Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.3.1.a
VI.3.1.a De competentiebepalingen
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS376164:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voor de vordering tot gedwongen overgang van stemrecht van een stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder is ook de rechter van de woonplaats van de vennootschap aangewezen, zie art. 2:342 lid 2 jo. 2:336 lid 3 BW.
Zie ook art. 2:177/66 BW, waarin voor de BV resp. de NV dwingendrechtelijk is voorgeschreven dat de statuten de zetel bevatten (lid 1), welke gelegen is in Nederland (lid 3). De 'woonplaats' is een `juridische constructie, duidt niet op een concrete woning, doch op een territoriale eenheid', aldus Asser/Van der Grinten/Maeijer 2-11 (1997), nr. 50.
Rb. Den Haag 31 oktober 2007, 2008/146 m.nt. Bulten (Wielens/Boot). In mijn noot ga ik in (sub 5) op de met de uitstotingsvordering verwante schadevergoedingsvordering. De rechtbank verwijst op goede gronden beide vorderingen naar de rechtbank Groningen, omdat zij 'in elkaar samengrijpen'. De samengevoegde behandeling dient de goede procesorde omdat de vorderingen zijn gebaseerd op hetzelfde feitencomplex (ro. 2.3). De juridische grondslag voor de verwijzing is echter niet geheel duidelijk. De regel van verknochtheid van een tweede zaak met een eerste, reeds aanhangige zaak van art 220 Rv werd mogelijk (ruim) toegepast.
Zie Snijders, Klaassen en Meijer (2007), nr. 86.
Zie bijv. Rb. Rotterdam 10 mei 2001, JOR 2001/144 (Van der Weijde/ESI).
Zie bijv. Rb. Rotterdam 20 mei 2009, n.g. (Comos), ro. 7.12. In conventie ging het dispuut tussen de aandeelhouders over de vraag of één van hen wel aandeelhouder was. De gedaagde aandeelhouder woonde in Vlaardingen, dus de rechtbank te Rotterdam had relatieve competentie. De vennootschap waarin de aandelen werden gehouden (Comos NV) zetelde te Poeldijk, zodat eigenlijk de rechtbank te Den Haag aangezocht had moeten worden. De proceseconomische regels van art. 136 jo. 138 Rv voorkwamen een verwijzing naar laatstgenoemde rechtbank. De rechtbank te Rotterdam kon de zaak zelf afdoen.
Rb. Amsterdam 9 juli 2008, JOR 2008/296 (Darenales/Millennium).
De concentratie van de hoger beroepsmogelijkheid bij de OK als enige instantie, ontlokte de leden van de CDA-fractie de vraag of er inzicht was in de taakverzwaring die dit voor de OK meebracht, zie Kamerstukken 18 905, nr. 5 (VV), p. 3. De minister vond dit 'moeilijk te voorspellen'. Het leek hem dat het enkele bestaan van de geschillenregeling het komen tot een vergelijk zou bevorderen. Daarnaast was het denkbaar dat er minder enquêteverzoeken zouden worden ingediend, wat per saldo weer tot een taakverlichting van de OK zou leiden. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 6 (MvA), p. 4.
Tilleman en Van Solinge (2000), p. 75.
Het verschil met een Nederlandse zetel is de bepaling waar die zetel zich bevindt. Ingevolge art. 56 W. Venn. geldt in België de leer van de werkelijke zetel.
H. Braeckmans (1996), nr. 35.
Zie Geens e.a. (2001), p. 345. Een uitspraak uit 2008 doet vermoeden dat de Belgische doorlooptijd niet altijd even kort is. De rechter willigde in een kort gedingprocedure het verzoek tot opschorting van de algemene vergaderingen van aandeelhouders in. Hij achtte dit verantwoord gezien de snelheid van de inmiddels aanhangig gemaakte procedure tot uitsluiting. Met de opschorting werd de benoeming van andere bestuurders die allerhande maatregelen konden nemen die van belang waren voor de toekomst van de vennootschap, voorkomen. Zie Kg Kh. Bergen 10 november 2008, JDSC 2009, 330.
De geschillenregelingprocedure is een dagvaardingsprocedure in twee feitelijke instanties. In eerste aanleg geldt niet de in art. 99 Rv opgenomen regel actor sequitur forum rei. Het is dus niet de rechter van de woonplaats van de gedaagde waarvoor de aandeelhouder gedagvaard moet worden. Art. 2:336 lid 3 BW bevat een speciale relatieve competentieregel: de rechter van de woonplaats van de vennootschap is in eerste aanleg bevoegd van de uitstotingsvordering kennis te nemen. Deze bepaling geldt op grond van de van toepassingsverklaring van art. 2:343 lid 1 BW ook bij de uittreding.1 De woonplaats van de vennootschap is daar waar zij haar statutaire zetel heeft, zie art. 1:10 lid 2 BW.2
Indien de uit te stoten aandeelhouder wordt gedagvaard voor de rechter van zijn eigen woonplaats (zie art. 1:10 lid 1 BW), dan moet deze rechter zich onbevoegd verklaren en de zaak verwijzen. In één uitstotingszaak werd de relatieve competentieregel van art. 2:336 lid 1 BW door de eisende aandeelhouder over het hoofd gezien. In het incident werd vervolgens de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag betwist, omdat de BV gevestigd was te Groningen. De rechtbank verklaarde zich inderdaad onbevoegd en verwees de zaak naar de Groningse rechtbank.3
De regels over de relatieve competentie zijn van regelend recht (zie art. 108 en 110 Rv), maar de geschillenregeling is dit met de speciale bevoegdheidsregel van art. 2:336 lid 3 BW in verband met art. 2:25 BW niet.4 De geadieerde rechter zal dus ambtshalve moeten toetsen of hij bevoegd is van de geschillenregelingvordering kennis te nemen. Het aanknopen bij de rechter van de woonplaats van de vennootschap kan tot problemen leiden indien de gedagvaarde aandeelhouder zijn woonplaats of zetel niet in Nederland heeft. De problemen die dan rijzen, besprak ik in § IV.3.5
De uittredingsvordering wordt niet voor de rechtbank van de woonplaats van de vennootschap aangebracht, indien zij onderdeel is van een eis in reconventie in een tussen de aandeelhouders gevoerde (andere) procedure. In zo'n situatie kan de reeds geadieerde rechter zich op grond van art. 136 jo. 138 Rv bevoegd achten.6
De rechtsmachtregels gelden niet alleen voor de uitstoting en de uittreding, maar ook voor de gedwongen overdracht van stemrecht ex art. 2:342 BW van de stemgerechtigde vruchtgebruiker of pandhouder. De rechtbank Amsterdam achtte zich in 2008 bevoegd in een procedure tot gedwongen van stemrecht van een in Luxemburg gevestigde pandhouder.7
Ook voor de tweede feitelijke instantie geldt een afwijkende competentieregel. Niet het hof waaronder de rechtbank ressorteert, is bevoegd, maar in hoger beroep is de OK (van het hof te Amsterdam) de enig bevoegde rechter voor alle geschillenregelingprocedures, zie art. 2:336 lid 3 (jo. 2:343 lid 1) BW.8
Voor de Belgische geschillenregeling geldt dat met de bevoegde rechter een `bijzonder gelukkige keuze' is gemaakt.9 Op grond van art. 355W.Venn (en art. 637 W.Venn) is de voorzitter van de rechtbank van koophandel bevoegd. De belangrijkste toevoeging is dat hij zitting houdt 'zoals in kort geding'. Dit betekent dat de procedurele regels van het kort geding gevolgd worden, wat resulteert in een snelle manier van afhandeling van het conflict. De procedure blijft wel een procedure ten gronde. De relatieve rechtsmacht is, net als in Nederland, gebaseerd op de woonplaats van de zetel van de vennootschap.10 De Belgische wetgever heeft dus willen voorzien in een snelle procedure.11 Hij is daarin geslaagd. De aandeelhouders en de vennootschap weten binnen afzienbare tijd waar ze aan toe zijn. De gemiddelde doorlooptijd van een procedure beslaat circa één tot drie jaar.12