Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.4.3
6.4.3 Inhoud regeling
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708380:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een micro-onderneming is op grond van artikel 2 aanhef en onder j Richtlijnvoorstel in verbinding met artikel 2 lid 3 van de bijlage bij de aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG) een onderneming waar minder dan tien werknemers werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het balanstotaal niet hoger is dan 2 miljoen euro.
Aldus door mij samengevat. In het richtlijnvoorstel gaat het over ‘fraudulent or grossly negligent conduct, wilful misconduct, or breach of fiduciary duties with respect to the creditors’ interests’.
Opnieuw mijn samenvatting. Volgens het richtlijnvoorstel zijn de leden niet aansprakelijk, ‘unless they have committed grossly negligent or fraudulent conduct, wilful misconduct, or have breached a fiduciary duty to the creditors they represent’. De bewoordingen lijken op artikel 62 lid 2 Richtlijnvoorstel, maar komen niet overeen. Het lijkt er wel op dat de betekenis hetzelfde is.
Titel VII van het richtlijnvoorstel regelt de schuldeiserscommissie. Ten opzichte van de Nederlandse regeling is het een uitgebreide regeling. Titel VII van het richtlijnvoorstel bevat tien bepalingen, terwijl de paragraaf in de Faillissementswet over de schuldeiserscommissie na invoering van de WMF zeven bepalingen bevat. Op grond van artikel 58 Richtlijnvoorstel moeten lidstaten verzekeren dat uitsluitend een schuldeiserscommissie wordt ingesteld als de schuldeisersvergadering daartoe besluit (lid 1). Slechts voorafgaand aan de opening van de insolventieprocedure mag de rechtbank op verzoek van één of meer schuldeisers een commissie instellen (lid 2). Lidstaten kunnen de mogelijkheid om een schuldeiserscommissie in te stellen uitsluiten als de kosten van een commissie niet gerechtvaardigd zijn in het licht van de beperkte omvang van de boedel, het lage aantal schuldeisers of de omstandigheid dat de schuldenaar een zogenaamde micro-onderneming1 is.
De commissie bestaat uit ten minste drie en maximaal zeven leden (art. 61 Richtlijnvoorstel). Leden van de commissie worden benoemd door de schuldeisersvergadering of de rechtbank. De leden moeten binnen dertig dagen na opening van de insolventieprocedure zijn benoemd (art. 59 lid 1 Richtlijnvoorstel). De commissie moet zodanig zijn samengesteld dat de verschillende belangen van schuldeisers of groepen van schuldeisers een rol krijgen in de commissie. Op grond van artikel 60 van het richtlijnvoorstel moeten de leden van de schuldeiserscommissie zich uitsluitend richten op het belang van de boedel (the whole body of creditors). Dit is slechts anders als meerdere schuldeiserscommissies ingesteld (kunnen) worden. In dat geval moeten de leden zich richten op de belangen van de schuldeisers die hen hebben benoemd. Lidstaten moeten een regeling treffen voor het ontslag en de vervanging van leden van de commissie (artikel 62 lid 1 Richtlijnvoorstel). In ieder geval ernstig verwijtbaar handelen2 moet een grond zijn voor ontslag (lid 2).
Lidstaten moeten er op grond van artikel 63 Richtlijnvoorstel voor zorgen dat schuldeiserscommissies een reglement vaststellen. Dat reglement moet in ieder geval bepalingen bevatten over het bijwonen van en participeren in vergaderingen van de commissie, het stemrecht en een mogelijk quorum, tegenstrijdige belangen en geheimhouding (lid 2). Stelt de commissie niet binnen vijftien werkdagen na de benoeming van haar leden uit zichzelf een reglement vast, dan moet de rechtbank de bevoegdheid hebben binnen de daaropvolgende vijftien werkdagen een reglement vast te stellen. Uit lid 1 lijkt te volgen dat ook een reglement dat door de rechtbank is vastgesteld, tijdens de eerste vergadering van de schuldeiserscommissie moet worden goedgekeurd door een gewone meerderheid van de aanwezige leden. Wat de vervolgstappen zijn als het reglement niet wordt goedgekeurd, volgt niet uit het voorstel. Uit lid 6 volgt dat de Europese Commissie een standaardprotocol opstelt.
Het doel van de schuldeiserscommissie moet volgens artikel 64 lid 1 Richtlijnvoorstel zijn het verzekeren dat de belangen van schuldeisers worden beschermd en individuele schuldeisers bij de procedure worden betrokken. Om dat doel te bereiken, moet een aantal rechten, plichten en bevoegdheden aan de commissie worden toegekend. Dat betreft onder meer het recht om de insolventiefunctionaris te allen tijde te horen en de verplichting om informatie te verstrekken aan de schuldeisers die door de commissie worden gerepresenteerd. Opvallend is artikel 64 lid 1 sub c Richtlijnvoorstel, waarin staat dat de commissie de verplichting heeft om toezicht te houden op (to supervise) de insolventiefunctionaris, ‘including by consulting with the insolvency practitioner and informing the insolvency practitioner of the wishes of creditors’. Dit is opvallend, omdat het geven van advies aan en het informeren van de insolventiefunctionaris iets anders is dan het houden van toezicht op de insolventiefunctionaris.
In artikel 65 Richtlijnvoorstel is de (onkosten)vergoeding van de commissie en haar leden geregeld. Lidstaten moeten bepalen wie de onkosten van de commissie draagt. Als de onkosten voor rekening van de boedel komen, moet de commissie de onkosten administreren en moet de rechtbank de mogelijkheid hebben kosten die ongerechtvaardigd zijn gemaakt buiten beschouwing te laten. Als de leden van de commissie recht hebben op een beloning die wordt vergoed uit de boedel, moet de beloning proportioneel zijn en moet de commissie hiervan een administratie voeren. Op grond van artikel 66 Richtlijnvoorstel zijn leden van de commissie niet aansprakelijk voor hun handelen als commissielid, tenzij hen een ernstig verwijt3 treft. In artikel 67 Richtlijnvoorstel is tot slot bepaald dat lidstaten het mogelijk moeten maken beroep in te stellen tegen een goedkeuring van de commissie als de commissie het recht heeft bepaalde beslissingen of transacties goed te keuren. Omdat beroep slechts ingesteld moet kunnen worden tegen een goedkeuring, is het kennelijk niet nodig om beroep open te stellen tegen de afwijzing van een bepaalde beslissing of transactie.