Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.4.4.3
2.4.4.3 Meer over de Boek 7A-aansprakelijkheid
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS586858:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Asser/Maeijer 5-V 1995/115; Hamers & Van Vliet 2012, nr. 3.2.4; Tervoort 2015d, nr. 6.5.1.
Asser/Maeijer 5-V 1995/115 en 118; Hamers & Van Vliet 2012, nr. 3.2.4; Assink | Slagter 2013, § 99.4, p. 1995; Huizink 2014, nr. 18; Tervoort in GS Personenassociaties, nr. 3.3.7.1 (bijgewerkt tot 1 april 2014); Tervoort 2015d, nr. 6.5.1.
Vgl. Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-MvT, p. 95, waar ten onrechte wordt gesteld dat bij art. 6:170 BW sprake is van toerekening van de onrechtmatige daad aan een rechtspersoon; het gaat om risicoaansprakelijkheid voor andermans onrechtmatige daad.
Van Veen 2008, p. 3-4; Mohr/Meijers 2013, § 4.4.3, p. 114 (met enige voorzichtigheid); Stokkermans 2015, par. 2.2. Zie ook Van Veen in GS Personenassociaties, nr. 4.2.3.1 (bijgewerkt tot 20 maart 2015); Van Veen 2015a, p. 376.
Vgl. Asser 1984, p. 57-63 en p. 268-269; Wuisman 2015, p. 33.
In Frankrijk onderscheidt men de obligation solidaire van de obligation in solidum, zie 2.2.2.2.
Mohr/Meijers 2013, § 6.3.2, p. 194/195; Assink | Slagter 2013, § 99.5, p. 2006-2010; Assink & Schild 2015, p. 638-641 (zoals daar aangegeven deelt co-auteur Schild deze mening niet); Tervoort 2015b en Tervoort 2015d, nr. 7.5.2.3; De Groot 2015, p. 39. Over de VOF, zie 3.3.4.3.
P. van Schilfgaarde, noot onder het Carlande-arrest, NJ 2015/290 en noot sub 9 onder het arrest Lunchroom de Katterug, NJ 2015/380. Van Veen 2015a, nader besproken.in 3.3.4.3. Vgl. Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19 lid 4 en concept-MvT, p. 97/98, voor een tussenoplossing: nieuwe vennoten zijn wel aansprakelijk voor schulden waartoe de vennootschap zich voorafgaand aan toetreding heeft verbonden, als die pas na toetreden opeisbaar zijn.
Idem: Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-MvT, p. 97.
Stokkermans 2015d. Zie ook 3.3.4.3.
Biek-arrest, r.o. 3.4.2.
Wachter & Timmerman 1986, p. 735; Van der Smit 1987, p. 148; Asser/Maeijer 5-V 1995/ 264-265 en Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/264, waar wordt verdedigd dat een oude vennoot niet meer aansprakelijk is voor na zijn uittreden getrokken krediet. Zie ook Mohr/Meijers 2013, § 6.3.3, p. 197; Assink | Slagter 2013, § 99.5, p. 2010; Huizink 2014, nr. 38; Van Veen & Grapperhaus in GS Personenassociaties, nr. 4.1.5.2 (bijgewerkt tot 1 april 2014); Van Veen & Grapperhaus in GS Personenassociaties, nr. 4.1.5.2 (bijgewerkt tot 1 april 2014); Tervoort 2015d, nr. 7.5.2.2.
Asser/Maeijer 5-V 1995/265; Asse/Maeijer & Van Olffen 7-VII* 2010/264; Tervoort 2015d, nr. 7.5.2.2.
Vgl. Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19 lid 5 en concept-MvT, p. 98/ 99, waar wordt voorgesteld dat een uitgetreden vennoot van een openbare vennootschap in de regel eenzijdig tegenover de wederpartij bevoegd is zijn partij-zijn bij in naam van de maatschap aangegane duurovereenkomsten te beëindigen.
Zoals aangegeven, neemt de Hoge Raad tot uitgangspunt dat de vennoten van een maatschap voor gelijke delen persoonlijk aansprakelijk zijn voor de tekortkoming in de nakoming van een deelbare prestatie die door de maatschap verschuldigd is, en verwijst hij daarbij naar de artikelen 7A:1679-1681 BW. Impliciet geeft de Hoge Raad daarmee steun aan de algemene opvatting dat die wetsbepalingen niet gelden voor ondeelbare verbintenissen. Bij in maatschap aangegane ondeelbare verbintenissen zijn de regels van het commune recht bepalend voor wie aansprakelijk zijn én voor de omvang van hun aansprakelijkheid (hoofdelijkheid, art. 6:6 lid 2 BW).1 Ook voor deelbare verbintenissen gelden de regels van het commune recht. Deze cumuleren met de regels van Boek 7A BW. Dit geldt ook voor een verplichting tot vervangende en aanvullende schadevergoeding bij wanprestatie onder een deelbare verbintenis die in naam van de maatschap is aangegaan. De vennoten die partij waren bij de wegens wanprestatie ontbonden overeenkomst, zullen hoofdelijk aansprakelijk zijn (art. 6:102 BW). Nieuwe vennoten die niet contractueel waren verbonden, maar die wel partij zijn op het moment waarop de vervangende of aanvullende schadevergoedingsverplichting ontstaat, worden daarvoor op grond van Boek 7A BW voor een gelijk deel verbonden.
Op verplichtingen tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad gaat het Biek-arrest niet in. Sommige schrijvers gaan ook in dit geval van cumulatie uit. Zij nemen aan dat een vennoot voor een gelijk deel aansprakelijk is voor een verplichting tot schadevergoeding die wel aan de maatschap, maar niet aan hen persoonlijk kan worden toegerekend.2 /3 Anderen verdedigen dat de artikelen 7A:1679-1681 BW in dit geval geen eigen grondslag voor aansprakelijkheid bieden, en ook niet voor de omvang van een dergelijke aansprakelijkheid.4 Dit laatste is sinds het Biek-arrest nog steeds verdedigbaar.
Volgens mij had de Hoge Raad een andere keuze kunnen maken. De ontstaansgeschiedenis van de artikelen 1679-1681 BW biedt geen aanwijzingen dat met de verwijzing, in artikel 7A:1680 BW, naar aansprakelijkheid voor gelijke delen iets anders is bedoeld dan een verwijzing naar het (toenmalige) commune recht.5 De hoofdelijkheid bij aansprakelijkheid voor eenzelfde schade (art. 6:102 BW), heeft zich anders dan de hoofdelijkheid bij aansprakelijkheid voor eenzelfde schuld (art. 6:6 BW), althans in Frankrijk, bovendien pas in de loop van de 19de eeuw ontwikkeld.6 Het is ook kunstmatig om tot uitgangspunt te nemen, zoals de Hoge Raad kennelijk doet, dat een nieuwe vennoot zonder verbonden te zijn voor de nakoming van een oude verplichting, na wanprestatie en ontbinding ineens wel aansprakelijk is voor de vervangende schadevergoeding. De artikelen 7A:1679-1681 BW hoeven niet te worden opgevat als zelfstandige regels voor vennotenaansprakelijkheid. Deze benadering was dicht bij het commune recht gebleven.
Voor diverse schrijvers gaat de risicoaansprakelijkheid van nieuwe vennoten voor nieuwe schulden bij de maatschap intussen nog niet ver genoeg. Men meent dat een nieuwe vennoot van een maatschap op grond van het vennootschapsrecht tevens aansprakelijk moet zijn voor ten tijde van zijn toetreden al bestaande schulden, net zoals bij de VOF.7 Hiertegenover staan Van Schilfgaarde en Van Veen, die bij de VOF – en naar ik aanneem de maatschap – aansprakelijkheid van nieuwe vennoten voor oude schulden onjuist achten. Van Schilfgaarde vindt het zelfs ‘intrinsiek onbillijk’.8 Geen van de genoemde schrijvers ziet aanleiding om op dit punt een onderscheid te maken tussen maatschap en VOF.9 Toch kan het ook anders. De aansprakelijkheid van nieuwe vennoten van een Franse SEP of een Engelse partnership richt zich naar het commune recht. Daartegenover staan in Frankrijk de SCP en de SNC, die rechtssubject zijn, met afwijkende regels voor vennotenaansprakelijkheid. Dit onderscheid is vanuit het verschil in de juridische constructie tussen SEP/ partnership (geen rechtssubject) en SCP/SNC (wel rechtssubject) goed verklaarbaar en kan ook bij ons worden gemaakt.10
En dan de uitgetreden vennoot. De aansprakelijkheid van een vennoot jegens een contractuele wederpartij van de maatschap (i.c. de opdrachtgever) op grond van de artikelen 7A:1679-1681 BW en artikel 7:407 lid 2 BW blijft volgens het Biek-arrest bestaan, als de vennoot uittreedt.11 Begrijp ik het goed, en trekt men deze gedachtelijn door naar huurovereenkomsten, dan blijft een uitgetreden vennoot niet alleen aansprakelijk voor huurtermijnen die op het moment van zijn uittreden reeds zijn ontstaan, maar wordt hij tevens nog aansprakelijk voor termijnen die na het uittreden ontstaan onder een voordien gesloten huurovereenkomst. Hetzelfde geldt bij kredietovereenkomsten: de uitgetreden vennoot wordt nog aansprakelijk voor na zijn uittreden getrokken krediet onder een voordien gesloten kredietovereenkomst.
Dit wordt, met verschillende variaties, ook door verschillende auteurs verdedigd. Een vennoot moet zich niet eenzijdig aan verbondenheid kunnen onttrekken door uit te treden.12 Ook wordt verdedigd dat een uitgetreden vennoot niet meer aansprakelijk is, als door de voortzettende vennoten, buiten toedoen van de uitgetreden vennoot, wijzigingen, of wijzigingen die zwaarder drukken, in een bestaande overeenkomst worden aangebracht.13 Bedoelde auteurs bespreken dit in een vennootschapsrechtelijke context, alsof het commune recht te kort schiet. Ik betwijfel of dit terecht is. Uit de tenaamstelling van een overeenkomst en de wijze waarop betrokken partijen na een vennotenwissel met elkaar omgaan, kan in voorkomende gevallen expliciet of impliciet worden afgeleid dat zij allemaal met een wisseling van contractspartijen hebben ingestemd.14 Voor een huurovereenkomst zal een dergelijke wisseling in beginsel meebrengen dat een uitgetreden vennoot niet meer aansprakelijk wordt voor nieuwe huurtermijnen. Voor een kredietovereenkomst zal dit kunnen betekenen dat de oude vennoot niet langer aansprakelijk is voor reeds getrokken krediet en dat hij ook niet meer aansprakelijk wordt voor nog te trekken krediet. Hoe explicieter partijen hiermee in het kader van een vennotenwissel omgaan, des te meer zekerheid zal er zijn dat deze gevolgen intreden. Neemt men dit tot uitgangspunt, dan is het maar de vraag of de aansprakelijkheid van een uitgetreden vennoot met vennootschapsrechtelijke regels uitgebreid of beperkt moet worden ten opzichte van het commune recht.