Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg
Einde inhoudsopgave
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.2.1:7.2.1 Totstandkomingsgeschiedenis Wet Avv: doelen en bezwaren
Een juridisch onderzoek naar de representativiteit van vakbonden in het arbeidsvoorwaardenoverleg (MSR nr. 74) 2019/7.2.1
7.2.1 Totstandkomingsgeschiedenis Wet Avv: doelen en bezwaren
Documentgegevens:
Mr. N. Jansen, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. N. Jansen
- JCDI
JCDI:ADS401740:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Idem, p. 4.
Idem, p. 4.
Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring cao-bepalingen (AVV), paragraaf 1.
Idem, p. 15.
Idem, p. 16.
Idem, p. 16.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de wetgeschiedenis volgt dat met de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet Avv) drie doelen werden nagestreefd. Met de verbindendverklaring van cao-bepalingen wilde de minister in de eerste plaats de waarde van de cao voor het bedrijfsleven behouden. De minister wees erop dat cao’s rust en orde hadden gebracht. Werkgevers kunnen door cao’s betere prijsberekeningen maken op basis van arbeidsvoorwaarden die ook door concurrenten in acht dienen te worden genomen en tegelijkertijd is voor werknemers het niveau van de arbeidsvoorwaarden sterk verbeterd ten opzichte van de periode waarin op individueel niveau over arbeidsvoorwaarden werd onderhandeld. Volgens de minister zouden deze voordelen goeddeels verdwijnen wanneer werkgevers de keuzevrijheid hebben, ook wanneer een cao voor de grote meerderheid van de bedrijfstak geldt, buiten de werking van de cao te blijven. Werkgevers die buiten de werking van een cao bleven kunnen immers tegen slechtere arbeidsvoorwaarden werk aanbieden dan georganiseerde werkgevers en hun daardoor scherpe concurrentie aandoen. Deze scherpe concurrentie zou er vervolgens toe kunnen leiden dat werkgevers die eerst georganiseerd waren, hun lidmaatschap opzeggen om hun vrijheid op het terrein van de onderhandeling over arbeidsvoorwaarden te herkrijgen. Als meer werkgevers zich zouden onttrekken aan de organisatie zou het vervolgens steeds moeilijker worden nieuwe cao’s aan te gaan. Met de verbindendverklaring zou de waarde van de cao voor het bedrijfsleven (werkgevers en werknemers) aldus behouden blijven.1
Het tweede doel van de verbindendverklaring hield verband met de wijze waarop door het georganiseerde bedrijfsleven in de praktijk werd gereageerd op (scherpe) concurrentie op arbeidsvoorwaarden door ongeorganiseerden. Een van de manieren om die concurrentie tegen te gaan was het verplichte lidmaatschap dat meebracht dat georganiseerde werkgevers werden verplicht alleen georganiseerde werknemers in dienst te nemen en georganiseerde werknemers verplicht werden alleen bij georganiseerde werkgevers in dienst te treden (zogenoemde closed shop-bepalingen). Dit systeem van verplicht lidmaatschap vond de minister onwenselijk.2 Door de verbindendverklaring werd het verplichte lidmaatschap overbodig.
Een laatste doel van de verbindendverklaring was volgens de minister dat het cao-overleg bevorderd zou worden, waardoor de arbeidsvoorwaarden in het bedrijf zoveel mogelijk door betrokken zelf zouden worden vastgesteld. Hoe meer wordt vastgesteld door betrokkenen zelf, des te meer kan ingrijpen door de wetgever afwezig blijven.3 In het huidige Toetsingskader AVV waarin nadere regels zijn gesteld ten aanzien van de verbindendverklaring worden de stimulering van het cao-overleg en de zelfregulering door sociale partners als voornaamste doelen van de verbindendverklaring genoemd.4
Bezwaren tegen de verbindendverklaring waren er ook. Enkele Tweede Kamerleden vreesden een verstarring van de economie als gevolg van de verbindendverklaring.5 Zij merkten op dat het Nederlandse bedrijfsleven zich snel aan de veranderde economische omstandigheden op de internationale markt zou moeten kunnen aanpassen en dat daartoe ook aanpassing van de arbeidsvoorwaarden nodig zou moeten zijn. De verbindendverklaring verhinderde dat te veel. Overigens richtte dit bezwaar zich niet alleen tegen de verbindendverklaring maar ook tegen de cao zelf. De minister merkte ten aanzien van dit bezwaar op dat het bedrijfsleven bij veranderingen van economische omstandigheden vaak niet direct overgaat tot een verlaging van arbeidsvoorwaarden, maar eerst via andere wegen tracht eventuele moeilijkheden het hoofd te bieden (lees: andere kostenbesparende maatregelen neemt).6 Daarbij kwam volgens de minister dat de verbindendverklaring veelal slechts van korte duur is. Al te belemmerend werkt de verbindendverklaring dus niet. Een ander argument tegen de verbindendverklaring was dat de mogelijkheid van verbindendverklaring een stap in de richting van grotere overheidsbemoeienis met betrekking tot de loonvorming zou zijn. Hiertegenover stelde de minister dat dit niet aan de orde was, omdat de verbindendverklaring juist meebracht dat een belangrijk gedeelte van de arbeidsvoorwaardenvorming aan het betrokken bedrijfsleven overgelaten zou worden. Weer een ander tegenargument hield verband met vrijheid van werkgevers zich niet te organiseren. Die vrijheid zou gerespecteerd moeten blijven. De minister erkende dat de individuele vrijheid een belangrijk ‘rechtsgoed’ is, maar stelde dat wanneer die vrijheid tot gevolg heeft dat het scheppen van behoorlijke verhoudingen tussen werkgevers en werknemers wordt belemmerd, die vrijheid plaats behoort te maken voor gebondenheid.7 De minister vond het gerechtvaardigd regelingen die door de grote meerderheid van een sector nodig worden geacht voor een goede werking van het bedrijfsleven of het scheppen van behoorlijke arbeidsvoorwaarden, ook aan de minderheid op te leggen, indien de vrijheid van de minderheid voornoemde belangen schaadt. “Kan het ongewenscht heeten, dat een minderheid door een meerderheid tot iets gedwongen wordt, nog ongewenschter zal het in de regel zijn, wanneer het omgekeerde geschiedt.”, aldus de minister.8 De meerderheid van de Tweede Kamerleden was het eens met de minister van Sociale Zaken en in 1939 is de Wet Avv in werking getreden.
Samengevat: de doelen van de verbindendverklaring waren de bescherming van de cao en de stimulering van het cao-overleg alsmede zelfregulering door werkgevers en werknemers op het terrein van arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden, terwijl tegenstanders vooral wezen op economische verstarring, overheidsbemoeienis met de loonvorming en inbreuk op de individuele contractsvrijheid. Daar waar art. 14 Wet Cao verhindert dat aan werknemerszijde de cao wordt uitgehold, verhindert de verbindendverklaring dit aan werkgeverszijde.