Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/4.3.3.1
4.3.3.1 Belasting niet of niet volledig betalen
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270091:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De betaling geschiedt tegenwoordig vanzelfsprekend giraal, zie 4:89 lid 1 Awb.
Douma 2019, p. 113.
Uit Kamerstukken II 2008/2009, 32 128, nr. 20, p. 13 en 14 blijkt dat de wetgever de bevoegdheid tot het opleggen van de onderhavige boete heeft willen beperken tot gevallen van notoire wanbetalers. In een door de Ontvanger overlegd intern, niet gepubliceerd memo van de Belastingdienst omtrent de toepassing van de betaalverzuimboete van art. 63b IW 1990 staat onder meer het volgende: “In de parlementaire geschiedenis is aangegeven dat de betaalverzuimboetes zullen worden opgelegd aan notoire wantbetalers. Deze maatregel werd geacht een hoge opbrengst te genereren. Omdat – na evaluatie van de eerste ervaringen – duidelijk werd dat bij het opleggen van de boetes alleen aan notoire wanbetalers deze doelstelling niet gehaald zou worden is besloten om deze maatregel breder in te zetten. Het interne beleid strookt dus niet met de bedoeling van de wetgever volgend uit de parlementaire geschiedenis.
Schutte 2001, p. 45.
Stb. 2013, 567.
Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1244.
Delicten/sancties
De belastingplichtige, dan wel de inhoudingsplichtige, is gehouden om de belasting overeenkomstig de aangifte te betalen. Voor aanslagbelastingen is deze verplichting niet als zodanig vastgelegd. Dit komt overeen met het in paragraaf 4.3.2.2. behandelde verschil tussen aangiftebelastingen en aanslagbelastingen en de rol van de aangifte binnen dit verschil. Voor aangiftebelastingen is wel in de AWR geregeld dat de betaling aan de ontvanger dient te worden gedaan, vlak nadat de aangifte gedaan is aldus art. 19 lid 1 en 3 AWR.1 Indien de overeenkomstig de gedane aangifte vereiste betaling wordt gedaan, dan hoeft en kan niet worden nageheven. Het is niet duidelijk of een aanvullende betaling (suppletiebetaling) van een aanvullende aangifte vergezeld dient te gaan.2
Ook de sancties voor het niet betalen van belasting zijn in de AWR enkel voor aangiftebelastingen opgenomen. De sancties op het niet (volledig) betalen zijn:
een verzuimboete op grond van art. 67c AWR;3
een vergrijpboete op grond van art. 67f AWR;
en een strafrechtelijke sanctie op grond van art. 69a AWR.
Sinds 2010 is het verzuim van het (deels) niet (tijdig) betalen van aanslagbelastingen ook beboetbaar en dit verzuim en de bijbehorende boete zijn opgenomen in art. 63b IW.4 Over de boete is in de kamerstukken geschreven dat het opleggen ervan niet via een geautomatiseerd en massaal proces zou gaan plaatsvinden maar zou worden toegepast in individuele, door de ontvanger te beoordelen situaties waarin sprake is van belastingschuldigen die stelselmatig niet, veel te weinig, of te laat betalen.5
Fiscale fraude?
De vraag is of het schenden van de betalingsverplichting onder de definitie van belastingfraude moet worden geschaard. Op grond van drie argumenten kan de conclusie worden getrokken dat dit niet het geval is. Ten eerste kon op basis van paragraaf 4.2. worden vastgesteld dat fraude gerelateerd is aan het frustreren van een informatiestroom. Dergelijke gedragingen houden op zichzelf geen verband met gedragingen in de sfeer van betaalverzuimen. Het tweede argument sluit hierop aan. Ervan uitgaand dat een fiscaal fraudeur zijn aangifte laat corresponderen met de betaling, is te verdedigen dat de waarheidsvinding vooral gebaat is bij een correcte en volledige informatievoorziening. Informatie in de aangifte geeft een beter beeld van de totstandkoming van de (onjuiste) belastingschuld dan een al vastgesteld bedrag dat is overgemaakt. Ook het BBBB maakt onderscheid tussen een bedrag dat niet betaald is maar wel is aangegeven (paragraaf 23: verzuim in het periodieke betalingspatroon, na vergelijking met de aangifte) en een bedrag dat niet is betaald, omdat het ook niet is aangegeven (paragraaf 24: verzuim dat boven tafel komt, bijvoorbeeld na een boekenonderzoek). Ten derde is – op grond van de huidige systematiek, inhoudend een scheiding tussen heffing en invordering – de betaling het sluitstuk, waarvan de verantwoordelijkheid ligt bij de ontvanger en welk gereguleerd wordt door de IW. Schutte schrijft in dit verband bijvoorbeeld dat het merkwaardig is dat een betalingsverzuim (namelijk verzuimen te betalen bij aanslagbelastingen) via de AWR gesanctioneerd wordt, nu de IW in beginsel de betaling en invordering omvat.6 Uit het voorgaande vloeit voort dat het niet zuiver is om schending van de betalingsverplichting als fiscale fraude aan te merken.
Art. 69a AWR, alleen voor ‘echte’ fraudeurs
Een lastig geval – althans, om te plaatsen binnen hetgeen zojuist voorgehouden – is de bepaling van art. 69a AWR. Per 1 januari 2014 is hierin strafbaar gesteld het niet (gedeeltelijk/tijdig) betalen (voldoen of afdragen) van belasting voor de aangiftebelastingen.7 In de MvT valt te lezen:
“Wat betreft de sancties geldt ook bij fraude bij aangiftebelastingen dat op te leggen sanctie effectief moet zijn. Effectieve sancties zijn in ieder geval voldoende leed toevoegend. Op dit moment kan de Belastingdienst bij naheffing een bestuurlijke boete opleggen wegens het opzettelijk of grof schuldig niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen. Het opleggen van een bestuurlijke boete is echter weinig effectief indien reeds vaststaat dat de belastingplichtige geen verhaal biedt. In die gevallen en indien (tevens) sprake is van ernstige feiten, moet handhaving via de strafrechtelijke weg gewaarborgd zijn. Het is daarom wenselijk dat opzettelijk niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen ook strafbaar gesteld wordt, zodat daarvoor een gevangenisstraf geëist kan worden. Met het strafbaar stellen van het niet voldoen aan de betalingsverplichting wordt tegelijkertijd voorkomen dat strafvervolging wordt vermeden door het wel doen van een juiste en volledig aangifte. [….] De beperking in de vervolgingscapaciteit, de criteria in de Richtlijnen AAFD en het vereiste van opzet waarborgen dat alleen de meer ernstige feiten voor de strafrechter gebracht worden. Van het vereiste opzet is in ieder geval geen sprake bij (goedwillende) ondernemers die al dan niet tijdelijk in betalingsproblemen verkeren en uitstel van betaling vragen.”8 De wetgever heeft bij de invoering van artikel 69a AWR kortom het oog gehad op kwaadwillende belastingschuldigen die opzettelijk hun activa uit het zicht van de Belastingdienst brengen om belastingbetaling te vermijden en zich ten koste van de gemeenschap te verrijken. De parlementaire toelichting geeft voorbeelden van carrouselfraude waarbij ploffers een stroman inzetten.
In een arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 13 februari 2019 wordt benadrukt dat de ontvanger binnen zijn domein – zoals reeds aangegeven – een uitgebreid instrumentarium ter beschikking heeft om een belastingschuldige die niet betaalt aan te pakken. Dit oordeel past goed bij de gedachte de schending van de betaalverplichting naar de invorderingssfeer over te hevelen. Overigens zinspeelt het hof daar niet specifiek op. De crux van deze zaak was dat er van kwaadwillendheid geen sprake was, maar vooral dat het strafrecht (in dit geval art. 69a AWR) ultimum remedium zou moeten blijven:
“Het hof ziet in het geval van verdachte geen aanwijzingen dat er sprake is van kwaadwillendheid noch dat hij zichzelf heeft verrijkt. Verdachte heeft de aan [bedrijf 1] onttrokken gelden gebruikt om een eerder ontstane belastingschuld te betalen. Verder heeft hij zijn werknemers en overige noodzakelijke bedrijfskosten betaald. De investering in [bedrijf 5] is gepleegd door [bedrijf 2], een juridisch andere entiteit. Ook kan het niet innen van de vordering op [bedrijf 3] verdachte niet worden tegengeworpen. Het is immers zinloos om een vordering te innen bij die vennootschap, terwijl het verdachte bekend is dat daar geen middelen zijn om de vordering te voldoen. [bedrijf 3] bleek echter wel verkoopbaar en verdachte is met de Belastingdienst overeengekomen dat de gehele verkoopopbrengst zal worden aangewend om de belastingschuld (gedeeltelijk) te voldoen. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de door haar geëiste strafoplegging past binnen de rechterlijke oriëntatiepunten, uitgaande van een benadelingsbedrag van ruim € 400.000,--.Het hof overweegt dat als het al tot een strafoplegging zou komen, -gelet op hetgeen in 7.2.4 is overwogen ten aanzien van de strafbare periode- uitgegaan dient te worden van een aanzienlijk lager benadelingsbedrag. Het hof is evenwel van oordeel dat de fiscale wetgeving voldoende instrumentarium aanreikt om belastingschuldigen zoals verdachte aan te pakken. Van de Belastingdienst mag daarbij een voortvarend en adequaat optreden verwacht worden. De inzet van het strafrecht is een ultimum remedium en is bedoeld voor andere gevallen waarin het bestaande instrumentarium aanwijsbaar te kort schiet. Het hof acht het raadzaam te bepalen dat in verband met bovengenoemde omstandigheden geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”9
Ofschoon de bepaling van art. 69a AWR specifiek gericht is op situaties die als carrouselfraude worden bestempeld, valt ook het met kwade wil niet betalen van aangiftebelastingen, niet onder de fraudedefinitie die de basis vormt van dit onderzoek. De fraudeur schendt op hetzelfde moment op een manier ook de aangifteplicht en via deze weg kan het laakbare gedrag evengoed worden bestraft.