Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.3.1
3.4.3.1 Inleiding
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471937:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Ook verhandelingen in de literatuur over het begrip “vordering” zijn schaars, in tegenstelling tot de verhandelingen over de overdracht van dit type goed.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-I* 2012/ 33.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-I* 2012/32. Vgl. Snijders & Rank-Berenschot 2012/8.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-I* 2012/6, 7 en 16.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-I* 2012/16.
Vgl. art. 3:296 BW. Zie hierover Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012/20 en 22.
Vgl. HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285, m.nt. P. Scholten (Staat/Buitenlandsche Bankvereeniging).
Vgl. HR 19 april 2002, NJ 2002/456, m.nt. M.M. Mendel (Zürich/Lebosch) over een vordering uit een overeenkomst uit een verzekeringsovereenkomst die aan toonder luidde. Zie ook Zwitser 2006/4.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/250.
Vgl. HR 19 april 2002, NJ 2002/456, m.nt. M.M. Mendel (Zürich/Lebosch); Zwitser 2006/3 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/250. Zie voor de leveringsformaliteiten art. 3:93 BW en voor de vertrouwensbescherming onder meer de art. 6:146-148 BW.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/207 en 326; Scheltema/Meijer 1993, p. 63-64 en HR 14 juni 1940, NJ 1940/913.
Vgl. Scheltema/Meijer 1993, p. 29.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II 2013/207 en 326. Zie ook Scheltema/Meijer 1993, p. 63-65. Bij het gebruik van een wissel kunnen naast de trekker (art. 108 WvK) ook de acceptant (art. 127 WvK), de endossant (art. 114 WvK) en de avalist (art. 131 WvK) zich verbinden om de wisselbrief op de vervaldag te betalen.
85. Het begrip vorderingsrecht wordt in de wet niet nader omschreven.1 Met een vorderingsrecht of, kortweg, vordering, wordt gedoeld op de actieve zijde van een verbintenis, oftewel het recht van de schuldeiser op de prestatie. De passieve zijde van een verbintenis, oftewel de plicht voor de schuldenaar tot het verrichten van de prestatie, wordt aangeduid als schuld.2 Met het begrip vorderingsrecht wordt aldus het materiële recht uit de verbintenis van de schuldeiser aangeduid. Dit recht moet worden onderscheiden van het begrip rechtsvordering, waarmee wordt gedoeld op het processuele recht om de prestatie (in rechte) te vorderen.3
Het al dan niet bestaan van een vordering houdt ten nauwste verband met het bestaan van een (materiële aanspraak uit een) verbintenis. Ook dit elementaire begrip wordt door de wet niet omschreven. Onder verbintenis wordt verstaan een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen, krachtens welke de een (de schuldeiser) jegens de ander (de schuldenaar) is gerechtigd tot een prestatie (het voorwerp der verbintenis) en de ander daartoe is verplicht.4 De vordering, als het recht uit de verbintenis is daarmee altijd een aanspraak op een persoon.5 Naar gelang de inhoud van de verschuldigde prestatie wordt onderscheiden tussen verbintenissen tot een geven, een doen of een nalaten.6
Het ontstaansmoment van een vordering is in abstracto eenvoudig. Doorslaggevend voor het al dan niet bestaan van een vordering is het vaststaan van de verschuldigdheid van een prestatie.7 Dit uitgangspunt doet recht aan het karakter van de vordering als de actieve zijde van een verbintenis. Een vordering ontstaat zodra de ene persoon (de schuldeiser) jegens de andere persoon (de schuldenaar) wordt gerechtigd tot een prestatie en de ander jegens de een daartoe wordt verplicht. Hiermee is nog niet gezegd welke omstandigheden in concreto bepalen of een vordering reeds is ontstaan of vooralsnog toekomstig is.
86. Vorderingsrechten worden onderscheiden in vorderingen op naam enerzijds en vorderingen aan toonder of order anderzijds. Vorderingsrechten op naam zijn de meest gangbare vorm. Het zijn al die vorderingen die niet als toonder- of ordervorderingen hebben te gelden.
In beginsel kan elk vorderingsrecht aan toonder of order worden gesteld.8 Dit kan men bewerkstelligen door het opmaken van een daartoe strekkend papier. De schuldenaar verplicht zich de vordering aan toonder te voldoen aan degene die zich als rechthebbende op de vordering kan legitimeren door het tonen van het papier. Bij een vordering aan order verplicht de schuldenaar zich de vordering te voldoen aan de daarin met naam genoemde schuldeiser of, indien de schuldeiser hem daartoe – door een aantekening op het papier – opdracht (order) geeft, aan iemand anders.9 Het toonder- of orderstuk fungeert in het handelsverkeer als een bewijsstuk van de onderliggende rechtsverhouding, als een legitimatiemiddel van de houder als gerechtigde tot de daaruit voortvloeiende vordering en als een middel voor een gemakkelijke overdracht van de vordering.10
In het navolgende zal slechts het ontstaansmoment voor vorderingen op naam aan bod komen. De reden daarvoor is dat het stellen van een vordering aan toonder of order in beginsel geen invloed heeft op het ontstaansmoment van een vordering. In de regel beogen partijen daarmee slechts een regeling te treffen voor de wijze van betaling van de vordering. Behoudens andersluidende afspraak, vindt door het stellen aan toonder of order bijvoorbeeld geen novatie plaats.11 Dit uitgangspunt valt mede te herleiden uit art. 6:46 lid 1 BW dat bepaalt dat wanneer de schuldeiser een cheque, postcheque, overschrijvingsorder of een ander hem bij wijze van betaling aangeboden papier in ontvangst neemt, wordt vermoed dat dit geschiedt onder voorbehoud van goede afloop. De oorspronkelijke vordering wordt hierdoor niet geraakt. Omgekeerd leidt het tenietgaan van het toonder- of orderstuk als uitgangspunt niet tot het tenietgaan van de daarin belichaamde vordering. De vordering blijft bestaan en de schuldeiser mag haar met alle middelen bewijzen.12 Met het voorgaande is niet gezegd dat door het gebruik van handelspapier geen nieuwe vorderingen kunnen ontstaan naast de oorspronkelijke. Zo vloeien uit een wisselbrief verbintenissen voort die naast de oorspronkelijke verbintenis staan.13 Deze bijzonderheden van het gebruik van waardepapieren en de mogelijkheden om door het gebruik daarvan vorderingen te scheppen, blijven hierna buiten beschouwing.