Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/6.1
6.1 Inleiding
mr. J.E. van Nuland , datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
mr. J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254346:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 18 december 1959, NJ 1960, 121 (De Gouw/De Hamer).
Zie artikel 7A:1679 BW voor de maatschap en 18 WvK.
Met ‘gewone vennoot’ doel ik op de vennoten die niet commanditair vennoot zijn en zich kenmerken door persoonlijke en hoofdelijke verbondenheid. Uit HR 6 mei 1966, NJ 1966, 287, m.nt. Scholten (Voogt/Wilders) blijkt dat er twee soorten gewone vennoten zijn te onderscheiden, namelijk (i) de gewone vennoot, die niet alleen hoofdelijk verbonden, maar ook besturend vennoot is en (ii) de gewone vennoot, die weliswaar hoofdelijk verbonden vennoot is, maar geen bestuursbevoegdheid heeft. Tervoort 2013, p. 21 duidt de onder (i) bedoelde vennoot aangeduid als de ‘besturend vennoot’ en de onder (ii) bedoelde vennoot als ‘gecommanditeerde vennoot’.
Zie Handboek 2013, nrs. 2.1 en 29.
Vgl. voor de NV 2:64 lid 1 BW en voor de BV 2:175 lid 1 BW.
Artikel 30 WvK maakt daarop een uitzondering voor het geval dat de naam van een gewone vennoot, die vervolgens commanditaire vennoot wordt, in de naam van de vennootschap wordt gebezigd.
Hij blijft echter commanditaire vennoot en wordt dus geen gewone vennoot, zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/383.
Zie Bijlage bij Kamerstukken II 2016/17, 29 752, nr. 9 (brief van de minister van V&J van 9 december 2016); Van Olffen e.a. 2016.
Zie: https://www.internetconsultatie.nl/moderniseringpersonenvennootschap, laatst geraadpleegd op 23 februari 2020.
In de vorige twee hoofdstukken ben ik ingegaan op de aansprakelijkheidspositie van beleidsbepalende actoren van rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschappen, in het bijzonder de besloten vennootschap. Nu richt ik mij op de personenvennootschap, waarvan het Nederlandse recht drie verschijningsvormen kent: maatschap, vennootschap onder firma (VOF) en commanditaire vennootschap (CV). Mijn focus ligt bij deze laatste. Geen van deze rechtsvormen heeft rechtspersoonlijkheid. Anders dan de rechtspersonen van Boek 2 BW kunnen zij strikt genomen niet worden aangemerkt als rechtssubject. Wanneer de vennoten handelen in naam van de vennootschap, handelen zij namens de gezamenlijke vennoten, die als collectief door de vertegenwoordigingshandeling worden gebonden. Zij kunnen – kort gezegd – elkaar aan derden gebonden doen raken.1 Eén van de kenmerkende verschillen tussen deze drie rechtsvormen is de aansprakelijkheidspositie van de vennoten jegens deze derden. Waar de maten der maatschap ieder voor gelijke delen aansprakelijk zijn, zijn de vennoten die samen een vennootschap onder firma vormen steeds hoofdelijk verbonden.2 De commanditaire vennootschap kent op haar beurt twee soorten vennoten: enerzijds de gewone, hoofdelijk verbonden vennoten3 en anderzijds de commanditaire vennoten. Laatstgenoemden treden slechts als geldschieter tot de samenwerking toe en zijn jegens derden in beginsel niet aansprakelijk. Ten opzichte van de gewone vennoten is de commanditaire vennoot alleen gehouden zijn overeengekomen inbreng te voldoen. Daarboven bestaat geen draagplicht in de verliezen van de vennootschap.4
Als de vennootschapsvorm die aan de wieg stond van de NV, die op haar beurt als basis voor de BV mag worden beschouwd,5 heeft de commanditaire vennootschap een nauwe verwantschap met de meer moderne kapitaalvennootschappen. Evenals de aandeelhouder van een kapitaalvennootschap heeft de commanditaire vennoot geen groter verlies te duchten dan de overeengekomen inbreng.6 Het Wetboek van Koophandel maakt op die gunstige positie een belangrijke en unieke uitzondering. Ingevolge artikel 20 lid 1 WvK mag de naam van een commanditaire vennoot niet in de naam van de vennootschap worden gebezigd.7 Op grond van het tweede lid mag deze vennoot geen daad van beheer verrichten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn, ook niet krachtens volmacht. Overtreedt de commanditaire vennoot een van deze bepalingen, dan is hij op grond van artikel 21 WvK net als de gewone vennoten hoofdelijk verbonden voor de schulden van de vennootschap.8
Vorenbedoeld bestuursverbod maakt dat de commanditaire vennoot van beleidsbepaling is uitgesloten, wil hij tenminste zijn bijzondere aansprakelijkheidspositie behouden. Daarmee wordt een scheiding tussen ownership en control, zoals wij die ook bij de kapitaalvennootschappen kennen, bewerkstelligd. Voor de kapitaalvennootschappen biedt Boek 2 BW een veelheid aan organisatorische regels, te complementeren of nader in te vullen door statuten, reglementen en besluiten. In de vorige hoofdstukken kwam naar voren dat het bestuursprimaat bij deze rechtsvormen weliswaar bij het bestuur is gelegen, maar de kapitaalverschaffers legio mogelijkheden hebben om hun invloed te doen gevoelen. Evenmin is het aandeelhouders verboden om de vennootschap te vertegenwoordigen; de wet alloceert die bevoegdheid slechts als uitgangspunt bij het bestuur. Aansprakelijkheid voor beleidsbepaling is alleen aan de orde onder zeer bijzondere omstandigheden, waarin de kapitaalverschaffer zich feitelijk en daadwerkelijk als bestuurder heeft gedragen of gezien zijn inzicht en invloed had moeten ingrijpen. Het Wetboek van Koophandel schept daarentegen weinig duidelijkheid over de positie van de commanditaire vennoot. Met de summiere regeling voor de personenvennootschap kan zelfs de vraag wat de commanditaire vennoot nu precies is verboden maar moeilijk worden beantwoord.
Evident is echter dat de aansprakelijkheid van commanditaire vennoten rechtstreeks is gekoppeld aan het bepalen van beleid. Wat daaronder moet worden verstaan en hoe de aansprakelijkheidspositie van de commanditaire vennoot moet worden geduid, is het onderwerp van dit hoofdstuk. Eerst ga ik kort in op het rechtskarakter van de CV en bespreek ik het besturen en de vertegenwoordiging daarvan in het algemeen. Ik ga vervolgens eerst in op (de discussie over) de reikwijdte van het bestuursverbod als zodanig. Na behandeling van de aansprakelijkheid van de commanditaire vennoot, waaronder de verhouding tot (mede)beleidsbepaling, kijk ik vooruit. Dat doe ik aan de hand van het in 2016 verschenen rapport van de Werkgroep Modernisering Personenvennootschappen9 en het nadien verschenen ambtelijk voorontwerp.10 Het hoofdstuk wordt afgesloten met een samenvattende conclusie.