Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/1.4.1:1.4.1 De zelfstandige platformwerker sociaal beschermd via het privaatrecht?
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/1.4.1
1.4.1 De zelfstandige platformwerker sociaal beschermd via het privaatrecht?
Documentgegevens:
Mijke Houwerzijl, Saskia Montebovi & Nuna Zekić, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Mijke Houwerzijl, Saskia Montebovi & Nuna Zekić
- JCDI
JCDI:ADS288416:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vanuit de hypothese dat de relatie tussen de platformwerker en het platform niet als arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW zou kwalificeren, hebben Eric Tjong Tjin Tai en Jaap van Slooten in hoofdstuk 6 van deze bundel het beschermingsniveau van de zelfstandige platformwerker geanalyseerd. Zij maken daarbij onderscheid tussen drie typen platforms: a) het platform als passieve facilitator van het contact tussen de platformwerker en de afnemer, b) het platform als actieve bemiddelaar tussen de platformwerker en de afnemer, en c) het platform als dienstenaanbieder, waarbij het grotendeels de vorm en inhoud van de dienst bepaalt.
Aan de hand van deze typering worden eerst de regels van het verbintenissenrecht nagelopen om te bepalen wat de positie is van het platform. Geconstateerd wordt dat de regels die gelden bij verschillende contractvormen, zoals opdracht en lastgeving, franchise en agentschap, weinig betekenis lijken te hebben voor platforms: de problemen waar die regels voor bedoeld zijn, doen zich bij platformarbeid in feite nauwelijks voor (zoals nalatigheid loon te betalen). Ook de leerstukken uit het algemeen verbintenissenrecht, zoals informatieplichten en toetsing van algemene voorwaarden, bieden weinig relevants. De auteurs signaleren wel enkele leerstukken die een basis zouden kunnen bieden voor het stellen van hogere eisen aan het handelen van het platform. Hierbij kan gedacht worden aan normen die strekken tot bescherming tegen misbruik door het platform, waaronder de norm van professionele zorgvuldigheid die ten grondslag ligt aan de EU-richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken.
In de tweede plaats wordt het beschermingsniveau van de zelfstandige platformwerker bij de drie onderscheiden typen platforms in kaart gebracht en vergeleken. De auteurs constateren een verband tussen de hoeveelheid controle die een platform uitoefent en de mate van bescherming van de werkers; platformwerkers bij platformtype c (de dienstverlener) genieten op grond van het huidige recht meer bescherming dan de werkers bij platformtype a. De werkers bij type b zitten daartussenin. Vijf punten verdienen volgens de auteurs de aandacht bij de bescherming van platformwerkers tegenover het platform. Ten eerste, de courtage (in het bijzonder latere verhoging daarvan) en het volume aan opdrachten. Ten tweede, de macht van het platform om de overeenkomst te wijzigen. Ten derde, de discretionaire bevoegdheid van het platform om de overeenkomst op te zeggen. Ten vierde, de aansprakelijkheid voor ongevallen van platformwerkers. En tot slot, de controle op de kwaliteit en betrouwbaarheid van de deelnemers. In het verlengde hiervan ligt de onduidelijkheid over wie aansprakelijk is bij schade als gevolg van ongevallen.
Tjong Tjin Tai en Van Slooten concluderen dat (de mate van) bescherming bij zelfstandige platformarbeid uiteindelijk afhankelijk is van de vraag wat een platform nu eigenlijk is: een aanbieder van een dienst of een bemiddelaar? Volgens hen lijkt het platform vaak en een dienst én een bemiddelaar te zijn. Door middel van rechtsvinding zal vastgesteld moeten worden wat bepalend is.