Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.3.2
3.3.2 Subjecten
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS362247:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hirsch Ballin ziet er in navolging van Achterberg vanaf om deze subjecten als rechtssubjecten aan te duiden, omdat een subject slechts door het feit zelf dat het in een of meer rechtsbetrekkingen staat een rechtssubject is. Dat geldt zowel voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen en overheidsorganen (Hirsch Ballin, Architectuur van wetgeving 1984, p. 77).
Art. 9 lid 1 Besluit bodemkwaliteit(Stb. 2007, 469).
Art. 9 lid 2 Besluit bodemkwaliteit(Stb. 2007, 469).
Titel 9.2 Wm Stoffen, preparaten en genetisch gemodificeerde producten. Zie ook hfds. 5.
Een eerste samenhang die gebruikers van het recht als werkelijkheid zullen ervaren is de aanwezigheid van subjecten:1 natuurlijke personen en rechtspersonen. Als de wetgever een (rechts)persoon als samenhangcriterium voor een wetssysteem gebruikt zal het voor gebruikers van het omgevingsrecht aanstonds en zonder specialistische juridische voorkennis duidelijk zijn waarop de wetgever doelt. Daarbij kan het ook gaan om een persoon qualitate qua, zoals een moeder, een kind, een pensioengerechtigde, de beoefenaar van een bepaald beroep etcetera. Hetzelfde geldt voor een rechtspersoon, zoals de exploitant van een fabriek. Daarbij verdient vermelding dat een (rechts)persoon meer dan één kwaliteit kan hebben.
Een wetssysteem bestaat uit volgens bepaalde criteria geordende, onderling samenhangende regels. Als het wetssysteem wordt bepaald door een (rechts-) persoon als samenhangcriterium, dan is van een wetssystematisch tekort sprake als binnen dat wetssysteem niet alle voor die (rechts)persoon relevante regels zijn opgenomen. Het omgevingsrecht zal meer kenbaar worden voor een bepaalde (rechts)persoon naarmate de wetgever meer aansluiting heeft gezocht bij die (rechts)persoon. In het omgevingsrecht maakt de wetgever gebruik van een (rechts)persoon als samenhangcriterium, zoals hierna zal worden geïllustreerd.
Een voorbeeld van een (rechts)persoon als samenhangcriterium is te vinden in hoofdstuk 2 van het Besluit bodemkwaliteit. Deze mede op hoofdstuk 11 Wm gebaseerde algemene maatregel van bestuur bevat regels over de erkenning dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.2 De erkenningsbeschikking vermeldt ten minste de naam van de persoon of instelling, de werkzaamheid, de vestigingsplaats en, indien van toepassing, de naam van de natuurlijk persoon die werkzaam is voor de erkende persoon of instelling en die een van de bij regeling van Onze Ministers aangewezen handelingen uitvoert.'3
In het genoemde voorbeeld is het, vooropgesteld dat de gebruikte termen aansluiten bij het spraakgebruik, voor de te erkennen persoon of instelling aanstonds en zonder veel juridische voorkennis kenbaar dat het genoemde wetssysteem op dat subject betrekking heeft.
Opgemerkt zij overigens, dat niet overal waar in het omgevingsrecht een (rechts)persoon wordt genoemd ook sprake is van het gebruik van die (rechts-) persoon als samenhangcriterium. In de voorbeelden die hierna volgen bevat het relevante wetssysteem weliswaar regels ten aanzien van (rechts-) personen, maar de (rechts)persoon is niet het samenhangcriterium dat het desbetreffende wetssysteem bepaalt.
Een voorbeeld biedt artikel 9.2.1.2 Wm: 'Een ieder die beroepshalve een stof, preparaat of genetisch gemodificeerd organisme vervaardigt, in Nederland invoert, toepast, bewerkt, verwerkt of aan een ander ter beschikking stelt,en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door zijn handelingen met die stof of dat preparaat of organisme gevaren kunnen optreden voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevaren zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.' Artikel 9.2.1.3 Wm sluit daarbij aan door te bepalen dat de desbetreffende (rechts)persoon desgevraagd aan Onze Minister gegevens moet verstrekken over die stof of dat preparaat of organisme waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het samenhangcriterium is hier niet de genoemde (rechts)persoon maar een stof, preparaat of genetisch
gemodificeerd organisme'. In dit geval is niet het subject, doch de stof, het preparaat of het genetisch gemodificeerd organisme het samenhangcriterium dat het subwetssysteem van Titel 9.2 Wm bepaalt.4
Een tweede voorbeeld betreft artikel 13 Wbb: 'Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.' In dit geval is niet het subject, doch bodembescherming en bodemsanering als samenhangcriterium voor het wetssysteem van de Wet bodembescherming gebruikt. Dat geldt ook voor artikel 28 Wbb, dat onder meer bepaalt dat degene die voornemens is de bodem te saneren van dat voornemen melding moet doen bij Gedeputeerde Staten van de betrokken provincie.