Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/3.3.3
3.3.3 Rechtsgrondslag
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS394715:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Desens in Hermann/Heuer/Raupach, Einf. KSt, Anm.30.
Voor een uitgebreide uiteenzetting zie Tipke, die Steuerrechtsordung, 2e Auflage, Otto-Schmidt 2003, blz. 1163-1190; C.A.L. Rasenack, Die Theorie der Körperschaftsteuer (Schriften zum Öffentlichen Recht, Band 233), Berlin, 1974 en Desens in Hermann/Heuer/Raupach, Einf. KSt, Anm.30-34.
Desens in Hermann/Heuer/Raupach, Einf. KSt, Anm.1. geeft aan: “Als KSt wird die Est der juristischen Person bezeichnet. Die Erfassung des Einkommens juristischer Personen is Mindestvoraussetzung für das Vorliegen einer KSt.”
Hummel in Gosch, Körperschaftsteuergesetz, 3e Auflage 2015, §1, Rz. 20. Hij heeft het over “Verselbständigung der Körperschaften”.
BVerfG 1 BvR 845/58.
J.Hey in Tipke/Lang22, Steuerrecht, §11, Rz. 6.
9 januari 1974, BT-Drucks. 7/1470, blz. 326.
C.A.L. Rasenack, Die Theorie der Körperschaftsteuer (Schriften zum Öffentlichen Recht, Band 233), Berlin, 1974, blz. 11-18, 31.
Desens in Hermann/Heuer/Raupach, Einf. KSt, Anm.6. Zie ook BVerfG. 17.11.2009 – 1 BvR 2192/05.
Tipke, die Steuerrechtsordung, 2e Auflage, Otto-Schmidt 2003, blz. 1165 en 1167. Zie ook Desens in Hermann/Heuer/Raupach, Einf. KSt, Anm.30-34 die alle voors en tegens van alle rechtsgrondslagen tegen elkaar afweegt.
A.J.A. Stevens, De Duitse Gewerbesteuer – anomalie in het veelkleurige land van de gemeentelijke belastingen? In: Lofzang op lokale heffingen (Monsma-bundel), SDU Uitgevers (2009), blz. 207. Stevens geeft aan dat vanuit de Fundustheorie te verklaren is dat vanaf 1936 slechts ondernemingen belast zijn met Gewerbesteuer en dat zelfstandige beroepsbeoefenaren buiten de heffing blijven.
4 mei 1972, BT-Drs. VI/3418, blz. 51:“Die Gewerbesteuer findet ihre innere Rechtfertigung nicht zuletzt in dem Äquivalenzprinzip, also in der Überlegung, daß der Gewerbebetrieb über einen pauschalierten Beitrag zur Deckung derdurch ihn verursachten Lasten heranzuziehen ist. Ihre Vorzüge liegen vor allem in ihrer Ergiebigkeit (door mij onderstreept). Die Gewerbesteuer trägt außerdem in besonderem Maße dem im Grundgesetz niedergelegten Gedanken der kommunalen Finanzhoheit Rechnung; sie gibt wie keine andere Gemeindesteuer den Gemeinden die Möglichkeit, durch die Festsetzung unterschiedlicher Hebesätze eigenverantwortlich das Aufkommen zu bestimmen. Sie gewährleistet ferner eine engere Verbindung zwischen der Gemeinde und der örtlichen Industrie.” zie ook Tipke, die Steuerrechtsordung, 2e Auflage, Otto-Schmidt 2003, blz. 1137.
In Duitsland lijkt de worsteling met het vinden van een rechtsgrondslag voor de Körperschaftsteuer net zo groot als in Nederland. Desens geeft bijvoorbeeld aan de Körperschaftsteuer “von ihren Anfängen an bis heute eine Rechtfertigungsdebatte begleitet’’.1 Ook merkt hij op dat het bestaan van een vennootschapsbelasting (Körperschaftsteuer) gezien de historie en wereldwijde acceptatie niet meer serieus ter discussie wordt gesteld, maar dat het raamwerk, het systeem nog steeds onderworpen is aan allerlei rechtsvragen. Wat ook in Duitsland steeds terugkomt in de discussie over de rechtsgrondslag is de vraag wat de relatie is met de inkomstenbelasting (op die vraag ga ik in hoofdstuk 3.3.4 in) en de vraag wie de vennootschaps-belasting draagt.2 Wat mijns inziens in de literatuur vrijwel steeds aangehaald wordt als rechtsgrondslag voor de Körperschaftsteuer is het feit dat rechtspersonen als zelfstandig (juridisch) persoon worden gezien, wat een belastingheffing rechtvaardigt. Al bij de invoering van de Körperschaftsteuer in 1920 werd gewezen op de economische zelfstandigheid en draagkracht van een vennootschap.3 De Körperschaftsteuer wordt met andere woorden als Einkommensteuer van de vennootschappen aangemerkt (antropomorfe visie).4 Ook Hummel wijst op het zelfstandige karakter van vennootschappen als rechtsgrondslag5 en wijst ook op een uitspraak van het Bundesverfassungsgericht waarin wordt aangegeven dat als de Körperschafsteuer weggedacht zou worden, de winsten die niet door de vennootschap worden uitgekeerd belastingvrij zouden blijven.6 De Körperschaftsteuer zorgt daarmee voor Wettbewerbsgleichheit.7 Daarmee samenhangend, kan ook de parlementaire uitlating gezien worden bij de belastinghervorming in 1977 waar gewezen wordt op het bewaken van de eenheid van de rechtsorde (Einheit der Rechtsordnung).8 In Duitsland wordt de winstbelasting van lichamen met name in relatie bezien met de inkomstenbelasting. Rasenack geeft aan dat de vennootschapsbelasting nimmer aanvaard is, zoals de inkomstenbelasting tenslotte is aanvaard. Hij komt in zijn onderzoek wel tot de conclusie dat de Körperschaftsteuer naast een Einkommensteuer is te rechtvaardigen.9
Als in Duitsland over de rechtsgrondslag van de Körperschaftsteuer wordt gediscussieerd komt ook vaak de discussie naar voren of vennootschappen inkomen of winst genereren. Met name uit de hoek van de Finanzwissenschaft wordt het standpunt ingenomen dat inkomen alleen aan natuurlijke personen kan toevloeien en niet aan organisaties (zogenoemde Opfertheorie). Daarmee samenhangend, is de gedachte dat het draagkrachtbeginsel (Leistungfähigkeitsprinzip) alleen is voorbehouden aan natuurlijke personen. Daar kan ook anders over worden gedacht. Ik ben het met vele auteurs eens dat het (objectieve) draagkrachtsbeginsel ook voor rechtspersonen van toepassing is. Desens geeft bijvoorbeeld aan dat het draagkrachtsbeginsel een concretisering inhoudt van het gelijkheidsbeginsel dat ook in de verhouding tussen rechtspersonen geldt. 10Als uiting van het draagkrachtbeginsel voor rechtspersonen wordt het objektive Nettoprinzip gezien. Dit principe houdt in dat zowel uitgaven als inkomsten in aanmerking moet worden genomen bij het berekenen van de belastinggrondslag. Dit principe dat ook al de revue passeerde in hoofdstuk 2.9.2 en 3.3.1.2, zal nog op meerdere plekken in mijn onderzoek naar voren komen. Naast bovenstaande overwegingen wordt als rechtsgrondslag ook het Äquivalenzprinzip genoemd. Vanwege het feit dat lichamen ook profiteren van de door de overheid gecreëerde infrastructuur laat zich de vennootschapsbelasting vanuit die hoedanigheid als tegenprestatie voor een deel verklaren. Mijns inziens komt dit principe op hetzelfde neer als het in Nederland bekende profijtbeginsel. Daarnaast wordt in Duitsland ook gewezen op de “politieke populariteit’’ en budgettaire functie van de Körperschaftsteuer.11
Als rechtsgrondslag voor de Gewerbesteuer komt ook met name het Äquivalenzprinzip naar voren. De Gewerbesteuer wordt als een bijdrage gezien van de onderneming voor de veroorzaakte lasten in de gemeente en de onderneming betaalt voor het profijt dat zij heeft van het feit dat zij gebruik maakt van gemeentelijke voorzieningen. Daarnaast wordt de Fundustheorie genoemd. Deze theorie gaat ervan uit dat ondernemingen hoger belast kunnen worden, omdat het bij hun inkomsten gaat om op vermogen c.q. de combinatie van op vermogen en arbeidskracht gefundeerde inkomsten.12 Tot slot wordt ook het budgettaire argument aangehaald, “het levert lekker op voor de gemeenten’’.13