Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.3.2.3
5.3.2.3 Kosten
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS302935:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht (6:96 lid 2 sub a BW).
Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (6:96 lid 2 sub b BW).
Redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (6:96 lid 2 sub c BW).
HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537 en Hendriksen & Rammeloo (2008), p. 952 e.v.
Lindenbergh (2014), nr. 41a.
Lindenbergh (2014), nr. 41a.
Lindenbergh (2014), nr. 41 met verwijzing naar HR 13 oktober 2006, NJ 2008/527 (Vied’Or).
HR 13 oktober 2006, NJ 2008/527 r.o. 8.2.2 (Vie d’Or).
Model Algemene voorwaarden variant 1, zoals op 19 juni 2017 gedeponeerd bij de Griffie van de Rechtbank te Amsterdam onder nummer 39/2017.
Tjong Tjin Tai (2007b), p. 226-231 en RB Utrecht, 12 mei 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM4250.
Bierbooms (2005).
Conform artikel 6:96 BW wordt als vermogensschade tevens vergoed: (i) bereddingskosten,1 (ii) administratie- en expertisekosten 2 en (iii) incassokosten. 3 Zoals reeds opgemerkt in paragraaf 3.6 kunnen de kosten van een tuchtprocedure niet als administratie- en expertisekosten worden beschouwd.4 Het voeren van een tuchtrechtelijke procedure wordt – vanwege haar van de civiele aansprakelijkheidsprocedure afwijkende doel en vormgeving – niet aangemerkt als redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid.5 De ter zake van de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid door deskundigen gemaakte kosten komen wel binnen de grenzen van de redelijkheid voor vergoeding in aanmerking.6 Dat geldt ook voor kosten van een collectieve actie met betrekking tot aansprakelijkheid (artikel 3:305a BW), zoals bij het Vie d’Or geschil.7
De Hoge Raad overweegt in het Vie d’Or arrest ter zake de door de (claim)stichting Vie d’Or gemaakte kosten van een collectieve actie8: ‘Een redelijke uitleg van art. 3:305a BW in verbinding met art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW brengt mee dat, indien in een procedure op de voet van art. 3:305a BW de rechtspersoon een verklaring voor recht vordert dat degene tegen wie die rechtsvordering is ingesteld onrechtmatig heeft gehandeld of in zijn verplichtingen is tekortgeschoten en uit de toewijzing van deze vordering volgt dat de betrokkene op grond van een wettelijke verplichting aansprakelijk is voor de schade die de personen wier belangen worden behartigd als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust hebben geleden, de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Daaraan doet niet af dat de rechtspersoon deze kosten zelf heeft gemaakt en dat de aangesprokene voor de schade jegens de rechtspersoon zelf niet aansprakelijk is’.
Met betrekking tot de aansprakelijkheid jegens opdrachtgevers, is tot slot het volgende relevant. In het model Algemene voorwaarden9 zoals door de NBA geadviseerd, is de volgende clausule opgenomen: ‘Opdrachtnemer is niet aansprakelijk voor indirecte schade, daaronder begrepen: gederfde winst, gemiste besparingen, schade door bedrijfsstagnatie en andere gevolgschade of indirecte schade die het gevolg is van het niet, niet tijdig of niet deugdelijk presteren door Opdrachtnemer’ (artikel 11 lid 2). De begrippen gevolgschade en indirecte schade zijn niet in de algemene voorwaarden gedefinieerd. In de literatuur en jurisprudentie is geen sprake van een vaste definitie van de begrippen gevolgschade en indirecte schade.10 Dat betekent dat er twist over kan ontstaan.11