Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/2.2.1
2.2.1 Inroepbaarheid van verdragen voor de (EU-)rechter
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS606983:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In het kader van het WTO/GATT-recht zijn er twee uitzonderingen geformuleerd op deze hoofdregel. Onder het WTO/GATT-recht overweegt het Hof dat waar de EU uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting of de handeling naar specifieke bepalingen van het GATT verwijst, het Hof alsnog verplicht is de wettigheid van de betrokken handeling te toetsen aan de betreffende GATT-regels (HvJ EG 5 oktober 1994, C-280/93 (Commissie t. Duitsland), r.o. 111, HvJ EG 7 mei 1991, C-69/89 (Nakajima), r.o. 31 en HvJ EG 22 juni 1989, C-70/87 (Fediol), r.o. 19. Echter, deze uitzonderingen zijn alleen in het WTO-recht toegepast, en in dat kader ook steeds verder ingekaderd (zie over de verhouding tussen het internationaal handelsrecht en het EU-recht meer uitgebreid De Waele 2011, p. 71-76). Zie voor een overzicht en behandeling van de rechtspraak inzake de inroepbaarheid van verdragen die de EU binden in het EU-recht: Eeckhout 2011, p. 323-383, Koutrakos 2006, p. 217-299, Kuijper e.a. 2013, p. 929-1023.
Zie o.a. HvJ EG 12 december 1972, C-21/72-24/72 (International Fruit Company), r.o. 7, HvJ EG 3 juni 2008, C-308/06 (Intertanko), r.o. 44 en HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.), r.o.52.
Zie o.a. HvJ EG 10 januari 2006, C-344/04 (IATA en ELFAA), r.o. 39, HvJ EG 3 juni 2008, C-308/06 (Intertanko), r.o. 45, HvJ EG 9 september 2008, C-120/06 P en C121/06 P (FIAMM), r.o. 110 en HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.), r.o. 53.
Zie o.a. HvJ EG 10 januari 2006, C-344/04 (IATA en ELFAA), r.o. 39, HvJ EG 3 juni 2008, C-308/06 (Intertanko), r.o. 45, HvJ EG 9 september 2008, C-120/06 P en C121/06 P (FIAMM), r.o. 110 en HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.), r.o. 54. In de eerste twee arresten werd nog de formule gehanteerd dat de betreffende bepalingen inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig moesten ‘voorkomen’. In de laatste twee arresten is deze formule licht gewijzigd naar resp. ‘blijken te zijn’ (Intertanko) en ‘zijn’ (Air Transport Association of America e.a.).
HvJ EG 12 december 1972, C-21/72-24/72 (International Fruit Company), r.o. 10-18, zie ook HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.), r.o. 63.
Zie over dit criterium onder andere: Zijlmans 2011, p. 47 en 48 en Eeckhout 2011, p. 395-400.
HvJ EU 15 maart 2012, C-135/10 (SCF), r.o. 44.
HvJ EU 13 januari 2015, gevoegde zaken C‑401/12 P-C‑403/12 P (Vereniging Milieudefensie e.a.), r.o. 55.
HvJ EG 3 juni 2008, C-308/06 (Intertanko), r.o. 64 en 65.
HvJ EG 9 oktober 2001, C-377/98 (Nederland t. Parlement en Raad), r.o. 54.
Martines 2014, p. 129-147.
Martines 2014, p. 142.
Naar het oordeel van Craig en De Búrca is het merkwaardig dat het Hof in dit arrest het onderscheid tussen de overdracht van individuele rechten en de inroepbaarheid van verdragen voor de toetsing van EU-handelingen, eerder geformuleerd in Nakajima (HvJ EG 7 mei 1991, C-69/89), negeert (Craig &; De Búrca 2015, p. 368). Mijns inziens is deze kritiek onterecht. Er zij op gewezen dat het Hof in Nakajima aan het in die procedure van belang zijnde verdrag (Anti-Dumping Code) toetste, omdat de EU-handeling uitvoering aan dat verdrag gaf. Deze regel is later uitgewerkt, zoals zij reeds zelf opmerken (Craig &; De Búrca 2015, p. 363), in Commissie t. Duitsland (HvJ EG 5 oktober 1994, C-280/93), waar het Hof in het kader van de GATT de formule heeft gecreëerd dat een handeling aan het GATT kan worden getoetst indien de EU uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting of de handeling naar bijzondere verplichtingen van het GATT verwijst. Wat zij niet opmerken is dat deze regel in dat arrest is geformuleerd als uitzondering op de hoofdregel dat de GATT geen rechtstreeks werkende bepalingen bevatte en daarom in beginsel niet kon worden ingeroepen om de geldigheid van EU-handelingen te toetsen (zie Commissie t. Duitsland, r.o. 103-112, waarvan r.o. 109 i.h.b). Met Intertanko is mijns inziens slechts een nadere invulling gegeven aan de eis dat de ‘aard en opzet’ van het verdrag zich niet tegen een geldigheidstoets mogen verzetten.
Daarbij zij erop gewezen dat het Hof in latere rechtspraak de overweging in HvJ EG 9 oktober 2001, C-377/98 (Nederland t. Parlement en Raad), r.o. 54 niet heeft herhaald. Naar het oordeel van Kuijper e.a. (Kuijper e.a. 2013, p. 942), moet de overweging uit Nederland t. Parlement en Raad in samenhang worden gelezen met HvJ EG 5 oktober 1994, C-280/93 (Duitsland t. Commissie). Mijns inziens moeten deze arresten duidelijk →van elkaar worden onderscheiden. Duitsland t. Commissie betrof een arrest in het kader van het GATT-recht, en met de WTO/GATT-jurisprudentie wordt in Nederland t. Parlement en Raad nu juist een duidelijk onderscheid gemaakt (r.o. 52 en 53 van dat arrest). Mijns inziens is de overweging Nederland t. Parlement en Raad een incidentele overweging. Nu deze geen navolging heeft gehad in latere rechtspraak kan mijns inziens niet van vaste rechtspraak worden gesproken, en zal de in dit onderzoek de lijn van Intertanko worden aangehouden.
HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.), r.o. 84.
HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.), r.o. 80.
Verder kan erop worden gewezen dat ook in het eerste arrest van het Hof inzake de toetsing van EU-handelingen aan verdragen, door het Hof de eis werd gesteld, in ieder geval voor zover het een procedure voor de nationale rechter betrof, dat de ingeroepen bepaling geëigend moet zijn voor de justitiabelen in de EU het recht mee te brengen zich daarop in rechte te beroepen (HvJ EG 12 december 1972, C-21/72-24/72 (International Fruit Company), r.o. 9). In dat arrest vloeide, aldus het Hof, uit de aard en opzet van het in dat arrest aan de orde zijnde verdrag voort, dat de ingeroepen bepaling niet geëigend was voor justitiabelen in de Gemeenschap het recht mee te brengen zich daar in rechte op te beroepen (HvJ EG 12 december 1972, C-21/72-24/72 (International Fruit Company), r.o. 19-27). Er kan dus tevens worden verdedigd dat het Hof in Intertanko, verwijst naar de regel die voor het eerst geformuleerd werd in International Fruit Company.
HvJ EU 15 maart 2012, C-135/10 (SCF), r.o. 44.
HvJ EU 13 januari 2015, gevoegde zaken C‑401/12 P-C‑403/12 P (Vereniging Milieudefensie e.a.), r.o. 55.
HvJ EG 3 juni 2008, C-308/06 (Intertanko), r.o. 64 en 65.
HvJ EG 9 oktober 2001, C-377/98 (Nederland t. Parlement en Raad), r.o. 54.
Martines 2014, p. 129-147.
Martines 2014, p. 142.
Naar het oordeel van Craig en De Búrca is het merkwaardig dat het Hof in dit arrest het onderscheid tussen de overdracht van individuele rechten en de inroepbaarheid van verdragen voor de toetsing van EU-handelingen, eerder geformuleerd in Nakajima (HvJ EG 7 mei 1991, C-69/89), negeert (Craig &; De Búrca 2015, p. 368). Mijns inziens is deze kritiek onterecht. Er zij op gewezen dat het Hof in Nakajima aan het in die proce- dure van belang zijnde verdrag (Anti-Dumping Code) toetste, omdat de EU-handeling uitvoering aan dat verdrag gaf. Deze regel is later uitgewerkt, zoals zij reeds zelf opmerken (Craig &; De Búrca 2015, p. 363), in Commissie t. Duitsland (HvJ EG 5 oktober 1994, C-280/93), waar het Hof in het kader van de GATT de formule heeft gecreëerd dat een handeling aan het GATT kan worden getoetst indien de EU uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van het GATT aangegane bijzondere verplichting of de handeling naar bijzondere verplichtingen van het GATT verwijst. Wat zij niet opmerken is dat deze regel in dat arrest is geformuleerd als uitzondering op de hoofdregel dat de GATT geen rechtstreeks werkende bepalingen bevatte en daarom in beginsel niet kon worden ingeroepen om de geldigheid van EU-handelingen te toetsen (zie Commissie t. Duitsland, r.o. 103-112, waarvan r.o. 109 i.h.b). Met Intertanko is mijns inziens slechts een nadere invulling gegeven aan de eis dat de ‘aard en opzet’ van het verdrag zich niet tegen een geldigheidstoets mogen verzetten.
Daarbij zij erop gewezen dat het Hof in latere rechtspraak de overweging in HvJ EG 9 oktober 2001, C-377/98 (Nederland t. Parlement en Raad), r.o. 54 niet heeft herhaald. Naar het oordeel van Kuijper e.a. (Kuijper e.a. 2013, p. 942), moet de overweging uit Nederland t. Parlement en Raad in samenhang worden gelezen met HvJ EG 5 oktober 1994, C-280/93 (Duitsland t. Commissie). Mijns inziens moeten deze arresten duidelijk van elkaar worden onderscheiden. Duitsland t. Commissie betrof een arrest in het kader van het GATT-recht, en met de WTO/GATT-jurisprudentie wordt in Nederland t. Parlement en Raad nu juist een duidelijk onderscheid gemaakt (r.o. 52 en 53 van dat arrest). Mijns inziens is de overweging Nederland t. Parlement en Raad een incidentele overweging. Nu deze geen navolging heeft gehad in latere rechtspraak kan mijns inziens niet van vaste rechtspraak worden gesproken, en zal de in dit onderzoek de lijn van Intertanko worden aangehouden.
HvJ EU 21 december 2011, C-366/10 (Air Transport Association of America e.a.),r.o. 84.
Idem, r.o. 80.
Verder kan erop worden gewezen dat ook in het eerste arrest van het Hof inzake de toetsing van EU-handelingen aan verdragen, door het Hof de eis werd gesteld, in ieder geval voor zover het een procedure voor de nationale rechter betrof, dat de ingeroepen bepaling geëigend moet zijn voor de justitiabelen in de EU het recht mee te brengen zich daarop in rechte te beroepen (HvJ EG 12 december 1972, C-21/72-24/72 (International Fruit Company), r.o. 9). In dat arrest vloeide, aldus het Hof, uit de aard en opzet van het in dat arrest aan de orde zijnde verdrag voort, dat de ingeroepen bepaling niet geëigend was voor justitiabelen in de Gemeenschap het recht mee te brengen zich daar in rechte op te beroepen (HvJ EG 12 december 1972, C-21/72-24/72 (International Fruit Company), r.o. 19-27). Er kan dus tevens worden verdedigd dat het Hof in Intertanko, verwijst naar de regel die voor het eerst geformuleerd werd in International Fruit Company.
HvJ EG 26 oktober 1982, C-104/81 (Kupferberg).
HvJ EG 14 december 2000, C-300/98 en C-392/98 (Dior).
HvJ EG 11 september 2007, C-431/05 (Merck).
HvJ EU 8 maart 2011, C-240/09 (Lesoochranáske zoskupenie).
HvJ EG 26 oktober 1982, nr. 104/81 (Kupferberg), r.o. 11-14.
Eeckhout 2011, p. 334.
HvJ EG 14 december 2000, C-300/98 en C-392/98 (Dior), r.o. 41-48, HvJ EG 11 september 2007, C-431/05 (Merck), r.o. 29-35, HvJ EU 8 maart 2011, C-240/09 (Lesoochranáske zoskupenie), r.o. 28-33. Zie tevens: Desmedt 2001 en Zijlmans 2011, p. 21-23.
Hiermee wordt een verdrag bedoeld waarbij zowel de EU als de lidstaten partij zijn.
Namelijk de richtlijn die de betreffende implementatiewetgeving beoogt te implementeren, of de verordening waaraan de wetgeving beoogt uitvoering te geven.
Ingevolge artikel 216 lid 2 VwEU zijn de door de EU gesloten overeenkomsten bindend voor de instellingen van de Unie en voor de lidstaten. Hoewel uit deze bepaling dus voortvloeit dat de EU-instellingen en de lidstaten zijn gebonden aan verdragen waar de EU partij bij is, betekent dit niet dat EU-handelingen altijd aan deze verdragen kunnen worden getoetst. Voor de inroepbaarheid van verdragen bij het Hof van Justitie geldt namelijk een drietal vereisten: 1
De EU moet gebonden zijn aan het verdrag;2
De aard en opzet van het verdrag mogen zich niet tegen een toetsing van een handeling aan het verdrag verzetten;3
De bepalingen uit het verdrag waaraan getoetst moet worden zijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig.4
De EU hoeft niet perse partij te zijn bij een verdrag om hieraan gebonden te zijn. Uit de jurisprudentie vloeit voort dat het Hof van Justitie de EU tevens aan een verdrag gebonden acht, als de lidstaten de bevoegdheden inzake dat verdrag aan de EU hebben overgedragen.5 Van dergelijke verdragen is in het kader van de Richtlijn ETS echter geen sprake,6 en dit criterium blijft hier derhalve buiten beschouwing.7
Naar het oordeel van het Hof is aan de derde eis voldaan wanneer:
‘de aangevoerde bepalingen duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichtingen behelzen die voor de uitvoering of werking ervan geen verdere handelingen vereisen.’8
Wanneer er voor de uitvoering van een bepaling van een verdrag blijkens die bepaling nadere uitvoeringsmaatregelen door de verdragspartij moeten worden getroffen, dan is er geen sprake van een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige verdragsbepaling. 9
Het Hof overwoog in Intertanko dat de aard en opzet van het verdrag zich verzetten tegen een geldigheidstoets van een EU-handeling, indien deze:
‘geen voorschriften invoert die bedoeld zijn om rechtstreeks en onmiddellijk van toepassing te zijn op particulieren en om hun rechten of vrijheden te verlenen die tegen de staten kunnen worden ingeroepen.’10
Deze overweging staat echter in scherp contrast met een eerdere overweging van het Hof in het arrest van 9 oktober 2001, waarin het Hof overwoog:
‘Indien het VBD, zoals de Raad beweert, bepalingen bevat die rechtstreekse werking missen, in die zin dat zij geen rechten scheppen die door particulieren rechtstreeks in rechte kunnen worden ingeroepen, dan verhindert dat de rechter niet te controleren of de Gemeenschap als partij bij die overeenkomst haar daaruit voortvloeiende verplichtingen naleeft (zie arrest van 16 juni 1998, Racke, C-162/96, Jurispr. blz. I-3655, punten 45, 47 en 51).’11
In de literatuur is kritiek geleverd op de overweging in Intertanko. Zo maakt Martines een onderscheid tussen het directe effect van verdragen, en de geldigheidstoets van EU-handelingen in het licht van verdragen.12 Zij stelt dat er in Intertanko een geldigheidsvraag speelde en de toets van rechtstreekse werking derhalve niet had mogen worden toegepast.13 Ook Craig en De Búrca leveren kritiek, door onder andere een vergelijking te maken met het arrest Nakajima.14 Wat er van deze kritiek ook zij, mijns inziens dient de test uit Intertanko te worden toegepast.15 Daarbij betrek ik het arrest Air Transport Association of America e.a. In dit arrest overwoog het Hof ten aanzien van het in geding zijnde (niet mondiale) Open Sky verdrag:
‘Aangezien de ‘Open Sky’-overeenkomst een aantal regels bevat die rechtstreeks en onmiddellijk van toepassing zijn op de luchtvaartmaatschappijen en deze aldus rechten of vrijheden verlenen die jegens de partijen bij deze overeenkomst kunnen worden ingeroepen, en de aard en de opzet van deze overeenkomst niet eraan in de weg staan, kan worden geconcludeerd dat het Hof de geldigheid van een handeling van de Unie zoals richtlijn 2008/101 aan de bepalingen van een dergelijke overeenkomst kan toetsen.’ 16
Hier lijkt het Hof weliswaar het verlenen van de rechten en vrijheden door het verdrag niet direct te koppelen aan de aard en opzet van het verdrag, maar het maakt deze overweging wel in het kader van een analyse van de aard en opzet van het verdrag.17 En oordeelt derhalve, mijns inziens, dat mede vanwege het feit dat het verdrag bepalingen bevat die rechten en vrijheden verleent aan particulieren, EU-handelingen aan dit verdrag kunnen worden getoetst, althans dat de aard en opzet van het verdrag zich niet tegen deze toetsing verzetten.18
Naar het oordeel van het Hof is aan de derde eis voldaan wanneer:
‘de aangevoerde bepalingen duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichtingen behelzen die voor de uitvoering of werking ervan geen verdere handelingen vereisen.’19
Wanneer er voor de uitvoering van een bepaling van een verdrag blijkens die bepaling nadere uitvoeringsmaatregelen door de verdragspartij moeten worden getroffen, dan is er geen sprake van een onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurige verdragsbepaling.20
Het Hof overwoog in Intertanko dat de aard en opzet van het verdrag zich verzetten tegen een geldigheidstoets van een EU-handeling, indien deze:
‘geen voorschriften invoert die bedoeld zijn om rechtstreeks en onmiddellijk van toepassing te zijn op particulieren en om hun rechten of vrijheden te verlenen die tegen de staten kunnen worden ingeroepen.’21
Deze overweging staat echter in scherp contrast met een eerdere overweging van het Hof in het arrest van 9 oktober 2001, waarin het Hof overwoog:
‘Indien het VBD, zoals de Raad beweert, bepalingen bevat die rechtstreekse werking missen, in die zin dat zij geen rechten scheppen die door particulieren rechtstreeks in rechte kunnen worden ingeroepen, dan verhindert dat de rechter niet te controleren of de Gemeenschap als partij bij die overeenkomst haar daaruit voortvloeiende verplichtingen naleeft (zie arrest van 16 juni 1998, Racke, C-162/96, Jurispr. blz. I-3655, punten 45, 47 en 51).’22
In de literatuur is kritiek geleverd op de overweging in Intertanko. Zo maakt Martines een onderscheid tussen het directe effect van verdragen, en de geldigheidstoets van EU-handelingen in het licht van verdragen.23 Zij stelt dat er in Intertanko een geldigheidsvraag speelde en de toets van rechtstreekse werking derhalve niet had mogen worden toegepast.24 Ook Craig en De Búrca leveren kritiek, door onder andere een vergelijking te maken met het arrest Nakajima.25 Wat er van deze kritiek ook zij, mijns inziens dient de test uit Intertanko te worden toegepast.26 Daarbij betrek ik het arrest Air Transport Association of America e.a. In dit arrest overwoog het Hof ten aanzien van het in geding zijnde (niet mondiale) Open Sky verdrag:
‘Aangezien de “Open Sky”-overeenkomst een aantal regels bevat die rechtstreeks en onmiddellijk van toepassing zijn op de luchtvaartmaatschappijen en deze aldus rechten of vrijheden verlenen die jegens de partijen bij deze overeenkomst kunnen worden ingeroepen, en de aard en de opzet van deze overeenkomst niet eraan in de weg staan, kan worden geconcludeerd dat het Hof de geldigheid van een handeling van de Unie zoals richtlijn 2008/101 aan de bepalingen van een dergelijke overeenkomst kan toetsen.’27
Hier lijkt het Hof weliswaar het verlenen van de rechten en vrijheden door het verdrag niet direct te koppelen aan de aard en opzet van het verdrag, maar het maakt deze overweging wel in het kader van een analyse van de aard en opzet van het verdrag.28 En oordeelt derhalve, mijns inziens, dat mede vanwege het feit dat het verdrag bepalingen bevat die rechten en vrijheden verleent aan particulieren, EU-handelingen aan dit verdrag kunnen worden getoetst, althans dat de aard en opzet van het verdrag zich niet tegen deze toetsing verzetten.29
Indien de EU gebonden is aan een verdrag, en er voor de Nederlandse (bestuurs)rechter de geldigheid van een nationale bepaling in het licht van dat verdrag wordt betwist, dan is deze rechter niet zonder meer bevoegd de artikelen 93 en 94 Gw toe te passen. In dit verband zijn de arresten Kupferberg,30 Dior,31 Merck,32 en Lesoochranárske zoskupenie33 van belang. In Kupferberg overwoog het Hof dat bij verdragen waar de EU partij bij is, het de lidstaten niet vrij staat om al dan niet directe toepassing te geven aan de bepalingen uit het verdrag.34 Met andere woorden, het EU-recht bepaalt exclusief wat de rechtsgevolgen zijn van verdragsbepalingen en dus ook de vraag of de bepalingen rechtstreekse werking in de nationale rechtsorde hebben.35 Het Hof van Justitie heeft deze regel in de arresten Dior, Merck, en Lesoochranárske zoskupenie echter genuanceerd. Uit deze arresten volgt dat alleen voor zover de EU op het gebied waar de verdragsbepalingen van toepassing zijn regelgevend heeft opgetreden, het de lidstaten niet vrij staat om zelfstandig rechtstreekse werking aan die bepalingen toe te schrijven. Waar de EU niet regelgevend heeft opgetreden, staat het de lidstaten echter wel vrij om aan de hand van hun nationale regels al dan niet rechtstreekse werking aan de betreffende verdragsbepalingen toe te kennen. 36
Uit deze jurisprudentie volgt dat voor implementatiewetgeving altijd geldt dat de Nederlandse (bestuurs)rechter niet vrij is aan de hand van art. 93 en 94 Gw te bepalen of een bepaling uit een gemengd37 verdrag eenieder verbindend is. Immers, ten aanzien van die wetgeving is met zekerheid te stellen dat er EU-wetgeving bestaat op het gebied waar het betreffende verdrag op ziet.38 Derhalve is het aan het Hof van Justitie te bepalen of het betreffende verdrag bepalingen bevat die rechtstreeks in de nationale rechtsorde van lidstaten doorwerken. In zoverre geldt ook dat de implementatiewetgeving van de Richtlijn ETS niet over de band van artikel 93 en 94 Gw aan eenieder verbindende bepalingen uit verdragen mag worden getoetst, voor zover het verdragen betreft waar de EU eveneens partij bij is.