Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.6.3.2
2.6.3.2 Het verbod in de bodemprocedure en in kort geding
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955441:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Regel 118 (‘In addition to the orders and measures and without prejudice to the discretion of the Court referred to in Articles 63)’ en Regel 211 lid 1 (‘The Court may in particular order (…) injunctions against a defendant’) en lid 3 (‘In taking its decision the Court shall in the exercise of its discretion weigh up the interests of the parties’). In gelijke zin: Ohly, SIPLR 2022, afl. 1, p. 60; Van Dongen 2023, p. 374-387.
Regel 211 lid 3.
Zie ook Regel 352 lid 1: “Decisions and orders may be subject to the rendering of a security (whether by deposit or bank guarantee or otherwise) by a party to the other party for legal costs and other expenses and compensation for any damage incurred or likely to be incurred by the other party if the decisions and orders are enforced and subsequently revoked”.
Zie ook ov. 2 Regels.
Tilmann & Plassmann 2018, p. 473.
Tilmann & Plassmann 2018, p. 446.
In gelijke zin: Ohly, SIPLR 2022, afl. 1, p. 60. Zie echter ook Van Dongen 2023, die uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Rules of Procedure onder meer afleidt dat een ruimere discretionaire bevoegdheid is beoogd (p. 375). Dit kan in mijn ogen echter niet afdoen aan het feit dat moet worden aangesloten bij de Handhavingsrichtlijn, dat immers een hogere plaats inneemt in de normenhiërarchie.
Discretionaire bevoegdheid. Uit art. 62 en 63 UPCA volgt dat het UPC zowel in een kort geding als in een bodemprocedure een verbod kan opleggen aan een vermeend inbreukmaker om een dreigende inbreuk te voorkomen.1 Uit de bewoordingen van beide bepalingen en de toelichting die daaraan is gegeven in de Regels volgt dat toewijzing van het verbod een discretionaire bevoegdheid van het UPC betreft.2 Voor het kort geding bepaalt Regel 211 dat het UPC bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid de belangen van de partijen moet afwegen en daarbij in het bijzonder rekening dient te houden met de potentiële schade voor een van de partijen als gevolg van de toekenning of de weigering van het bevel.3 Regel 118 lid 8 bepaalt daarnaast dat aan toewijzing van een verbod een voorwaarde kan worden gesteld tot het stellen van zekerheid door de in het gelijk gestelde partij aan de in het ongelijk gestelde partij.4Art. 42 UPCA bevat ten slotte enkele vereisten die het UPC in acht moet nemen bij de uitvaardiging van een verbod. Het eerste lid bepaalt dat het UPC geschillen behandelt op een wijze die evenredig is aan het belang en de complexiteit ervan. Het tweede lid bepaalt dat het UPC erop toeziet dat de in de UPCA en in het Statuut opgenomen regels, procedures en rechtsmiddelen op eerlijke en billijke wijze worden toegepast en dat zij de mededinging niet verstoren.5
Verhouding tot de Handhavingsrichtlijn. De bepalingen van Deel I hoofdstuk IV UPCA zijn in belangrijke mate gebaseerd op (en wat artikelen 60 t/m 69 betreft zelfs vrijwel woordelijk overgenomen van) de Handhavingsrichtlijn.6 Het UPC moet de in dit hoofdstuk neergelegde bepalingen uitleggen en toepassen op een wijze die overeenstemt met het doel en de strekking van die richtlijn en die het nuttig effect ervan verzekert.7 Het ligt dan ook alleszins voor de hand dat de hierboven besproken bepalingen op vergelijkbare wijze moeten (en ook zullen) worden uitgelegd als hun equivalenten uit de Handhavingsrichtlijn.8 Tenzij anders aangegeven, zal in het vervolg van dit onderzoek daarom niet afzonderlijk worden ingegaan op bepalingen van de UPCA.