Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.3.4.2
4.3.4.2 Beroep op de bestuursrechter
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940498:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schuurmans 2005, p. 61 en p. 294.
Koopman 1996, p. 37.
Schuurmans 2005, par. 3.2.3 en p. 77 e.v., Koopman 1996, p. 38. Ook de Awb-wetgever gaat hiervan uit, zie Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 37.
Schuurmans 2005, p. 144 en p. 219.
Schuurmans beschrijft deze categorie onder meer door de bewijslast van het tegendeel te leggen bij degene die geconfronteerd wordt met een tegen zich werkend vermoeden (Schuurmans 2005, par. 4.5.5). In paragraaf 7.3.5.4.2 zet ik uiteen dat ik hier anders over denk. Naar mijn mening is een vermoeden een zelfstandig bewijsmiddel en veroorzaakt een vermoeden nadrukkelijk geen andere verdeling van de bewijslast.
Simon 1999, p. 31, brengt hierop een nuance aan (het gaat te ver om als regel aan te nemen dat de bewijslast moet worden verlegd naar degene die het best in staat is om het bewijs te leveren).
Schuurmans 2005, p. 65-66.
Zie paragraaf 4.3.2.2.
Zie daarover de heldere noot van Schreuder-Vlasblom bij ABRvS 19 augustus 1999, AB 1999, 403.
Noot bij ABRvS 19 augustus 1999, AB 1999, 403, waar ook de volgende uitspraken worden genoemd: ABRvS 15 juli 1996, AB 1996, 414, ABRvS 15 mei 1997, JB 1997, 154, ABRvS 4 september 1997, AB 1997, 396, ABRvS 11 juni 1998, AB 1998, 297; ABRvS 15 april 1999, JB 1999, 150.
Zie paragraaf 4.3.4.1.
ABRvS 11 november 1996, AB Kort 1996, 898, CBB 26 maart 1996, JB 1996, 136, CRvB 6 mei 1996, AB 1996, 352.
In beroep gelden de spelregels van hoofdstuk 8 Awb. Deze geven de rechter de bevoegdheid om het bewijsrisico aan een bepaalde partij toe te delen, voor zover het betreft de verplichtingen die voor hen uit hoofdstuk 8 Awb voortvloeien.1 Er kunnen echter geen inhoudelijke regels uit worden afgeleid die in zijn algemeenheid de verdeling van de bewijslast bepalen. Voor de bewijslastverdeling ten aanzien van de in geschil zijnde feiten grijpt de rechter daarom in vergaande mate terug op de bewijslastverdeling zoals die in de voorfasen gold.2
Het bewijsrisico berust in de bestuursrechtelijke procedure steeds bij partijen.3 Van partijen wordt dus een actieve opstelling verwacht: zij zullen zelf de relevante feiten en omstandigheden moeten aandragen. Gebeurt dat niet of onvoldoende, dan legt de rechter het risico bij één van de partijen neer. Volgens de heersende leer verdeelt de rechter de bewijslast over de partijen op basis van de redelijkheid en billijkheid.4 Uit die redelijkheid en billijkheid komt als uitgangspunt ‘wie eist, bewijst’ naar voren. Schuurmans heeft in dit kader jurisprudentie-onderzoek verricht, op basis waarvan zij de volgende hoofdregel formuleert: ‘de partij die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept, draagt de bewijslast voor de rechtsfeiten die het rechtsgevolg doen intreden’.5 Naast deze hoofdregel worden in de bestuursrechtelijke literatuur verschillende vuistregels geïdentificeerd, zoals:6
Degene die de schijn tegen zich heeft, bijvoorbeeld vanwege een in zijn nadeel werkend vermoeden, moet (het tegendeel7) bewijzen;
De bewijslast van het afwijkende of van het veranderde berust bij degene die zich op de afwijking of op de verandering beroept;
De bewijslast rust op degene die daardoor het minst bezwaard wordt of het best geëquipeerd is om bewijs te leveren (degene in wiens ‘bewijsdomein’ het feit ligt);8
De veroorzaker van bewijsnood draagt het bewijsrisico.
Van belang is verder nog, dat degene die stelt, zijn stelling moet adstrueren. Met ‘adstrueren’ wordt in dit verband bedoeld dat partijen de plicht hebben om ten minste een begin van bewijs te leveren van de feiten waarop zij zich beroepen.9 Zonder een dergelijk begin van bewijs blijft het bij een loze bewering of koude stelling, en daar kan de rechter zonder motivering aan voorbij gaan.
Op de eerdere uiteenzetting over de bewijsfuik10 moet op deze plaats nog een nuance worden aangebracht. De bewijsfuik hield kort gezegd in dat de ABRvS geen rekening meer hield met in beroep alsnog ingebrachte informatie, hetgeen ertoe kon leiden dat een materieel onjuist besluit toch in stand werd gelaten. De ABRvS erkende echter wel degelijk dat een klacht over het niet gebruiken van alsnog (op zichzelf bezien te laat) aangeleverd materiaal kon slagen. Dat verliep dan niet langs de lijn van de onjuistheid van het genomen besluit, maar via de route van het zorgvuldigheidsbeginsel.11 Het alsnog voor de rechter aanvoeren van gegevens, had aldus ‘zin ter adstructie van de stelling dat het bestuur ze zelf boven water had moeten brengen en door dat niet te doen art. 3:2 Awb heeft geschonden’, aldus Schreuder-Vlasblom.12 Het zorgvuldigheidsbeginsel schept bij de beschikking op aanvraag de verplichting van het bestuursorgaan om de aanvrager van een beschikking te begeleiden bij het voldoen aan de op hem rustende bewijsverplichtingen.13 Was dat niet of onvoldoende gebeurd, dan was het besluit ook volgens de ABRvS onrechtmatig wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel ten tijde van het nemen van het besluit.14