Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/XI.2.2:XI.2.2 Vaststelling én dikwijls ook besluit
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/XI.2.2
XI.2.2 Vaststelling én dikwijls ook besluit
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178731:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Ernste 2012, p. 21-23.
Of elke beroepsinstantie een orgaan van de vereniging is, is omstreden. Ik denk dat dat zo is – zie hierna § 3.
Parl. Gesch. Boek 7 BW, p. 1150 (TM): ‘Een nadere bespreking vereist de verhouding tussen de vernietigingsmogelijkheden bij (…) toepassing van artikel 7 [vgl. art. 7:904 lid 1 BW, KvV] en die op grond van de artikelen 2.1.8a en 2.1.9a [art. 2:15 lid 1 onder b BW, KvV], wegens strijd met de goede trouw.’
Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv 3, 5 en 6), p. 172 (MvA II Inv).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zowel Maeijer als Van der Grinten ziet echter over het hoofd dat besluit en vaststelling elkaar niet uitsluiten. De beslissing van de beroepsinstantie kan voor beide doorgaan. Preciezer geformuleerd: in de regel is de uitspraak in beroep een bindend advies,1 dat wil in de termen van art. 7:900 BW zeggen een vaststelling krachtens een door een partij of derde genomen beslissing.2 Gaat het om een orgaan van de vereniging, dan neemt die beslissing tevens de vorm aan van een besluit in de zin van Boek 2 BW.3 Meestal neemt de beroepsinstantie dus een besluit, die tegelijk een vaststelling is.
Deze zienswijze vindt steun in de wettekst en de parlementaire geschiedenis. Vooropstaat namelijk dat art. 2:35 lid 4 BW in de huidige redactie, zonder de zo- even bedoelde zinsnede, de status van de beroepsbeslissing in het midden laat. Art. 7:906 lid 1 BW regelt de overeenkomstige toepassing van de bepalingen inzake de vaststellingsovereenkomst op de vaststelling die haar rechtsgrond vindt elders dan in een overeenkomst. ‘Het meest voorkomende geval is,’ aldus de Toelichting- Meijers, ‘dat de statuten van een rechtspersoon voorzien in de beslissing van geschillen, al dan niet door een orgaan van de rechtspersoon. Op deze vaststellingen zijn de bepalingen van deze titel [titel 7.15 BW, KvV] in het algemeen toepasselijk verklaard.’4 De uitspraak van de beroepsinstantie is dus in de eerste plaats een vaststelling. Zij is, in termen van art. 7:900 lid 2 BW, een beslissing ter beëindiging van een geschil.5 Tegelijk kan zij besluit in de zin van Boek 2 BW zijn, nu de Toelichting beziet hoe de vernietigingsmogelijkheid van art. 7:904 lid 1 BW zich verhoudt tot die van art. 2:15 BW (dat slechts op besluiten toepasselijk is).6 Ten slotte biedt de latere parlementaire geschiedenis van art. 2:15 BW, bij de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 BW, een aanwijzing. De minister spreekt daar van ‘besluiten die een orgaan van de rechtspersoon neemt ter vaststelling van diens verhouding tot een bepaalde persoon’.7 Al met al is de beslissing in beroep hoe dan ook een vaststelling en vaak tevens een besluit.