De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/1.2.2:1.2.2 Doelstelling en onderzoeksvraag
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/1.2.2
1.2.2 Doelstelling en onderzoeksvraag
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250212:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek bevat een analyse van de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van een 403-verklaring, naar huidig en wenselijk recht. Kort gezegd komen er vier grote thema’s met betrekking tot de 403-aansprakelijkheid aan de orde. Ten eerste de reikwijdte van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij.1 Dit betreft het antwoord op de vraag voor welke schulden van de 403-maatschappij de moedermaatschappij aansprakelijk is. Daarnaast ga ik in op de civielrechtelijke duiding van een vordering op grond van een 403-verklaring.2 Hoe een vordering op grond van een 403-verklaring wordt geduid, is van belang voor het antwoord op de vraag hoe deze vordering zich verhoudt ten opzichte van de vordering van de crediteur op de 403-maatschappij. Dit bepaalt onder meer of een crediteur beide vorderingen al of niet onafhankelijk van elkaar kan cederen aan een derde.
Het derde grote thema dat aan de orde komt, betreft de intrekking van een 403-verklaring en de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid.3 Als een moedermaatschappij de 403-verklaring intrekt, blijft zij aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking. De moedermaatschappij kan deze overblijvende aansprakelijkheid beëindigen als zij aan een aantal voorwaarden voldoet. Tot slot onderzoek ik de gevolgen van een fusie of een splitsing van de moeder- of de 403-maatschappij voor de 403-aansprakelijkheid.4 Daarbij ga ik onder meer na of er na de fusie of de splitsing nog nieuwe aansprakelijkheid op grond van de 403-verklaring kan ontstaan, wat er gebeurt met de bestaande aansprakelijkheid, en of de overblijvende aansprakelijkheid na intrekking van de 403-verklaring kan worden beëindigd.
Het doel van dit onderzoek is om ten aanzien van bovengenoemde vier thema’s na te gaan hoe de 403-aansprakelijkheid moet worden uitgelegd in het licht van de functie die deze aansprakelijkheid vervult bij de compensatie van de crediteuren omdat zij de jaarrekening van de 403-maatschappij niet (hebben) kunnen inzien. Ik neem in mijn overwegingen omtrent de uitleg van de 403-aansprakelijkheid mee, dat crediteuren geen invloed hebben op de keuze van de 403-maatschappij om gebruik te (blijven) maken van de jaarrekeningvrijstelling, noch op de keuze van de moedermaatschappij om de 403-verklaring in te trekken en om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.5 Indien blijkt dat het huidige recht niet leidt tot een situatie waarbij de crediteuren van de 403-maatschappij worden gecompenseerd voor het niet (hebben) kunnen inzien van de jaarrekening van de 403-maatschappij of als zij overgecompenseerd worden, doe ik een voorstel om het huidige recht op het desbetreffende punt te wijzigen.
Gelet op het voorgaande luidt mijn centrale onderzoeksvraag:
Hoe moet de 403-aansprakelijkheid worden uitgelegd in het licht van de functie van deze aansprakelijkheid bij de compensatie van de crediteuren omdat zij de jaarrekening van de 403-maatschappij niet (hebben) kunnen inzien, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat crediteuren geen invloed hebben op de keuze van de 403-maatschappij om gebruik te (blijven) maken van de jaarrekeningvrijstelling, noch op de keuze van de moedermaatschappij om de 403-verklaring in te trekken en om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen?