Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.3.3
14.4.3.3 Het BBBB en de evenredigheidstoets van art. 4:84 Awb
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940618:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een voorbeeld buiten de boetesfeer (waarin die tweede toets volgens de rechter noopte tot een dergelijke afwijking) Hof ’s-Hertogenbosch 29 maart 2023, V-N 2023/45.21, r.o. 4.10 e.v..
Zie De Kleer 2005.
De Kleer wijst naar mijn mening terecht op het arrest HR 26 september 2003, BNB 2004/63, waaruit duidelijk de zelfstandige betekenis blijkt, zie De Kleer 2005. Vgl. voorts HR 13 augustus 2004, BNB 2005/42 en HR 18 februari 2005, BNB 2005/160.
Vooral de toegevoegde waarde van art. 4:84 Awb ten opzichte van art. 3:4 lid 2 Awb is onduidelijk. Vgl. het – buiten de boetesfeer gewezen – arrest HR 2 september 2022, V-N 2022/39.15, m.n. r.o. 4.4.1 en 4.5.
In zijn opvatting gaat het criterium van art. 4:84 Awb dan ook veel verder dan de belangenafweging van art. 3:4 Awb, zie het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën 22 juni 2015, Stcrt. 2015, 17775, V-N 2015/36.22. In dezelfde zin: par. 1.1.5. Leidraad Invordering 2008 (omtrent de betekenis van art. 4:84 Awb voor de invordering en de toepassing van de Leidraad daarbij).
De Redactie Vakstudie-Nieuws meent dat de beperkingen die hij formuleert niet heel veel voorstellen, aangezien het de rechter is die de reikwijdte van art. 4:84 Awb bepaalt en niet de staatssecretaris, zie de Aantekening bij Rb Gelderland 6 april 2016 (civiel), V-N 2016/66.23.
Vgl. het – buiten de boetesfeer gewezen – arrest HR 2 september 2022, V-N 2022/39.15, waarin de Hoge Raad eerst vaststelt dat de beleidsregel evenredig is als bedoeld in art. 3:4 lid 2 Awb. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de inspecteur om die reden art. 4:84 Awb moet toepassen en dus van de beleidsregel moet afwijken als de nadelige gevolgen onevenredig zijn (zie r.o. 4.4.1). Die redenering is lastig te volgen. Later toetst de Hoge Raad ook nog afzonderlijk aan art. 3:4 lid 2 Awb. Het gaat dan niet om de beleidsregel als zodanig maar om het individuele besluit van de inspecteur. Die individuele toets wordt inhoudelijk echter zonder verdere toelichting op één hoop gegooid met de toets aan art. 4:84 Awb (zie r.o. 4.5). Vgl. voorts (eveneens buiten de boetesfeer) Hof ’s-Hertogenbosch 29 maart 2023, V-N 2023/45.21, r.o. 4.10 e.v..
Zie paragraaf 14.4.3.1 (het BBBB bevat in materiële zin geen limitatieve opsomming). In dezelfde zin: en Krukkert 2018, p. 244.
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 6 april 2017, V-N 2017/38.20, r.o. 4.12. Vgl. voorts CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6, r.o. 7.1.
Naast de evenredigheidstoets zoals die is uitgewerkt in de paragrafen 6 tot en met 8 BBBB, geldt op het niveau van het BBBB zelf nog een afzonderlijke evenredigheidstoets. Art. 4:84 Awb schrijft namelijk voor dat het bestuursorgaan niet overeenkomstig de beleidsregel mag handelen, wanneer de gevolgen wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De inspecteur moet bij bijzondere omstandigheden dus van het BBBB afwijken.1 Dat kan betekenen dat een boete die geheel conform de uitgangspunten en voorschriften van het BBBB is opgelegd, alsnog of verdergaand moet worden gematigd. Art. 4:84 Awb noopt tot een afzonderlijke, tweede toets, die bij bijzondere omstandigheden een afwijking van de eerste toets rechtvaardigt.2
Over de vraag of art. 4:84 Awb in de praktijk van veel betekenis is, wordt in de literatuur verschillend gedacht.3 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad komt naar voren, dat art. 4:84 Awb voor de fiscale bestuurlijke boete wel zelfstandige betekenis heeft,4 hoewel de precieze reikwijdte daarvan onduidelijk blijft.5 De Staatssecretaris van Financiën acht de toepassing van art. 4:84 Awb slechts bij hoge uitzondering mogelijk, omdat een afwijking van de beleidsregel een schending van het gelijkheidsbeginsel zou meebrengen.6 Naar mijn mening is die onderbouwing minder sterk,7 omdat art. 4:84 Awb nu juist ziet op de afwijking van voor iedereen gelijke beleidsregels in een concreet geval.
Naar mijn opvatting is de praktische betekenis van de tweede toets van art. 4:84 Awb gering.8 De evenredigheidstoets die in het BBBB zelf besloten ligt, geeft immers voldoende ruimte om rekening te houden met alle denkbare feiten en omstandigheden, waaronder ook de bijzondere omstandigheden uit art. 4:84 Awb.9 Waar het uiteindelijk om gaat, is dat de individuele fijnafstemming voorrang heeft boven de standaardisering van het BBBB.10 Of dat nu op grond van paragraaf 6 tot en met paragraaf 8 BBBB gebeurt of op grond van art. 4:84 Awb, is minder van belang.