Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/5.5.1
5.5.1 Toerekening bij onrechtmatige besluiten
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS509871:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 september 1986, NJ 1987/253 m.nt. M. Scheltema, AB 1987/70 m.nt. F.H. van der Burg (Staat/Hoffmann-La Roche). Terecht stelt Van Roosmalen 2007, p. 333, dat het gaat om schuldaansprakelijkheid, maar wel van een bijzonder soort: schuld die in beginsel is gegeven (pseudo-risicoaansprakelijkheid). Zie ook HR 30 januari 1987, NJ 1988/90 m.nt. M. Scheltema, AB 1988/43 m.nt. P.J.J. van Buuren, r.o. 3.1 (Nibourg/ Zuidwolde), ABRvS 19 maart 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF6022, r.o. 2.3.2 (Koolfilter en afvoerpijp), CBb 17 april 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF8080, AB 2003/277 m.nt. J.H. van der Veen, r.o. 5.6 (West-Nijlvirus), CRvB 13 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5121, r.o. 8.1 (Inboedel). Zie eerder HR 15 juni 1979, NJ 1980/261 m.nt. M. Scheltema, AB 1979/528 m.nt. J.R. Stellinga (Grubbenvorst/Caldenbroich), HR 30 januari 1981, NJ 1982/55 (Zevenaar/De Wingerd) en HR 24 februari 1984, NJ 1984/669 m.nt. J.A. Borman, AB 1984/399 m.nt. E.M. van Eijden (Sint-Oedenrode/Driessen), waarover Kortmann 1985, p. 24-27, Van Roosmalen 2007, p. 333 en Roozendaal 1998, p. 258. Zie voor kritiek en alternatieven Schlössels 2004 en Di Bella 2014, hoofdstuk 6. Vgl. Vranken 1989, p. 186.
Zoals A-G Keus terecht opmerkt en toelicht in zijn zeer lezenswaardige conclusie, onder 2.20 en 2.36, voor HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, NJ 2016/166 m.nt. S.D. Lindenbergh, AB 2016/30 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2015/181 m.nt. D.G.J. Sanderink (Vakantiedagen of Staat/Habing).
HR 31 mei 1991, NJ 1993/112 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1992/290 m.nt. F.H. van der Burg, r.o. 3.3 (Van Gog/Nederweert).
HR 12 juni 1992, NJ 1993/113 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3.2 (Bedrijfsvereniging/Boulogne).
HR 1 juli 1993, NJ 1995/150 m.nt. C.J.H. Brunner, AB 1994/85 m.nt. F.H. van der Burg, r.o. 3.2 (Staat/NCB).
HR 20 februari 1998, NJ 1998/526 m.nt. A.R. Bloembergen, AB 1998/231 m.nt. Th.G. Drupsteen, r.o. 5.2 (Boeder/Staat). Zie ook HR 17 december 1999, NJ 2000/88 m.nt. A.R. Bloembergen, r.o. 3.4 (Castricum/Fatels), waarover Van Ravels 2007, waarin staat dat ‘steeds’ moet worden toegerekend.
Deze pijler wordt in verband gebracht met de gedachte van risicospreiding. Zie Van Ettekoven & Schueler 2003, p. 158-159, en Kortmann 2006, p. 39.
Het begin van de jurisprudentiële lijn met betrekking tot de toerekening van onrechtmatige besluitvorming is gelegen in het arrest Staat/Hoffman-La Roche uit 1986.1 Dit arrest is onderdeel van een drieluik met twee andere arresten uit hetzelfde jaar, namelijk Staat/Van Gelder (paragraaf 5.5.2) en Heesch/Van de Akker (paragraaf 3.4.2).2 In het arrest Staat/Hoffman-La Roche stond in cassatie centraal of de Staat een beroep kon doen op het ontbreken van schuld wegens rechtsdwaling. De Staat betoogde dat zijn bestuursorganen bij het nemen van een aantal besluiten in redelijkheid geen rekening hadden behoeven te houden met een – voor hen onvoorzienbare – rechtsopvatting die naderhand door het CBb was aanvaard. Dit betoog wordt verworpen door de Hoge Raad, die de stelregel formuleert dat de schuld van het overheidslichaam dat een onrechtmatige daad pleegt door een beschikking te nemen en te handhaven die naderhand door de rechter wordt vernietigd wegens strijd met de wet in beginsel is gegeven. Het arrest illustreert meteen dat uitzonderingen op deze beginselregel zeldzaam zijn. De enkele omstandigheid dat de bestuursrechter is uitgegaan van een onvoorzienbare rechtsopvatting staat er volgens de Hoge Raad niet aan in de weg dat de gevolgen van zijn uitspraak voor rekening van het overheidslichaam komen, en doet derhalve niet af aan de in beginsel gegeven schuld van dat lichaam.
De volgende stap werd in 1991 gezet in het standaardarrest Van Gog/Nederweert.3 Hieruit blijkt dat schuld niet altijd nodig is voor toerekening, omdat, zelfs wanneer het overheidslichaam geen enkel verwijt treft, moet worden aangenomen dat de onrechtmatige daad in beginsel voor rekening van het overheidslichaam komt. De Hoge Raad laat ook in het arrest Van Gog/Nederweert ruimte voor het aannemen van een uitzondering op de beginseltoerekening, maar die ruimte is beperkt: ‘Niet uitgesloten is dat hierop onder bijzondere omstandigheden een uitzondering moet worden gemaakt, ook dan wanneer het niet gaat om een vernietiging wegens strijd met de wet.’ Deze bewoordingen zijn opvallend terughoudend, en indiceren dat een uitzondering niet spoedig wordt aangenomen. Het arrest Bedrijfsvereniging/Boulogne uit 1992 bevat een aanwijzing omtrent de ratio van de bedoelde toerekeningsregel.4 In dit arrest voert het redelijkheidsargument de boventoon ter rechtvaardiging van de spoedige toerekening. Het is volgens de Hoge Raad redelijker om schade die het gevolg is van een onjuiste beslissing voor rekening van de collectiviteit te brengen, dan om haar voor rekening van de individuele burger te laten. Dit argument wordt een jaar later ook in het arrest Staat/NCB ten tonele gevoerd door de Hoge Raad. 5In dit arrest stelde de Staat zich op het standpunt dat aan de belastinginspecteur een vrijheid van interpretatie moet worden toegekend, aangezien veelal onzekerheid bestaat over de betekenis van de vele, vaak ingewikkelde, heffingswetten. De Hoge Raad is hiervan niet onder de indruk:
‘De (…) genoemde moeilijkheid bij interpretatie van belastingwetten bestaat ook voor andere overheidslichamen bij de uitvoering van wettelijke of daarmee gelijk te stellen voorschriften. Reeds daarom is er geen aanleiding voor de in het onderdeel verdedigde uitzondering. Bovendien is er geen goede grond om de nadelige gevolgen die voortvloeien uit onjuist gebleken interpretatie, die de inspecteur aan een belastingwet heeft gegeven, voor rekening te laten van een individuele belastingplichtige in plaats van haar te brengen voor rekening van de collectiviteit.’
In het arrest Boeder/Staat uit 1998 bouwt de Hoge Raad voort op het voornoemde redelijkheidsargument. In dit arrest ging het niet om een besluit dat door de bestuursrechter was vernietigd maar om besluiten die door het bestuursorgaan waren herroepen bij beslissing op bezwaar en die berustten op een onjuiste wetsuitleg:
‘Indien, zoals in het onderhavige geval, het primaire besluit berust op een onjuiste uitleg van de wet en derhalve onrechtmatig is, moet dit onrechtmatig handelen in ieder geval aan het betrokken overheidslichaam worden toegerekend. In dat geval is immers sprake van een oorzaak welke – in de bewoordingen van art. 6:162 lid 3 BW – naar de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van dat lichaam komt. Laatstbedoelde opvattingen verzetten zich ertegen dat de overheid zich tegenover een burger met vrucht zou kunnen beroepen op dwaling dan wel onzekerheid omtrent de juiste uitleg van de wet; hierbij speelt niet alleen een rol dat de wettelijke regelingen niet van de burger afkomstig zijn, maar ook dat het redelijker is de schade die voor een individuele burger voortvloeit uit een besluit waarvan naderhand komt vast te staan dat het op een onjuiste wetsuitleg berust, voor rekening te brengen van de collectiviteit, dan om die schade voor rekening te laten van de burger jegens wie dat rechtens onjuiste besluit werd genomen.’6
In het arrest Boeder/Staat wordt – in lijn met het arrest Van Gog/Nederweert – overwogen dat de desbetreffende onrechtmatige daad krachtens verkeersopvattingen (en dus buiten schuld) kan worden toegerekend aan het overheidslichaam. Dit oordeel wordt niet louter gefundeerd op het redelijkheidsargument zoals dat in de arresten Bedrijfsvereniging/Boulogne en Staat/NCB naar voren werd gebracht. Als reden voor dit oordeel wordt namelijk gegeven dat de verkeersopvattingen zich ertegen verzetten dat de overheid zich met succes op ‘dwaling dan wel onzekerheid omtrent de juiste uitleg van de wet’ zou kunnen beroepen, in elk geval tegenover een burger. Dit oordeel steunt op het redelijkheidsargument en berust daarnaast mede op een wetgeversargument. Een beroep van de overheid op rechtsdwaling ten opzichte van de burger kan niet worden aanvaard, omdat (i) wettelijke regelingen nu eenmaal niet afkomstig zijn van de burger én (ii) omdat het redelijker is om de schade die voortvloeit uit een besluit dat berust op een onjuiste wetsuitleg voor rekening te brengen van de collectiviteit.7 Op deze argumenten is iets af te dingen (zie paragraaf 5.6.1).
De toepassing van de voornoemde lijn in de rechtspraak, waarin een onrechtmatige daad bij wijze van (semi-)automatisme wordt toegerekend aan de overheid, is ook bepleit bij andere overheidsgedragingen, waaronder het vaststellen van onrechtmatige wetgeving en onrechtmatig strafvorderlijk handelen. Deze gevaltypen worden hierna besproken.