Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/5.6.4
5.6.4 Belanghebbenden
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706199:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een niet-belanghebbende kan bij de procedure niettemin door de rechtbank worden gehoord. Zie bijv. Rb. Amsterdam 10 en 23 september 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ8848 (Citibank/Schoeler Arca); Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.2.5 (Delma Projectontwikkeling).
Zie HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387 (Veldhof/Woltjer Stichting).
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/77 met verwijzingen naar de reeks arresten van de Hoge Raad waaruit deze maatstaf blijkt.
Zie Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.2 (Delma Projectontwikkeling); Rb. Rotterdam 17 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9408, r.o. 4.1 (AmbuCare). Rb. Amsterdam (NCC) 8 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1637, r.o. 6.6 (Airopack); Rb. Amsterdam 11 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4523, r.o. 4.2 (HEMA). Het Procesreglement verzoekschriftprocedures 2021 definieert belanghebbende in art. 1.1.3 als ‘degene tegen wie een verzoek in eerste aanleg is gericht of wiens rechten en verplichtingen rechtstreeks [cursivering TH] bij een verzoek zijn betrokken of die anderszins als belanghebbende moet worden aangemerkt’. Anders en ruimer is Rb. Amsterdam (NCC) 23 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3563 r.o. 4.2 (Eagle Super Global Holding). waarin de rechtbank overweegt ‘Anyone having information on that topic should be heard in court’.
In gelijke zin De Bruijn & Menasalvas Garrones 2021, §2.2; Verburgt 2014, §9.1; Damkot & Neuteboom 2010, p. 116; Van Gasteren 2010, p. 20.
Zie Rb. Rotterdam 17 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9408 (AmbuCare) over het geval waarin de pandhouder van de met pandrecht op aandelen gesecureerde vordering meende belanghebbende te zijn.
Zie De Bruijn & Menasalvas Garrones 2021, §2.2 die een beroep doen op het stelsel van de wet en bij een ruimere uitleg vrezen voor een onwerkbare situatie; Orbán & Kuitenbrouwer 2019, p. 194 die het de doos van Pandora noemen.
Zie ook Struycken, in JOR 2022/249, die drie perspectieven onderscheid en wijst op de rol van de vereisten van due process en het recht van hoor en wederhoor.
Vgl. Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.2 (Delma Projectontwikkeling); (impliciet) Rb. Amsterdam (NCC) 23 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3563 bij nr. 1 (Eagle Super Global Holding). In gelijke zin Burgers 2017, p. 107 en 117; Verburgt 2014, §9.1; Damkot & Neuteboom 2010, p. 116; Van Gasteren 2010, p. 20. Anders: De Bruijn & Menasalvas Garrones 2021, §2.2.
In gelijke zin Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.2 (Delma Projectontwikkeling); Bij beslagexecutie noemt de minister medeaandeelhouders wel zonder voorbehoud als belanghebbend, zie Kamerstukken II 1970/71, 11 288, nr. 3, p. 6 (MvT).
Vgl. Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.2 (Delma Projectontwikkeling); Rb. Amsterdam (NCC) 23 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3563 bij nr. 1 (Eagle Super Global Holding). In gelijke zin Verburgt 2014, §9.1; Damkot & Neuteboom 2010, p. 116; Van Gasteren 2010, p. 20. Anders: De Bruijn & Menasalvas Garrones 2020, §2.2.
In gelijke zin Rb. Amsterdam 23 september 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ8848 (Citibank/Schoeler Arca); Damkot & Neuteboom 2010, p. 116.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 10 en 23 september 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ8848 (Citibank/Schoeler Arca); Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.2.5 (Delma Projectontwikkeling).
Vgl. Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.2.2 (Delma Projectontwikkeling). In gelijke zin Orbán & Kuitenbrouwer 2019, p. 194.
Vereenzelviging tussen rechtspersonen wordt slechts in zeldzame gevallen aangenomen, zie HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480 (Rainbow).
Zie bijv. Rb. Amsterdam (NCC) 8 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1637, r.o. 6.6 (Airopack). Zie voor een zaak waarin een medeschuldenaar belanghebbende was Rb. Amsterdam (NCC) 23 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3563 bij nr. 1 (Eagle Super Global Holding).
Vgl. Rb. Amsterdam 23 augustus 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY1439, r.o. 4.2.3 (Delma Projectontwikkeling). Anders Rb. Amsterdam (NCC) 8 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1637, r.o. 6.6 (Airopack), waarin de rechtbank een garant aanmerkt als belanghebbende, omdat op hem een moratorium naar Zwitsers recht van kracht was. Een concurrent schuldeiser is geen belanghebbende volgens Rb. Amsterdam 11 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4523, r.o. 4.4 (HEMA).
Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/77 met verwijzingen naar de reeks arresten van de Hoge Raad waaruit deze maatstaf blijkt.
222. Bij pandexecutie met toestemming van de rechtbank speelt de vraag wie daarbij belanghebbend is. Dit is relevant voor de kwestie wie er in de procedure wordt opgeroepen (art. 279 lid 1 Rv) en verweer mag voeren tegen het verzoek (art. 282 lid 1 Rv). Ook is dit van belang voor de kwestie wie recht heeft op inzage, en afschriften krijgt van het verzoekschrift, de eventuele verweerschriften en de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal (art. 290 lid 1 Rv).1 In algemene zin geldt bij een verzoekschriftprocedure dat wie belanghebbende is, moet worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen.2 Daarbij speelt een rol in hoeverre iemand door de uitkomst van de procedure zodanig in zijn eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.3 Deze algemene in de rechtspraak ontwikkelde norm vindt ook toepassing bij een procedure op grond van artikel 3:251 lid 1 BW.4 Daaruit kan worden afgeleid dat in ieder geval belanghebbend zijn: de pandgever, hoger en lager gerangschikte pandhouders, vruchtgebruikers en beslagleggers ten aanzien van de aandelen.5 Al deze betrokkenen worden immers door de verzochte executiewijze in hun eigen belang geraakt (vgl. art. 3:251 lid 2 tweede volzin BW).6
223. Andere personen die interesse kunnen hebben bij de procedure zijn: de beoogd executiekoper, andere geïnteresseerde kopers, de vennootschap zelf, de middellijk of onmiddellijk aandeelhouder(s) van de pandgever, de medeaandeelhouder(s) van de pandgever, een borg, hoofdelijk medeschuldenaar of garant van de gesecureerde vordering. Het aantal belanghebbenden is in potentie dus vrij groot. In de literatuur is op grond van praktische overwegingen en met een beroep op het systeem van artikel 282 Rv opgeroepen tot een strikte interpretatie van het belanghebbendenbegrip bij de pandexecutieprocedure.7 Zelf voel ik juist meer voor een ruimere benadering van het belanghebbende begrip, en ben onder andere van mening dat de vennootschap waarvan de aandelen zijn verpand altijd belanghebbende is. Een ruime uitleg past mijns inziens het best bij de ernst en de aard van pandexecutie bij aandelen en draagt bij aan de rechtsbescherming van bij de executie betrokkenen.8 Ik licht dat hierna per categorie toe.
- De vennootschap waarvan de aandelen worden geëxecuteerd
224. Uit de aard van de procedure volgt mijns inziens dat de vennootschap zonder meer belanghebbende is.9 Het eigen belang van de vennootschap is weliswaar niet vermogensrechtelijk, maar vanuit vennootschapsrechtelijk perspectief wordt zij getroffen in haar eigen belang (vgl. art. 995 lid 3 Rv). Ook die belangen spelen bij de executie een rol, hoewel deze niet doorslaggevend zijn bij de toewijzing van het verzoek (§5.7.1). Bij de verzoekschriftprocedure bij beslagexecutie van aandelen wordt de vennootschap dan ook terecht bij wet aangemerkt als een belanghebbende (art. 474g lid 2 Rv).
- De medeaandeelhouders
225. Medeaandeelhouders zijn mijns inziens niet steeds belanghebbenden.10 Zowel hun vermogensrechtelijke belang als hun vennootschapsrechtelijke belang worden bij de executie van aandelen namelijk niet per se geraakt. Wel zijn er situaties denkbaar dat hun vennootschappelijke belang met de executie is gemoeid. Een voorbeeld van zo’n situatie is de toepasselijkheid van een blokkeringsregeling. Bij de executie van een pandrecht op aandelen is de naleving daarvan immers verplicht (§5.4). Daarom geldt dat een medeaandeelhouder in dat geval in zijn eigen belang kan worden getroffen, waardoor hij bij de procedure behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. Hij is ten minste belanghebbende als er een verzoek is gedaan tot tijdelijke buitenwerkingstelling van de blokkeringsregeling op grond van artikel 2:195 lid 7 BW (§5.4.3).
- De beoogd executiekoper en andere geïnteresseerde kopers
226. Als aan de voorzieningenrechter toestemming wordt verzocht voor een concrete onderhandse verkoop, dan is de beoogd koper mijns inziens zonder meer belanghebbende gelet op de maatstaf die in de rechtspraak is ontwikkeld.11 Met de toewijzing of de afwijzing van het verzoek is immers zijn eigen belang gemoeid. Bovendien is hij nauw betrokken bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld: de goedkeuring voor executie conform de overeenkomst tussen hem en de pandhouder. Een tweede geïnteresseerde koper is mijns inziens niet steeds een belanghebbende.12 Hetzelfde geldt voor potentiële kopers, wanneer er goedkeuring wordt verzocht voor een executiewijze in plaats van een verkoopovereenkomst. Zonder een concrete koopovereenkomst is hun eigen belang vooralsnog onvoldoende gemoeid met de executie en niet kan worden gezegd dat zij nauw betrokken zijn bij het onderwerp van de procedure. In bijzondere gevallen kan de rechtbank met het oog op het gevraagde verlof besluiten om deze personen te horen.13
- De (indirect) aandeelhouder van de pandgever
227. Een aandeelhouder en een indirect aandeelhouder van de pandgever zijn mijns inziens niet steeds belanghebbenden.14 Hun eigen belang, zowel in vermogensrechtelijk als in vennootschapsrechtelijk opzicht, wordt daarvoor mijns inziens onvoldoende direct geraakt. Vermogensrechtelijk moet er duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen het vermogen van de pandgever en diens aandeelhouder. Dat de wijziging van de vermogenspositie veroorzaakt door executoriale verkoop van de aandelen doorwerkt in de vermogenspositie van de aandeelhouder van de pandgever, is mijns inziens op zichzelf onvoldoende om belanghebbende te zijn. Het belang van een aandeelhouder van de pandgever lijkt mij een voorbeeld van een afgeleid belang, dat mijns inziens niet voor bescherming in deze procedure in aanmerking kan komen. Ook vennootschapsrechtelijk kan in beginsel niet worden gezegd dat er sprake is van een eigen belang.15 Bijkomende omstandigheden kunnen echter aanleiding geven voor het oordeel dat er toch sprake is van belanghebbendheid. Een (veelvoorkomend) voorbeeld daarvan is de omstandigheid dat de directe aandeelhouder van de pandgever geen andere activiteit ontplooit dan het houden van de verpande aandelen.16
- De borg, de hoofdelijk medeschuldenaar, en de garant bij de gesecureerde vordering
228. Voor zover een borg, een hoofdelijk medeschuldenaar, of een garant van de gesecureerde vordering geen beslag heeft gelegd op de aandelen voor een (toekomstige) regresvordering op de pandgever is hij mijns inziens niet steeds belanghebbende.17 Weliswaar is er sprake van enig vermogensrechtelijk belang bij de executie – hoe kleiner de restschuld na de executie, hoe gunstiger dat is voor hun eigen vermogenspositie – maar niet elk vermogensrechtelijk belang is mijns inziens voldoende. Als schuldeisers hebben zij slechts in algemene zin aanspraak op het vermogen van de schuldenaar (art. 3:276 BW). Omdat zij geen op bewaring of uitwinning gerichte handeling hebben verricht ten aanzien van de aandelen, zijn zij mijns inziens gelet op de aard van de procedure onvoldoende nauw betrokken bij het verzoek in de zin van de in de jurisprudentie ontwikkelde maatstaf.18