Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.2.6
III.2.6 Normen voor de oplegging van bestuurlijke sancties
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460186:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Lindenbergh, Schreuder & Verbaan 2015, p. 37, onder verwijzing naar p. 472. Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, 2014. Zie ook Vermeer e.a. 2016, par. 3.4.
Zie voor meer algemene informatie over normen voor de oplegging van sancties onder meer Vermeer, Visser & Sibma 2016, m.n. hoofdstuk 3 en 5; Michiels, Blomberg & Jurgens 2016, par. 11.3.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2014, p. 457-461 noemen onder meer (i) het openstaan van beroep bij een onafhankelijke rechter die de hoogte van de sanctie vol moet kunnen toetsen, (ii) openbaarheid rechterlijke uitspraak, (iii) vereiste van twee instanties, (iv) de mogelijkheid tot betrokkenheid van een advocaat, (v) redelijke termijn voor de procedure, (vi) de plicht tot het geven van cautie (wijzen op het recht op zwijgrecht) (vii) het legaliteitsbeginsel (nulla poena) en het verbod op ne bis in idem (viii) de onschuldpresumptie en het verwijtbaarheidsvereiste. WODC-rapport p. 35.
Zie verder o.a. Michiels 2016, par. 4.2; Michiels & Widdershoven 2013; Albers 2014.
Net als bij handhavingstoezicht, zijn de algemene bepalingen van hoofdstuk 2 Awb en de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur relevant voor bestuurlijke sancties. Het evenredigheidsbeginsel speelt zowel bij herstelsancties als bij de bestuurlijke boete een belangrijke rol. De hoogte van de boete, dwangsom of bestuursdwangkosten mogen niet onevenredig hoog zijn.1 Het besluitkarakter van de bestuursdwangbeschikking, dwangsombeschikking en boetebeschikking brengt mee dat de regels uit hoofdstuk 3 Awb over besluiten en hoofdstuk 4 Awb over beschikkingen op deze beslissing van toepassing kunnen zijn. Het zorgvuldigheidsbeginsel (uitgewerkt in art. 3:2 Awb) brengt met zich dat het bevoegd gezag voorafgaand aan de beslissing tot handhaving onderzoek doet naar de belangen die worden gediend met de handhaving en de belangen die zich tegen handhaving verzetten. Voordat een last onder dwangsom wordt opgelegd zal de (potentiële) overtreder in beginsel moeten worden gehoord (art. 4:8 Awb) en gewaarschuwd (zorgvuldigheidsbeginsel, art. 3:4 Awb).2 De sanctiebeschikking moet vermelden welk bestuursrechtelijk voorschrift is overtreden (art. 5:9 Awb), en het bevoegd gezag zal de relevante feiten en omstandigheden deugdelijk moeten bewijzen. Bij een herstelsanctie vergt het rechtszekerheidsbeginsel dat het de geadresseerde duidelijk moet zijn welke maatregelen worden verlangd om de toepassing van het dwangmiddel te voorkomen. De gekozen termijn voor het nakomen van de last moet redelijk zijn; dat wil zeggen in ieder geval een periode die technisch gezien nodig is om de last uit te voeren. De toepassing van bestuursdwang gaat gepaard met handelingen van feitelijke aard, daarom zijn de bepalingen van afdeling 3.2 tot en met 3.4 Awb ook relevant (art. 3:1 lid 2 Awb).3
Bij het opleggen van bestraffende sancties, zoals de bestuurlijke boete, is in beginsel sprake van een criminal charge, waardoor de normen uit het EVRM en het IVBPR van toepassing zijn (art. 5:2 lid 1 sub c, art. 5:40 lid 1 Awb).4 Daardoor wordt gewaarborgd dat de zaak eerlijk en openbaar wordt behandeld, geldt de onschuldspresumptie, en heeft de geadresseerde recht op verdediging en zwijgrecht (art. 6 EVRM).5 De normen uit titel 5.4 Awb zien speciaal op bestuurlijke boetes (art. 5:40 lid 2 Awb).