Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/13.2.2
13.2.2 De zakelijke overeenkomst
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS481168:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Den Dulk 1979, p. 19; Snijders/Rank-Berenschot 2001, p. 265 e.v.; Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, p. 111 e.v.; Brahn/Reehuis 1997, p. 36-38. In het bijzonder over het belang van de zakelijke overeenkomst bij levering van roerende zaken: Van Swaaij 1994, p. 769 e.v.; Van der Lely 1996, p. 31. Zie ook Huijgen 1997, p. 6 e.v.; Van Velten 1997, p. 307 en 308; interview met J.H. Nieuwenhuis in Ars Aequi 46 (1997) 10, p. 699 en 700.
Snijders/Rank-Berenschot 2001, p. 265.
Zie ook Snijders/Rank-Berenschot 2001 (p. 267), die opmerkt: ‘In het algemeen wordt in de parlementaire stukken de eis van een goederenrechtelijke overeenkomst verondersteld.’ Wellicht dient een ander standpunt te worden ingenomen terzake de levering van roerende zaken door feitelijke overhandiging, zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 439. Hierover Den Dulk 1979, p. 76-107 en recentelijk Van Swaaij 1994, p. 769 e.v.; Van der Lely 1996, p. 31.
Snijders/Rank-Berenschot 2001, p. 266.
Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, p. 116.
Hoewel zowel in de dogmatiek als in de praktijk wel wordt getwijfeld aan de noodzaak, het (praktisch) belang en zelfs het bestaan van de zakelijke overeenkomst1 (in termen van het huidige wetboek ook wel aan te duiden als ‘goederenrechtelijke overeenkomst’2), meen ik uit de summiere uitlatingen in de parlementaire geschiedenis alsmede de formulering van de hierna te bespreken wetsartikelen toch wel te mogen afleiden dat de wetgever van het bestaan van deze vorm van overeenkomst uitgaat.3 Ook in de literatuur wordt algemeen van het bestaan van de zakelijke overeenkomst uitgegaan. Volgens Snijders/Rank-Berenschot laat de zakelijke overeenkomst zich ‘naar heersende rechtsopvatting stellen’.4 Pitlo/Reehuis/Heisterkamp komt tot de conclusie dat de zakelijke overeenkomst hooguit een schaduwbestaan voert.5