Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.4.5.1
II.4.5.1 De rechtspersoon als dader van milieudelicten
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460361:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over vormverzuimen tijdens het onderzoek: Rb. Rotterdam 31 augustus 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:7233, JBO 2017/240, m.nt. Van der Meijden, en over de definitie van afvalstoffen bijvoorbeeld: HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:688, conclusie A-G ECLI:NL:HR:2016:275, RvdW 2016/574 en HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:433, M&R 2020/61, m.nt. Velthuis.
In deze zin ook De Hullu 2018, p. 179; Hornman 2010, p. 398-400.
Enkele voorbeelden uit de jurisprudentie waarin de rechter deze bijzondere zorgplicht expliciteert: Rb. Oost-Brabant 22 december 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6679, M&R 2018/30, m.nt. Velthuis & Collignon (Ecoson) over het ontsnappen van biogas bij een bio-vergister; Rb. Zeeland-West-Brabant 6 oktober 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:6285 over een chemisch productie- en formuleringsbedrijf; Rb. Zeeland-West-Brabant 21 maart 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:1911, M&R 2014/86 (Dow Benelux BV).
Zie par. II.2.3 en II.2.7.
Zie par. II.2.3 en II.2.6. In de jurisprudentie wordt normadressaatschap door de rechtspersoon meermaals aangehaald als verweer, zie o.a. HR 21 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0295, NJ 1996/452, m.nt. Knigge (Laadbakken); zaken waarin het drijverschap (een type normadressaatschap) van de rechtspersoon wordt betwist: HR 22 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8923 (concl. A-G Jörg); Conclusie AG, ECLI:NL:PHR:2005:AR8923; HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9919, M&R 2005/16, m.nt. Tubbing (Schiphol); HR 22 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8801, JM 2004/120, m.nt. Koopmans (Tankinstallatie); HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3526, NJ 2010/476, m.nt. Keijzer. Wat betreft het drijverschap: uit de rechtspraak volgt dat de rechtspersoon niet makkelijk ontsnapt aan adressaatschap van normen die de activiteiten binnen de inrichting reguleren. Zie hieromtrent verder in hoofdstuk 3.
Zie par. II.4.3 en II.4.4.
Een ingangsvoorwaarde voor de aansprakelijkheidsfiguur ‘feitelijk leidinggeven’, is dat de rechtspersoon een strafbaar feit begaat, en daarom stond ik in deze paragraaf stil bij het daderschap van de rechtspersoon. Voor het daderschap van de rechtspersoon is een belangrijke vraag of de rechtspersoon de delictsgedraging heeft verricht. Voor het antwoord op die vraag is in de jurisprudentie van de Hoge Raad de Drijfmest-formule ontwikkeld.
De Drijfmest-formule betreft een open, casuïstische benadering voor de toerekening van een verboden gedraging aan een rechtspersoon, met veel ruimte voor de omstandigheden van het geval en de aard van het delict. De Hoge Raad geeft een (niet-limitatief ) overzicht van omstandigheden die erop wijzen dat een gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon, maar uiteindelijk draait het om de vraag of, alle omstandigheden overziend, de toerekening aan de rechtspersoon redelijk is. De concretiserende omstandigheden uit het Drijfmest-arrest zijn dus ‘slechts’ een inspiratiebron voor de argumentenafweging die voor de redelijkheidstoets nodig is.
Overigens komt bij de aansprakelijkheid van de rechtspersoon de toerekeningsformule van het Drijfmest-arrest niet altijd in zicht. In het gros van de bestudeerde strafzaken is het onmiskenbaar redelijk dat de verboden gedraging wordt toegerekend aan de rechtspersoon. In dergelijke gevallen richt de juridische discussie, als die er al is, zich op andere aspecten van de strafrechtelijke aansprakelijkheid; bijvoorbeeld op vormverzuimen tijdens het onderzoek of over de definitie van afvalstoffen.1 De Drijfmest-formule is bedoeld om houvast te bieden wanneer ter discussie staat of de rechtspersoon ‘het gedaan heeft’.2
Op basis van de bestudeerde milieustrafrechtjurisprudentie kan worden geconcludeerd dat een milieudelict gepleegd binnen een rechtspersoon betrekkelijk snel aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Bedrijven met milieugevoelige bedrijfsvoering hebben een hoge zorgplicht wat betreft toezicht op en instrueren van personeel. Dit geldt in het bijzonder voor BRZO-bedrijven, die zelfs een ‘bijzondere zorgplicht’ hebben.3 Ook ongelukjes op de werkvloer of fouten van personeel vallen in beginsel ‘in de sfeer van de rechtspersoon’. Een geslaagd beroep op de daderschapsuitsluitingsgrond ‘het betrachten van alle in redelijkheid te vergen maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging’ is dan niet eenvoudig. De ruime mogelijkheid om een milieudelict toe te rekenen aan de rechtspersoon is relevant in het kader van de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, omdat ingevolge het accessoriteitsvereiste – dat hierna nog aan bod komt – voor de deelnemingsfiguur ‘feitelijk leidinggeven’ ook moet worden vastgesteld dat de rechtspersoon het milieudelict heeft begaan.
Ten slotte breng ik in herinnering dat de mogelijkheid om een verboden gedraging in redelijkheid toe te rekenen aan een rechtspersoon, op zichzelf nog niet voldoende is voor het daderschap van de rechtspersoon. De Drijfmest-formule is relevant voor de vraag of een rechtspersoon de objectieve bestanddelen van een milieudelict vervult. Voor het plegerschap moet de rechtspersoon zelf álle delictsbestanddelen vervullen, dus ook eventuele subjectieve4 en kwalitatieve5 bestanddelen. Om de rechtspersoon aan te spreken als deelnemer, gelden er nog aanvullende voor de deelnemingsvorm specifieke voorwaarden naast of in plaats van de Drijfmest-formule.6