Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.6.2:4.6.2 De wettelijke structuur van de opsporing
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.6.2
4.6.2 De wettelijke structuur van de opsporing
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Wetboek van Strafvordering geeft weinig aanleiding om te denken dat er ruimte bestaat voor de toepassing van het opportuniteitsbeginsel buiten de vervolgingsbeslissing. In de praktijk is echter het automatisme van het legaliteitsbeginsel in de fase van de opsporing net zo onmogelijk en onwenselijk als in de vervolgingsfase. In hoeverre biedt het opportuniteitsbeginsel een theoretische onderbouwing voor de praktijk dat de officier van justitie niet van alle opgespoorde strafbare feiten in kennis wordt gesteld? Welke ruimte biedt het om een rationeel opsporingsbeleid te voeren?
De wet wijst als eindverantwoordelijke voor de opsporing het College van procureurs-generaal aan, dat daartoe bevelen kan geven aan de hoofden van de parketten (artikel 140 Sv). Specifiek belast met opsporing zijn de officieren van justitie, de politieambtenaren en, voor bepaalde gevallen, militairen van de Marechaussee (artikel 141 Sv). Daarnaast kunnen nog buitengewone opsporingsambtenaren worden aangewezen (artikel 142 Sv). Omdat de opsporing vrijwel zonder uitzondering door politieambtenaren wordt uitgevoerd, maar uiteindelijk gericht is op bestraffing, moeten opgespoorde strafbare feiten worden voorgelegd aan de officier van justitie, die kan beslissen om al dan niet vervolging in te stellen. De officier is daarom het hoofd van de opsporing in zijn arrondissement, en hij kan bevelen geven aan de overige met opsporing belaste personen (artikel 148 en 159 Sv). Tot voor kort verplichtte de wet alle opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal op te maken van opgespoorde strafbare feiten en van verrichte opsporingshandelingen (artikel 152 Sv oud).1 De opgemaakte processen-verbaal moeten direct, of indirect via een hulpofficier van justitie, bij de officier van justitie terechtkomen (artikel 156 Sv). Bovendien is de officier van justitie wettelijk gehouden een opsporingsonderzoek of zonodig een gerechtelijk vooronderzoek te openen, wanneer hij kennis krijgt van een strafbaar feit (artikel 149 Sv). Pas na afronding van het opsporingsonderzoek (artikel 167 Sv) of het gerechtelijk vooronderzoek (artikel 242 Sv) bestaat er een wettelijke mogelijkheid voor het om om te kiezen voor het beëindigen van de procedure.
Deze wettelijke structuur geeft nog blijk van een legaliteitsbeginsel wat betreft de opsporingsfase. Dat hier in de praktijk al lange tijd sterk van wordt afgeweken hoeft geen verbazing te wekken: de parketten zouden niet erg gelukkig zijn als alle strafbare feiten geverbaliseerd en alle processen-verbaal ingestuurd zouden worden.2 Capaciteitsgebrek is daarmee een belangrijke factor die meespeelt in de beslissing om al in de opsporingsfase strafrechtelijk ingrijpen achterwege te laten. Ook andere belangen kunnen echter een rol spelen. In 1948 beschrijft Minister van Justitie Van Maarseveen in een circulaire het politiesepot inzake verkeersovertredingen al als gegrond op de bevoegdheid van het om om niet te vervolgen, ‘waaronder begrepen de bevoegdheid om aan opsporingsambtenaren te vergunnen van bepaalde door hen geconstateerde strafbare feiten geen proces-verbaal op te maken.’3
Grofweg zijn er drie mogelijke vormen van het ‘politiesepot’ te onderscheiden. Ten eerste kan een opsporingsambtenaar, na een strafbaar feit geconstateerd te hebben, een reactie geheel achterwege laten of althans anders optreden dan door een proces-verbaal op te maken. Ten tweede kan, nadat een strafbaar feit is geconstateerd en aangifte is opgenomen, besloten worden geen verder opsporingsonderzoek te doen. Ten derde kan een summier opsporingsonderzoek naar aanleiding van een opgenomen aangifte worden beëindigd met een sepotproces-verbaal dat ter kennisneming aan het om wordt gezonden.4
In het Wetboek van Strafvordering is één opsporingsbevoegdheid opgenomen die op zo’n manier is geformuleerd dat het verplicht is om deze bevoegdheid uit te oefenen wanneer de daarvoor relevante voorwaarden zijn vervuld. Dit betreft het verbod op doorlaten van artikel 126ff Sv.