HR, 11-01-2019, nr. 18/01429
18/01429
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-01-2019
- Zaaknummer
18/01429
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:30, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑01‑2019; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑01‑2019
- Vindplaatsen
NLF 2019/0182 met annotatie van Nicoline Bergman
BNB 2019/50 met annotatie van F.J.P.M. Haas
JOM 2019/255
FED 2019/47 met annotatie van M.H.W.N. Lammers
NTFR 2019/166 met annotatie van Mr. P.A. Caljé
FutD 2019-0077
Viditax (FutD) 2019011114
Uitspraak 11‑01‑2019
Partij(en)
11 januari 2019
Nr. 18/01429
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 22 februari 2018, nr. SGR 17/6161, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven boetebeschikking. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1. Het geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
De Rechtbank heeft verworpen het betoog van belanghebbende dat voor het instellen van haar beroep, dat uitsluitend een verzuimboete betreft, niet de betaling van griffierecht mag worden geëist omdat evenmin griffierecht is verschuldigd voor de behandeling van strafrechtelijke geschillen door de strafrechter.
2.2.
De middelen richten zich tegen de verwerping van het hiervoor in 2.1 weergegeven betoog van belanghebbende. De middelen doen daartoe een beroep op de artikelen 6 en 13 van het EVRM almede op het gelijkheidsbeginsel.
2.3.1.
Anders dan middel 1 betoogt, verzetten de artikelen 6 en 13 EVRM zich niet tegen de heffing van griffierecht voor de behandeling van een beroep over een bestuurlijke boete. Strijdigheid met die bepalingen doet zich pas voor indien een zodanig bedrag aan griffierecht wordt geheven, dat dit - mede gelet op de voor de belastingplichtige in het geding zijnde belangen - een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt (vgl. HR 10 januari 2001, nr. 35782, ECLI:NL:HR:2001:AA9393, en ook EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803, paragraaf 48). Uit de uitspraak van de Rechtbank of de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende voor de Rechtbank heeft aangevoerd dat voor haar het verschuldigde bedrag aan griffierecht - mede gelet op de voor haar in het geding zijnde belangen - een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter heeft gevormd. Het middel faalt daarom.
2.3.2.
Middel 2 verzet zich in wezen tegen de wettelijke regeling die heffing van griffierecht voorschrijft (artikel 8:41 Awb), omdat griffierecht is verschuldigd voor de behandeling door de bestuursrechter van beroepen tegen opgelegde bestuurlijke boeten, maar niet bij de behandeling van strafrechtelijke geschillen door de strafrechter.
Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen (zie Kamerstukken II, 1984/85, 18 835, nr. 3, blz. 6, en Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Niet kan worden gezegd dat dit oordeel van de wetgever evident van iedere redelijke grond is ontbloot. Gelet op de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid kan daarom niet worden gezegd dat het hiervoor bedoelde onderscheid met strafzaken, als al kan worden gesproken van gelijke gevallen, een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbeert. Van een ongelijke behandeling in strijd met enige voor Nederland bindende verdragsbepaling is geen sprake. Middel 2 faalt daarom ook.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2019.
Beroepschrift 11‑01‑2019
Edelgrootachtbare Vrouwe, Heer,
Door deze kom ik terug op mijn eerder ingediende pro-forma cassatie beroep tegen het besluit van de rechtbank op mijn verzet tegen de niet ontvankelijk verklaring van het beroepschrift. Het besluit betreft het heffen van een griffierecht bij een administratief beroep in een geval waaarin uitsluitend geprocedeerd wordt over het administratieve strafrecht.
Tegen het besluit breng ik de volgende cassatiemiddelen naar voren:
1.
Schending van het recht in bijzonder het ook in Nederland geldende Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna ook: EVRM) met name de artikelen 6 en 13.
2.
Schending van het recht in bijzonder het in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur vervatte gelijkheidsbeginsel door bij heffen van griffierecht in het bestuursrecht geen rekening te houden met (in het bestuursrecht geregelde) strafrechtzaken waardoor in deze strafrechtzaken bij de toegang tot de rechter ten onrechte een ongelijkheid optreedt in de behandeling van mensen in het bestuursrechtelijk strafrecht en in het commune strafrecht op grond van het desbetreffende wetboek.
Toelichtingen
Toelichting op cassatiemiddel 1
Het heffen van een griffierecht beperkt het recht op toegang tot een rechtsmiddel. Dat is in strijd met het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel zoals verwoord in artikel 13 van het EVRM. Hoewel wij het als belanghebbende hartgrondig oneens zijn met de jurisprudentie op dit punt is het algemeen aanvaard dat griffierecht geheven mag worden zolang dit recht de toegang niet belemmerd. Min- dan wel onvermogende dienen ondersteund worden als dit voor de toegang tot het daadwerkelijke rechtsmiddel noodzakelijk is.
In cassatiemiddel 2 zal ik namens belanghebbende uitgebreid ingaan op de discriminatie op dit punt in dit middel volsta ik met te stellen dat het griffierecht als zodanig een belemmering is voor de toegang tot de rechter en dat dit in zaken ‘bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging’ (artikel 6 EVRM) ons inziens ten onrechte is. Dat de wetgever dit met ons eens is mag blijken uit het feit dat in zaken die op grond van het wetboek van strafrecht aangebracht worden geen griffierecht wordt geheven. Het bevreemd dan dat in het bestuursrecht niet voorzien is in een vrijstelling voor zuivere strafrecht zaken. Ik kan niet anders dan concluderen dat dit een onmissie van de wetgever is die in strijd met eerder genoemd artikel 13 de toegang tot het aldaar genoemde rechtsmiddel beperkt.
Het door de rechtbank geheven griffierecht is op grond van toelichting op dit cassatiemiddel ten onrechte. De beslissing tot niet ontvankelijkheid op grond van de gemotiveerde niet betaling daarvan is, doordat deze de toegang tot het rechtsmiddel onmogelijk maakt, in strijd met het genoemde artikel 13 van het EVRM.
Toelichting op cassatiemiddel 2
De mogelijkheid om straf op te leggen is vastgelegd in de wet. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. Het maakt in beginsel niet uit of er sprake is van ‘gewoon’ strafrecht of van ‘fiscaal’ strafrecht. Straf is straf, strafrecht is strafrecht. Ook het strafrecht dat niet in het desbetreffende wetboek staat, is strafrecht en is onderworpen aan de grondwet en de waarborgen van het EVRM.
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Dit geldt dan ook bij de beoordeling van een strafbaar feit die een belanghebbende, wellicht verdachte, wellicht (mede)pleger, gepleegd zou hebben. Daarin mag op grond van de Grondwet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het EVRM geen onderscheid worden gemaakt.
Toch wordt er onderscheidt gemaakt bij de behandeling van verschillende zaken. Belastingrecht is onderdeel van het bestuursrecht. De wetgever heeft om haar moverende redenen gevonden dat de bestraffing van overtredingen en misdrijven, volgende uit een opzettelijke onjuist toepassen van de belastingregels, waardoor te weinig belasting wordt geheven, geregeld wordt in het bestuursrecht. Dat zo zijnde, is op de rechtelijke toetsing van het gepleegde feit en de toemeting van de strafmaat het bestuursrecht van toepassing.
Nu gaat het niet aan op grond van welk recht iemand bestraft wordt. Als hij (die strafoplegging) aan een rechtelijke toets wenst te laten onderwerpen dan heeft hij recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Gelukkig heeft hij die toegang ook via het bestuursrecht, maar helaas is die toegang niet onbelemmerd zoals in het strafrecht.
Waar in het strafrecht de wetgever ervoor gekozen heeft geen griffierecht ta (laten) heffen, wordt in het bestuursrecht per definitie griffierecht geheven. Een ongelijkheid die — als het gaat om zaken waarin alleen de strafoplegging in beroep bestreden wordt — niet in lijn is met het recht op gelijke behandeling.
Dat ‘fiscaal’ strafrecht anders behandeld kan worden dan het ‘gewone’ strafrecht, is allang door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens verworpen. Alle rechten die een belanghebbende, wellicht verdachte, wellicht (mede)pleger heeft op grond van het EVRM heeft hij in gelijke mate op grond van welke bepaling de straf ook wordt opgelegd. Het feit dat in deze zaak het strafbare feit zijn grond vindt in een bepaling van bestuursrecht is geen grond voor een andere behandeling.
Dat in het bestuursrecht — waar het betreft beroepen tegen het onjuist toepassen van niet strafrechtelijke bepalingen — een griffierecht wordt geheven, is geen reden om die heffing achterwege te laten als in degelijke zaken ook verweer wordt gevoerd tegen de strafoplegging. Als dan is het heffen van een griffierecht gerechtvaardigd door de overige fiscaal inhoudelijke aspecten van de zaak.
Dat wordt evenwel anders als de bestuursrechtelijke zaak alleen maar handelt over de strafrechtelijke aspecten. Oftewel een bestuursrechtelijke zaak die gaat over de vragen of en zo ja sprake is van een opzettelijke overtreding van het fiscale recht met het oogmerk om ‘te weinig belasting te betalen’, zonder te treden in de onderliggende fiscale aspecten waarover geen verschil van mening bestaat, dan ontbreekt een zuivere bestuursrechtelijke vraag en is alleen sprake van een (zuivere) strafrechtelijke kwestie die in het bestuursrecht geregeld is. In die zaken discrimineert het bestuursrecht door een griffierecht af te dwingen op straffe van niet ontvankelijkheid ten opzichte van het strafrecht waar geen griffierecht geheven wordt voor toegang tot de onafhankelijke rechter. Deze discriminatie is op grond van de Grondwet, dan wel de Algemene Beginselen van behoorlijk Bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel, dan wel op grond van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens verboden.
Het door de rechtbank geheven griffierecht is op grond van toelichting op dit cassatiemiddel eveneens ten onrechte. De beslissing tot niet ontvankelijkheid op grond van de gemotiveerde niet betaling daarvan is, doordat deze de toegang tot het rechtsmiddel onmogelijk maakt, in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het genoemde gelijkheidsbeginsel.
Conclusie
De uitspraak op verzet en de verklaring van niet ontvankelijkheid dienen te worden verworpen. De rechtbank dient de zaak in behandeling te nemen.
Hierbij treft u aan de volmacht van belanghebbende, waarin hij tevens aangegeven heeft opdracht te geven tot geschriften in cassatie indien en voor zover noodzakelijk. Mocht u daarover nog vragen hebben, dan verneem ik die graag.