voor een dergelijke weigering kan artikel 2:8 lid 2 BW zijn.
HR 13 februari 1942, NJ 1942/360 (Baus/De Koedoe I).
HR 5 januari 1979, NJ 1979/317, m.nt. J.M.M. Maeijer (Slijkerman).
HR 18 december 2015, NJ 2016/172, m.nt. F.M.J. Verstijlen, JOR 2016/145, m.nt. J.B.A. Jansen (Hoeksma/Trade).
Löwensteyn ziet de leerstukken van misbruik van bevoegdheid en goede trouw (thans de redelijkheid en billijkheid) als dezelfde beperkingsgronden, zie Löwensteyn 1959, p. 159 en 170.
Een beperking of uitbreiding van bevoegdheden van het bestuur of de AV kan volgen uit artikel 2:8 BW.1 Een uitbreiding van bevoegdheden zal gegrond kunnen zijn op het eerste lid van dat artikel (de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid). In zijn conclusie bij de ABN AMRO-beschikking ging A-G Timmerman in op de vraag of de redelijkheid en billijkheid kunnen bewerkstelligen dat een orgaan een bevoegdheid toekomt, die het op grond van de wet en statuten niet heeft. De A-G sloot niet uit dat dat het geval kon zijn, maar zag daarvoor weinig ruimte, behoudens bijzondere omstandigheden.2 Ik sluit mij daarbij aan. Ik zou willen aannemen dat een slechts op vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid gegronde bevoegdheid kan bestaan indien sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals een niet-wettelijke bevoegdheid die geworteld is in Nederland levende rechtsovertuigingen3 of indien sprake is van concrete toezeggingen door het bevoegde orgaan waardoor het gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt.4 Een voorbeeld van het eerste geval is de responstijd die het bestuur onder omstandigheden zal kunnen inroepen wanneer de voorgenomen uitoefening van het agenderings- of convocatierecht kan leiden tot wijziging van de strategie van de beursvennootschap.5 Een voorbeeld van het tweede geval bestaat in de situatie dat het bestuur verklaart dat de AV om goedkeuring gevraagd zal worden voor een bestuursbesluit, zonder dat die goedkeuring op grond van de wet en statuten vereist is.6 Daarnaast zijn er bijzondere omstandigheden denkbaar die kunnen leiden tot een aanvullend recht van aandeelhouders om inlichten te ontvangen buiten het verband van de AV.7
Er kan op grond van het eerste lid van artikel 2:8 BW overigens ook sprake zijn van een uitbreiding van verplichtingen. Zo bepaalde de rechtbank Amsterdam in 2008 dat de redelijkheid en billijkheid de aandeelhouder van Delta Lloyd verplichtte in te stemmen met een door de raad van commissarissen van Delta Lloyd (op grond van zijn statutaire initiatiefrecht) voorgestelde statutenwijziging.8 Ook overwoog de Ondernemingskamer dat de bieder of verwerver van een pakket aandelen op grond van artikel 2:8 BW openheid van zaken diende te geven over zijn voornemens.9
Een beperking van bevoegdheden van het bestuur of de AV op basis van artikel 2:8 BW zal gegrond zijn op het tweede lid, dat de beperkende of derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid behelst.10 Dit zal toepassing kunnen vinden als de uitoefening van de bevoegdheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.11 Dit kan in het bijzonder het geval zijn wanneer de belangen van degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken onnodig of onevenredig worden geschaad.12 In een enkel geval is ook een beperking op de ontslagbevoegdheid aangenomen op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.13
In gevallen waar het slechts de verhouding tussen het bestuur en AV betreft, zal veelal zowel sprake zijn van een uitbreiding van de bevoegdheid van het ene orgaan als de beperking van de bevoegdheid van het andere orgaan. Een voorbeeld: wanneer het bestuur op goede gronden de responstijd inroept, en die wordt door een rechter in stand gelaten, dan is dit zowel een uitbreiding van de bestuursbevoegdheden, als een beperking van het agenderingsrecht van aandeelhouders. Een ander voorbeeld: wanneer op grond van gerechtvaardigde verwachtingen een goedkeuringsbevoegdheid van de AV wordt aangenomen die niet voortvloeit uit de wet of de statuten, dan is zowel sprake van een beperking van de bestuursbevoegdheid, als van een uitbreiding van de bevoegdheid van de AV.
Voor zowel de aanvullende als de beperkende redelijkheid en billijkheid geldt in dit soort gevallen een hoge drempel. Voor de beperkende redelijkheid en billijkheid volgt dit al uit de wet, omdat de desbetreffende regel in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar moet zijn, wil zij niet van toepassing zijn.14 Voor de aanvullende redelijkheid en billijkheid volgt dit uit het stelsel van de wet en de rechtszekerheid. Zie in dit verband ook de conclusie van A-G Timmerman bij de ABN AMRO-beschikking:
“Ik wil niet categorisch uitsluiten dat aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat voor een bepaald orgaan een hem niet door de wet of statuten toegekende bevoegdheid mag worden aangenomen. Het moet dan mijns inziens wel evident zijn dat in de omstandigheden van het geval een dergelijke bevoegdheid aan het betrokken orgaan dient toe te komen. […] De bevoegdheidsverlening dient ook te passen in het stelsel van de wet.”
Een andere opvatting verdraagt zich niet met het beginsel van het wettelijke systeem dat in het belang van de rechtszekerheid en een goede organisatie van de rechtspersoon aan de hand van de wet en de statuten kan worden bepaald welke bevoegdheden een orgaan toekomt. Het zou leiden tot rechtsonzekerheid die juist op het punt van de bevoegdheidsverdeling moeilijk geaccepteerd kan worden. Dit geldt zeker voor vennootschappen met vele deelnemers, zoals beursvennootschappen. De bevoegdheidsverdeling in de vennootschap dient in die gevallen steeds helder te zijn. Daarop kan alleen in heel bijzondere gevallen op grond van de redelijkheid en billijkheid een uitzondering worden gemaakt. De wettelijke en statutaire bevoegdheidsverdeling moet voor de organen van de vennootschap een soort ‘spoorboekje’ zijn.15
Een beperking van een bevoegdheid van het bestuur of de AV, althans van de mogelijkheid tot uitoefening daarvan, kan ook voortvloeien uit het feit dat een dergelijke uitoefening misbruik van bevoegdheid zou opleveren op grond van artikel 3:13 lid 1 BW. Uitoefening van een bevoegdheid leidt tot misbruik daarvan indien de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan de ander te schaden, met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, of in het geval het orgaan, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.16 Hiervan kan voor wat betreft de bevoegdheid van aandeelhouders onder andere sprake van zijn bij gebruikmaking van het stemrecht17 of van het agenderingsrecht.18 Ook kan de vrije benoemingsbevoegdheid van de AV worden beperkt als de benoeming geschiedt met de opzet om de aandeelhouders of een derde onbillijk te bevoordelen, danwel om de NV of een derde te schaden.19 Bevoegdheden van het bestuur kunnen op deze grond ook worden beperkt. Dat kan onder andere bij uitoefening van de vertegenwoordigingsbevoegdheid,20 of bij het aanvragen van een faillissement.21 Löwensteyn erkende al dat de bestuursautonomie begrensd werd door misbruik van bevoegdheid.22