De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.5.2.1:10.5.2.1 Totstandkomingsgeschiedenis wetswijziging 1971
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.5.2.1
10.5.2.1 Totstandkomingsgeschiedenis wetswijziging 1971
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381858:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1968-1969, 9596, nr. 5 (Vv), p. 15-17.
Kamerstukken II 1968-1969, 9596, nr. 6 (MvA), p. 13.
Kamerstukken II 1969-1970, 9596, nr. 11 (Amendement Goudsmit), p. 1.
Handelingen II 1969-1970, p. 2908-2909 en 2958.
Dit is een citaat uit de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer, opgenomen in het eindverslag. Zie Kamerstukken II 1967-1968, 9596, nr. 118b (Eindverslag), p. 2.
Lees meer over dit amendement in hoofdstuk 9, i.h.b. § 9.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tijdens de parlementaire behandeling van art. 53 WvK spitst de discussie zich toe op de vraag of het criterium ‘om redenen van openbaar belang’ de enquêtebevoegd van de A-G niet teveel beperkt. Veel leden van de Tweede Kamer wijzen erop dat het criterium geen onderdeel uitmaakt van het voorstel van de Commissie Verdam en de SER. De leden vrezen dat de A-G niet kan optreden in gevallen waarin wél sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid, maar niet tevens het openbaar belang is het geding is, bijvoorbeeld bij kleine ondernemingen. Belanghebbenden zonder een eigen enquêtebevoegdheid komen in dergelijke gevallen buiten spel te staan. Dit staat volgens de leden haaks op de bedoeling van de Commissie Verdam en de SER, die juist benadrukken dat personen of groeperingen die een enquêteverzoek niet via de vakcentrales kunnen indienen, de mogelijkheid moeten hebben zulks via de A-G te doen.1
De minister bestrijdt deze kritiek in de Memorie van Antwoord. Hij onderkent dat de term openbaar belang ‘een zeker beperking’ van de enquêtebevoegdheid van de A-G inhoudt. Indien het openbaar belang niet in het geding is bij de situatie in de betrokken rechtspersoon, is er volgens hem geen reden om van overheidswege een enquêteverzoek in te dienen. Anderzijds meent de minister dat “het openbaar belang onder de huidige maatschappelijke verhoudingen bij een goede gang van zaken in het bedrijfsleven nauw is betrokken, zodat men voor een al te enge interpretatie van de term „op gronden ontleend aan het openbaar belang ” niet behoeft te vrezen.”2
Kamerlid Goudsmit stelt desondanks een amendement op waarin de woorden ‘om redenen van openbaar belang’ worden vervangen door ‘die tot het instellen van een degelijke vordering ambtshalve of op verzoek van belanghebbende kan overgaan’ zodat de A-G wat meer speelruimte krijgt.3 De minister laat zich bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel uit over dit amendement. Volgens hem is het een misverstand om te denken dat het begrip ‘om redenen van openbaar belang’ een ernstige beperking van de activiteiten van de A-G meebrengt:
“In de memorie van toelichting op het ontwerp op het enquêterecht heb ik verwezen naar de jurisprudentie overartikel 1van de Faillissementswet, waar dezelfde term wordt gebruikt. Daaruit blijkt, dat van een enge uitleg, zeker in het enigszins recente verleden, geen sprake is. De Hoge Raad heeft op 20 september 1957 een arrest gewezen (…) waarin dit college als omstandigheden, die het openbaar belang motiveren, onder meer in aanmerking neemt het grote aantal gedupeerden, de deplorabele financiële situatie van de vennootschap en de bedenkelijke gang van zaken in het algemeen. Men zou, wanneer men dit arrest bestudeert, bijna menen dat het juist is toegesneden op de enquêtesituatie. Ik meen dan ook, dat er geen enkele reden is, voor een te beperkte toepassing te vrezen of om, zoals de geachte afgevaardigde mejuffrouw Goudsmit heeft bepleit, de term te laten vervallen.”4
Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer komt de vraag of aan het begrip een ruime uitleg moet worden gegeven wederom op. De minister antwoordt uitvoerig:
“Dat de procureur-generaal een vordering tot het instellen van een enquête slechts om redenen van openbaar belang kan doen, is een rechtstreeks gevolg van zijn functie die bestaat in het dienen van dit belang. Het openbaar belang moet echter niet worden vereenzelvigd met een publiekrechtelijk of staatsbelang. Het begrip, zoals het ook bij de toepassing van de Faillissementswet wordt uitgelegd, is ruimer. Dat het ‘openbaar belang’ een zekere tegenstelling tot het ‘particuliere belang’ inhoudt, neemt niet weg dat in vele gevallen zowel het openbaar belang als particuliere belangen tegelijkertijd in het geding zijn. Is er sprake van een veelheid van particuliere belangen bij een bepaalde aangelegenheid, dan zal men spoedig mogen aannemen dat daarbij dan ook het openbare belang is betrokken. Dit is zeker het geval bij ondernemingen van enige omvang die b.v. voor de werkgelegenheid van een streek van wezenlijke betekenis zijn. (…).”5
De minister betoogt bovendien dat het praktisch belang van de beperkende werking van het begrip aanzienlijk is verminderd, doordat de Tweede Kamer het amendement waarin categorale werknemersorganisaties – en niet alleen de centrale werknemersorganisaties – de enquêtebevoegdheid toegekend krijgen, heeft aanvaard.6