Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/5.4.2.1
5.4.2.1 Bemiddeling ter terechtzitting
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS463138:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk: OK 16 juli 1987,NJ 1988, 579 (Schoonmaakbedrijf Briljant, m.nt. Maeijer); OK 15 december 1988, rekestnrs. 31/88 en 32/88 OK (Assbel). Blijkens OK 23 juni 1994,NJ 1995, 456 (ITP Holland Beleggingsmaatschappij) heeft de vennootschap zelf in haar verweerschrift bij wijze van tegenverzoek verzocht om haar ontbinding. De OK overweegt dat hiervoor echter geen plaats is omdat een aandelenoverdracht op handen lijkt. Bovendien, zo voegt zij toe, is het gebleken wanbeleid niet zodanig ernstig dat deze rigoureuze maatregel geboden is (r.o. 5.5 en 5.6). In de procedure inzakeVleesbedrijf J.W. van Asselt (OK 1 december 1994,NJ 1995, 502) is eveneens verzocht om ontbinding van de vennootschap. De OK overweegt ook thans dat ontbinding geen passende voorziening is, maar dat de oplossing veeleer dient te worden gezocht in de overdracht van (alle) aandelen aan [A] (de enige bestuurder), te meer omdat het doen van eventuele toekomstige investeringen naar verwachting zal worden belemmerd door de bestaande geschillen tussen de aandeelhouders. De door de OK benoemde commissaris kan in deze bemiddelen (r.o. 4.14-4.16).
In een aantal procedures is aan de onderzoeker overigens reeds de opdracht gegeven een minnelijke regeling tussen de aandeelhouders te beproeven. Zie onder andere: OK 24 juni 1999, rekestnr. 324/99 OK (Cocon); OK 23 januari 2001,JOR 2001, 56 (Tactron Holding); OK 22 maart 2001,JOR 2001, 130 (Duo Staal); OK 26 juli 2006,ARO 2006, 142 (K&H Holding).
OK 30 juni 1988, rekestnrs. 30/86 en 31/86 OK (Vervoercentrum Leiden-Transport C. Hogenes).
Zie voor een vergelijkbaar geval OK 18 juli 2002,ARO 2002, 137 (Willem III Meubilering Beheer). De OK oordeelt dat in een aantal opzichten sprake is van wanbeleid. Zij behoeft wat betreft de geschilpunten omtrent het salaris en pensioen van enig bestuurder [P] echter nog nadere inlichtingen en gelast ambtshalve een comparitie van partijen. De OK overweegt bovendien dat er naar haar oordeel nog mogelijkheden bestaan om tot een minnelijke regeling te komen, in die zin dat afspraken worden gemaakt over de prijs waartegen en de modaliteiten →waaronder [P] de certificaten in de vennootschap verwerft van de andere certificaathouders (alle aandelen zijn gecertificeerd). ‘Voor het geval een dergelijke minnelijke regeling niet te bereiken valt, zal naar het voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer niet te ontkomen zijn aan ontvlechting van de tegengestelde belangen door liquidatie van de vennootschap.’ (r.o. 3.8). De OK doet ter terechtzitting van 11 september 2002 zelfs een schikkingsvoorstel (vergelijk OK 11 september 2002, ARO 2002, 159).
OK 29 november 2007,ARO 2008, 29 resp. OK 4 augustus 2008,ARO 2008, 144 (K&H Holding). Zie voor drie andere zaken waarin ter terechtzitting tot een schikking wordt gekomen: OK 3 oktober 2002,ARO 2002, 184, r.o. 1.4 (MUS Investeringsmaatschappij); OK 13 november 2008,ARO2009, 21 (Gebr. De Leeuw); OK 20 september 2001,JOR 2001, 226 (Bot Bouw Groep, m.nt. Josephus Jitta), te lezen in samenhang met OK 30 juli 2001,JOR 2001, 205 (Bot Bouw Groep). De overeenkomst die in de laatste procedure wordt gesloten, voorziet niet in het terugtreden van een van de aandeelhouders, maar in een herstructurering van de Bot Bouw-groep. Uit OK 23 januari 2002,ARO 2002, 20 (Paalman Beheer) blijkt dat partijen tot een minnelijke regeling zijn gekomen nádat een van hen om voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW heeft verzocht, maar vóórdat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
154. In verschillende procedures waarin ontbinding naar het oordeel van de Ondernemingskamer geen optie is1 en/of partijen (nog) geen overeenstemming hebben bereikt over de wijze waarop zij hun samenwerking beëindigen, neemt de Ondernemingskamer ter terechtzitting een bemiddelende rol op zich.2 Een fraai voorbeeld hiervan vormt de procedure inzake Vervoercentrum Leiden-Transport C. Hogenes.3 Uitgangspunt hierin is dat de zorgelijke financiële positie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (met circa 50 werknemers) het terugtreden van (een van) beide aandeelhouders vergt. Teneinde partijen de gelegenheid te geven te onderhandelen, schorst de Ondernemingskamer de mondelinge behandeling en stelt zij partijen alvast in kennis van haar voorlopig oordeel en de maatregelen die zullen worden genomen indien zij niet tot een vergelijk komen (rechtsoverweging 1.4). De Ondernemingskamer stelt partijen in de gelegenheid om vóór 1 mei 1988 schriftelijk aan haar te berichten dat zij geen behoefte hebben aan een beslissing als door haar in de vorm van een voorlopig oordeel is uitgesproken, omdat zij alsnog tot een compromis zijn gekomen en de verzoeken derhalve kunnen worden ingetrokken. Partijen hebben van deze gelegenheid echter geen gebruik gemaakt.4 In enkele andere procedures wordt ter te-rechtzitting wel tot overeenstemming gekomen. Zo blijkt uit de beschikking van 29 november 2007 inzake K&H Holding dat, nadat eerdere pogingen daartoe van de onderzoeker zijn mislukt, beide groepen 50%-aandeelhouders – de [L]-tak en de [D]-tak – zich ter terechtzitting alsnog bereid hebben verklaard het geschil in der minne te beslechten. Zij sluiten een overeenkomst die er, samengevat, in voorziet dat de Ondernemingskamer een deskundige benoemt die de waarde van de aandelen bindend vaststelt, waarna de [L]-tak haar pakket aandelen zal overdragen aan de [D]-tak, die gehouden is deze aandelen over te nemen (tegen gelijktijdige contante betaling aan de [L]-tak van de door de deskundige vastgestelde, naar evenredigheid bepaalde prijs van die door de [L]-tak gehouden aandelen).5