Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/129:129 Wie wordt rechthebbende van het geïnde?
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/129
129 Wie wordt rechthebbende van het geïnde?
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 01-10-2007
- Datum
01-10-2007
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:ADS247373:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:248-251 BW.
In dezelfde zin Asser/Van der Grinten/Kortmann 2-I 2004, nr. 143 en Bartels 2004, p. 165.
Asser/Van der Grinten/Kortmann 2-I 2004, nr. 143.
Steneker 2005, p. 59-62. In dezelfde zin Faber 1994, p. 188-189.
In dezelfde zin Bartels 2004, voetnoot 156 op p. 165 en Snijders 2004a, p. 305.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een vordering tot levering van een goed kan door de pandhouder worden uitgewonnen door deze vordering openbaar of onderhands te verkopen en verhaal op de verkoopopbrengst te nemen.1 Na verkoop en overdracht van de vordering tot levering kan de koper levering van het goed vorderen van de debiteur van de vordering. De koper van een vordering tot levering loopt risico’s met betrekking tot de levering, zoals het risico dat de debiteur zijn verbintenis niet nakomt en het risico dat de debiteur beschikkingsonbevoegd wordt vóór de levering. Het is dan ook niet ondenkbaar dat verkoop van het te leveren goed meer oplevert dan verkoop van de vordering tot levering van dat goed. Om die reden kan het zowel voor de pandhouder als voor de pandgever aantrekkelijk zijn dat de pandhouder de vordering tot levering int en verhaal neemt op het geleverde goed.
Wat zijn de mogelijkheden tot en de gevolgen van de inning van een vordering tot levering van een goed door de pandhouder? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, is het allereerst van belang om vast te stellen wie rechthebbende is van het geïnde. Op grond van art. 3:246 lid 1 BW wordt het geïnde betaald aan de pandhouder. De pandhouder int de vordering in eigen naam.2 In art. 477b lid 1 Rv is bepaald dat een betaling door een derde-beslagene aan de deurwaarder (tevens) geldt als een betaling aan de beslagdebiteur. Een vergelijkbare bepaling op grond waarvan de betaling aan de pandhouder als een betaling aan de pandgever heeft te gelden kent de wet niet. Volgens Kortmann heeft deze betaling om deze reden niet (tevens) te gelden als een betaling aan de pandgever.3
Betekent dit dat de pandhouder, en niet de pandgever, rechthebbende wordt van het geïnde? Art. 3:246 lid 5 BW bepaalt dat het pandrecht in geval van inning door de pandhouder op het geïnde komt te rusten. Het wettelijk systeem gaat derhalve uit van een afscheiding van het geïnde van het vermogen van de pandhouder, zolang de pandhouder zich uit het geïnde niet heeft voldaan. Een pandrecht dat behoort tot hetzelfde vermogen als het object van het pandrecht is niet bestaanbaar.4 Dit zou een reden zijn om aan te nemen dat de betaling aan de pandhouder tot gevolg heeft dat het betaalde deel gaat uitmaken van het vermogen van de pandgever.
Steneker heeft aannemelijk gemaakt dat een persoon rechthebbende kan zijn van twee van elkaar afgescheiden vermogens. De pandhouder zou het geïnde kunnen afscheiden van zijn eigen vermogen, in geval het geïnde bestaat uit geld door het te storten op een kwaliteitsrekening. Ook op deze wijze zou de vermogensscheiding kunnen worden bewerkstelligd waar het systeem van de wet van uitgaat. Op het geïnde kan een substitutiepandrecht rusten dat behoort tot het overige vermogen van de pandhouder.5
Wat heeft de wetgever beoogd? De ratio van de regel van art. 3:246 lid 5 BW lijkt de volgende te zijn. De inningsbevoegdheid van de pandhouder kan ontstaan voordat hij zich op het verpande mag verhalen.6 Zolang de pandhouder niet bevoegd is zich uit het geïnde te voldoen, dienen de posities van de belanghebbenden, de pandgever en de eventuele overige pandhouders, ten aanzien van het geïnde zoveel mogelijk gelijk te zijn aan de posities die zij hadden ten aanzien van de geïnde vordering (zie ook hierna paragraaf 11.5.3). Aan deze ratio wordt het meeste recht gedaan als de pandgever rechthebbende van het geïnde wordt. De betaling als bedoeld in art. 3:246 lid 1 BW leidt er, op grond van het bepaalde in lid 5 van dat artikel, naar geldend recht mijns inziens dan ook toe dat de pandgever de rechthebbende van het betaalde wordt.7
Is sprake van een geldvordering die wordt geïnd op een door de pandhouder aangehouden kwaliteitsrekening, of wordt het geïnde daarop gestort, dan is het mijns inziens echter wenselijk dat niet de pandgever, maar de pandhouder rechthebbende van het saldo (één of meer vorderingen op de bank waarbij de rekening wordt aangehouden) is. Het is namelijk niet wenselijk dat degene die bij de bank en mogelijk ook bij derden bekend is als rekeninghouder, niet de rechthebbende van het rekeningsaldo is. In paragraaf 11.5.3.1 wordt om die reden een voorstel gedaan voor een wettelijke regeling voor een door de pandhouder aan te houden kwaliteitsrekening waarbij de pandhouder rechthebbende van het saldo is, maar dit saldo geen deel uitmaakt van zijn overige vermogen. Voor zover het geïnde niet uit giraal geld bestaat is er geen reden om de pandgever niet als de rechthebbende daarvan te beschouwen. In het navolgende wordt er dan ook van uitgegaan dat bij inning van een verpande vordering tot levering het te leveren goed aan de pandgever moet worden geleverd.