Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/2.5.3.2
2.5.3.2 De zaakoverstijgende waarde van uitspraken
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS484600:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 58. Daarin overweegt het Hof dat het zich zo veel als mogelijk beperkt tot onderzoek van de concrete zaak. Het gaat daarom niet om de ‘fairness’ van de onderwerpelijke nationale procedure als zodanig. Zie ook EHRM 25 maart 1983 (Minelli t. Zwitserland), § 35.
EHRM 20 oktober 1984 (De Cubber t. België), NJ 1988, 744 (m.nt. Alkema), § 70: ‘the Contracting States are under the obligation to organise their legal systems ‘so as to ensure compliance with the requirements of Article 6 para. 1 (…)’. (…) The Court’s task is to determine whether the Contracting States have achieved the result called for by the Convention, not to indicate the particular means to be utilised.’
EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland),BNB 2002/26 (m.nt. Feteris); NJ 2003, 354 (m.nt. Schalken). Het Hof wijst het argument van de Zwitserse regering dat een scheiding van heffings- en fiscale strafprocedures onpraktisch zou zijn van de hand, met de overweging dat het diens taak is om vast te stellen of de verdragsstaten het Verdrag naleven en niet om aan te geven welke middelen een staat zou moeten inzetten teneinde haar verdragsverplichtingen na te komen (§ 70). Het Hof spreekt zich alleen uit over de kwestie of de aan de klager opgelegde boete in overeenstemming is met het Verdrag; niet over de kwestie of een staat contribuabelen kan verplichten informatie te verstrekken uitsluitend ten dienste van de juiste belastingheffing (§ 63).
EHRM 3 mei 2001 (J.B. t. Zwitserland),BNB 2002/26 (m.nt. Feteris); NJ 2003, 354 (m.nt. Schalken), § 63. Dat het gemaakte onderscheid niet scherp is, illustreert EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)), § 1, waarin het Hof toch ingaat op de verhouding tussen een wettelijke meewerkplicht en het recht tegen gedwongen zelfbelasting, wanneer het overweegt dat dit recht ‘does not per se prohibit the use of compulsory powers to require persons to provide information about their financial or company affairs.’
In dit verband kan ook worden gewezen op de algemene overwegingen van het Hof in zijn uitspraken.
EHRM 29 januari 2009 (OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos t. Russische Federatie) (ontv.besl.), § 442. Zie nadien ook EHRM 7 januari 2010 (Rantsev t. Cyprus en Rusland), NJB 2010, 549, § 197: ‘(…) the Court reiterates that its judgments serve not only to decide those cases brought before it but, more generally, to elucidate, safeguard and develop the rules instituted by the Convention, thereby contributing to the observance by the States of the engagements undertaken by them as Contracting Parties (…).’
Een recent voorbeeld is EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267. Daarin zet de Grote Kamer in § 249 e.v. de ‘general principles’ van art. 6 EVRM betreffende strafprocedures uiteen.
Myjer 2013, p. 60. Vgl. EHRM 9 juni 2009 (Opuz t. Turkije), NJ 2010/345 (m.nt. Alkema), § 163: ‘(…) bearing in mind that the Court provides final authoritative interpretation of the rights and freedoms defined in Section I of the Convention, the Court will consider whether the national authorities have sufficiently taken into account the principles flowing from its judgments on similar issues, even when they concern other States.’
Zie bijvoorbeeld EHRM 22 juni 2004 (Broniowski t. Polen), § 194 en meer recent EHRM 26 juni 2012 (Kurić e.a. t. Slovenië), § 415.
Gerards 2009, p. 169 e.v.
In § 2.3.3.2 hiervoor kwam al kort ter sprake dat in het EVRM niet is vastgelegd op welke wijze verdragsstaten de daarin vastgelegde of belichaamde fundamentele rechten moeten realiseren, en dat het geen regels geeft over hoe de nationale rechtsorde moet zijn ingericht of hoe (wettelijke) voorschriften zouden moeten luiden. Het EHRM volgt in zijn rechtspraak eenzelfde lijn, in die zin, dat het zich in zijn uitspraken niet of nauwelijks uitlaat over de toelaatbaarheid van de in het geding zijnde nationale procedure als zodanig. Het pleegt zich te beperken tot een (concrete) toetsing daarvan.1
Illustratief is de zaak De Cubber. Daarin overweegt het Hof dat het zich onthoudt van een (normatief) oordeel over de manier waarop verdragsstaten aan hun verdragsverplichtingen kunnen voldoen en dat het enkel zijn taak is om vast te stellen of verdragsstaten het door het Verdrag verlangde resultaat hebben bereikt; niet om aan te geven welke specifieke middelen daarvoor ingezet moeten worden.2 In min of meer gelijke zin het Hof in de zaak J.B. Daarin overweegt het dat het zijn taak is om vast te stellen of verdragsstaten het Verdrag naleven, en niet om aan te geven welke middelen een staat moet inzetten om haar verdragsverplichtingen na te komen.3 Het Hof spreekt zich in het arrest enkel uit over de kwestie of de aan betrokkene opgelegde boetes in overeenstemming waren met het Verdrag en niet over de achterliggende vraag of in het licht van nemo tenetur een verdragsstaat burgers kan verplichten om informatie te verstrekken (uitsluitend) ten dienste van een juiste belastingheffing.4
Uitspraken hebben ondanks concrete toetsing zaakoverstijgende waarde; ‘general applicable principles’
Dat zijn uitspraken (desondanks) zaakoverstijgende waarde hebben, bevestigt het Hof bijvoorbeeld uitdrukkelijk in de zaak Yukos.5 Zijn uitspraken strekken niet alleen ertoe om in de bij hem aangebrachte zaken te beslissen, maar meer in het algemeen de in het Verdrag vastgelegde rechten te verklaren, te verzekeren en te ontwikkelen en zodoende bij te dragen aan het respecteren door verdragsstaten van hun verdragsverplichtingen. Hoewel het voornaamste doel van het verdragssysteem is om individuele verlichting (‘relief’) te bieden, strekt het er ook toe om ‘in het algemeen belang kwesties op maatschappelijk-politieke gronden af te doen en daarbij de algemene standaarden voor de bescherming van fundamentele rechten te verbeteren en de rechtspraak daarover binnen de verdragsstaten te verbreden’.6 Hiermee brengt het tot uitdrukking dat het Hof als taak heeft om de mensenrechten in de breedte te beschermen. Dit blijkt ook uit de opsomming van ‘general applicable principles’ die in belangrijke arresten voorafgaat aan de beslissing in het concrete geval.7 Myjer wijst erop dat deze opsomming van algemene uitgangspunten op grond van eerdere uitspraken van het Hof – als heersende uitleg – voor alle verdragsstaten gelding heeft.8 Bovendien pakt het Hof stelselmatige schendingen aan door onder meer vast te stellen wat een staat moet doen om die op te heffen.9
EHRM schippert tussen concrete en abstracte toetsing
Gerards wijst erop dat de concrete toetsing ter discussie is komen te staan vanwege de exponentieel groeiende werklast van het Hof.10 Het lijkt op twee benen te hinken wanneer het gaat om individuele of meer abstracte toetsing. Soms volstaat het met een volledig abstracte toetsing van de nationale regelgeving en kijkt het niet meer naar de gevolgen van de toepassing ervan in het individuele geval. Soms herhaalt het dat het uitgangspunt is en blijft dat individuele rechtsbescherming moet worden geboden. Met verwijzing naar Alkema meent Gerards dat een systeem van ‘abstrakte Normenkontrolle’ misschien ook beter past bij de constitutionele functie van het Hof dan een concrete toetsing van iedere voorgelegde grondrechtenschending. Dat geldt temeer gelet op de uitbreiding van het aantal verdragsstaten en (daarmee) het aantal potentiële klagers.