Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.3.3
IX.3.3 Discrepantie tussen conceptualisering en het positieve internationale recht: de aanvullende bescherming van de vrijspraak
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596300:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ VI.8.1.
Zie hiervoor § IX.2.2.
Vgl. uitvoeriger § VI.8.2. Dat daarover ook anders wordt gedacht, kwam eveneens aan bod, vgl. bijv. Stolwijk 2007.
De Nederlandse rechter deed dat onvoldoende in EHRM 28 oktober 2003, nr. 44320/98, NJ 2004, 261, NJCM-bull. 2004, p. 234-238, m.nt. Myjer (Baars/Nederland); EHRM 9 februari 2005, nr. 44760/98, EHRC 2005/1 m.nt. Fernhout (Del Latte/Nederland); EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007, 349, m.nt. Borgers (Geerings/Nederland), terwijl het EHRM Nederland toegeeflijk was in EHRM 18 mei 2010, nr. 21167/08, dec., NJ 2011, 520, m.nt. Reijntjes (Bousana/Nederland); EHRM 18 januari 2011, nr. 45482/06, NJ 2012, 418, EHRC 2011/80 (Bok/Nederland). Vgl. over de in die laatste arresten gehanteerde argumenten § VI.10.
Ofschoon de in dit boek aan het vermoeden van onschuld gegeven interpretatie grotendeels bevestiging vindt in het internationale mensenrechtenrecht waaraan Nederland is gebonden, kan deze interpretatie het internationale recht niet volledig verklaren. Het EHRM verbiedt overheidsautoriteiten bij de bejegening van vrijgesproken verdachten uiting te geven aan twijfels over hun onschuld. Daarmee verschaft het Hof de vrijgesprokene een mate van bescherming die verder gaat dan het in dit boek uit het onschuldvermoeden afgeleide verbod op bejegening als schuldige.1 Dat het positieve recht aan een beginsel geen volmaakte invulling geeft, is rechtsbeginselen eigen.2 Het positieve recht geeft immers uitdrukking aan meer belangen en beginselen dan alleen aan dat ene beginsel. Wanneer het positieve recht uit een beginsel evenwel meer afleidt dan een theoretische conceptualisering van het beginsel kan verklaren, is dat reden voor kritiek op ofwel de (onvolledige) conceptualisering van het beginsel, ofwel op de (onjuiste) positiefrechtelijke uitleg ervan.
In hoofdstuk VI is reeds duidelijk geworden dat in relatie tot de onschuldpresumptie en de aanvullende bescherming van de vrijspraak mijns inziens het laatste eerder het geval is.3 De aanvullende bescherming die het EHRM na vrijspraak biedt, past niet alleen slecht bij de behandelingsdimensie als theoretisch concept, maar vindt evenmin steun in de rechtspraak van de vroegere ECieRM en het VN Mensenrechtencomité of in de bepalingen van de richtlijn. In de richtlijn en de jurisprudentie van het Comité mist de onschuldpresumptie na afloop van de strafprocedure in het geheel toepassing. De aanvullende bescherming van de vrijspraak vergroot dan ook de toch al bestaande discrepantie tussen de interpretaties die verschillende internationale organen aan de onschuldpresumptie op dit punt geven. Ook legt het Hof zelf in diens meer algemene overwegingen de behandelingsdimensie uit als een verbod op bejegening als schuldige.
Daarnaast vormen de grondslagen van de behandelingsdimensie geen grond voor ruimhartiger bescherming van de vrijgesprokene dan van degene tegen wie de vervolging door een formeel beletsel niet tot een veroordeling heeft geleid. Zo heeft laatstgenoemde er even goed baat bij dat hij niet alsnog in materiële zin de nadelen van een veroordeling dient te ondergaan en is in beide gevallen de openheid van de uitkomst van de procedure niet langer in het geding. Ook de stelling dat het gezag van de in vrijspraak uitgemonde procedure teloorgaat wanneer een latere beslissing twijfels over de onschuld van de verdachte weergeeft, berust mijns inziens op een onjuist begrip van de betekenis van een vrijspraak.
Historisch bezien is voor bescherming van de vrijspraak op grond van de onschuldpresumptie wel enige aanleiding, nu deze in het verleden is aangevoerd ter voorkoming van een onderscheid tussen eervolle en oneervolle vrijspraken. Voor zover het verbod op bejegening als schuldige dat doel niet reeds bereikt, is de rechtspraak van het Hof voor het bereiken daarvan evenmin geschikt, nu de motivering van de vrijspraak zelf niet door de aanvullende bescherming van de onschuldpresumptie wordt beperkt.
Tot slot pleiten ook aan de onschuldpresumptie exterieure, normatieve argumenten mijns inziens niet voor de aanvullende bescherming van de vrijgesprokene. Deze dringt de over verzoeken van vrijgesprokenen beslissende autoriteit namelijk tot ondoorzichtige of zelfs ongeloofwaardige motiveringen en gaat uit van een materieel verschil tussen verdachten die zijn vrijgesproken en verdachten tegen wie de vervolging is gestaakt, dat volgens mij niet (zo strikt) kan worden gemaakt. Ik meen dan ook dat de aanvullende bescherming van de vrijspraak door de onschuldpresumptie als zodanig niet wordt voorgeschreven. Dat neemt ondertussen niet weg dat overheidsautoriteiten van de bij het EVRM aangesloten staten met deze soms streng uitvallende rechtspraak uiteraard rekening dienen te houden.4