Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/2.6.2
2.6.2 De proceskostenveroordeling
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS306145:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 122.
Zie voor een bespreking van dit systeem naar oud recht Wesseling-van Gent (1993), p. 1-13.
Afgezien daarvan dat het stelsel wel van een wettelijke basis zou mogen worden voorzien. De liquidatietarieven zijn daardoor niet bindend, zij het dat zij door de rechter in beginsel wel gevolgd worden; zie Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), nr. 121.
Wesseling-van Gent (1993), p. 5.
Haardt (1985), p. 707, lijkt echter terug te komen op het in zijn proefschrift verdedigde stelsel van volledige indemnisatie met beoordeling door de rechter van geval tot geval, omdat een rechter zich bij zo'n beoordeling schromelijk zou kunnen vergissen. Het liquidatiestelsel sluit mijns inziens echter een billijkheidscorrectie niet uit.
Dit wordt onder meer voorgestaan door Ingelse en Mölenberg in Adv.bl. 1998, p. 1141-1145 en Van Schaick in NTBR 2002, p. 313-315. Zie voor een meer fundamentele basis Van der Wiel in diens Leidse proefschrift De rechtsverhouding tussen procespartijen (2004) en Van der Wiel in WPNR 200516618, p. 317-325.
Het lijkt mij dan ook niet nodig over te stappen op een nieuwe regeling, geïnspireerd op buitenlandse rechtssystemen, zoals Tjittes (1995), p. 1513-1515, voorstaat. Een systeem waarbij de verliezende partij in beginsel in de totale kosten wordt veroordeeld, zoals bijvoorbeeld in Duitsland (zie Snijders e.a. (1995), p. 276-277), kan ook naar de andere kant doorslaan.
Een benadering vanuit de andere kant lijkt voor te staan A-G Huydecoper in een ten overstaan van de voorjaarsvergadering 2007 van de NWP verdedigde stelling, die als volgt luidde: 'Voor beperking van de kosten waarop een winnende procespartij aanspraak kan maken is alleen dan grond, als men meent dat dat een wezenlijke bijdrage levert aan de toegang tot de rechter. Als men meent dat dat niet het geval is - bijvoorbeeld omdat de 'toegangsnadelen' voor de winnende partij de 'toegangsvoordelen' voor de verliezende partij in evenwicht houden -, zou men moeten kiezen voor een systeem met als uitgangspunt, dat redelijkerwijs gemaakte kosten van vaststelling van aansprakelijkheid en verhaal in volle omvang voor vergoeding in aanmerking komen. Ter wille van de eenvoud en hanteerbaarheid kan een dergelijk systeem ook met forfaitaire vergoedingsbijdragen 'werken':
Zie HR 3 april 1987, NJ 1988, 275 (CJHB) respectievelijk HR 17 november 1989, NJ 1990, 746 (JBMV), in welke arresten de Hoge Raad integrale vergoeding van de kosten van deskundige bijstand toestond, althans voor zover deze kosten redelijk waren. Matiging van niet bedongen buitengerechtelijke kosten is voorts mogelijk op grond van art. 6:109 BW (Le. indien toekenning van volledige vergoeding tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden); vgl. HR 9 december 1994, NJ 1995, 250.
De problematiek der proceskostenveroordeling is een problematiek die zich voornamelijk in dagvaardingsprocedures voordoet. In verzoekschriftprocedures is een kostenveroordeling eerder uitzondering dan regel.1 Voor de dagvaardingsprocedure vindt men een regeling terug in art. 237-245 Rv (dat niet wezenlijk afwijkt van het voorheen bestaande systeem van art. 56-58 (oud) Rv),2 terwijl art. 289 Rv de basis vormt voor een proceskostenveroor- deling in de verzoekschriftprocedure.
Uitgangspunt van deze regeling is dat in beginsel de verliezende partij wordt veroordeeld in de proceskosten. Op dit beginsel bestaan echter belangrijke uitzonderingen. Zo kunnen proceskosten gecompenseerd worden en kunnen nodeloos gemaakte kosten voor rekening blijven van de partij die ze maakte (art. 237 lid 1 Rv).
Maar de - in het licht van de toegang tot de rechter - toch wel belangrijkste uitzondering op genoemd uitgangspunt bestaat hierin dat de verliezer niet de volledige kosten van zijn wederpartij hoeft te vergoeden, doch (op basis van het door de gerechten gehanteerde liquidatietarief) slechts een deel daarvan. Enerzijds kan men stellen dat door dit systeem de drempel voor toegang tot de rechter niet te hoog wordt gemaakt (immers een kostenveroordeling zal in het ongunstigste geval een gemitigeerde kostenveroordeling zijn), maar het kan anderzijds ook een tegengesteld effect hebben in die zin dat een redelijk bemiddelde partij reeds bij voorbaat de mogelijkheid van een procedure terzijde schuift vanwege de hoge (rechtsbijstands-)kosten die slechts voor een deel door de verliezende wederpartij zullen worden vergoed.
Op het liquidatiestelsel valt dus wel wat af te dingen.3 Wesseling-van Gent4 staat voor dat in voorkomende gevallen op grond van de billijkheid een volledige kostenveroordeling mogelijk moet zijn. Ik ben het met haar daarin eens. Een 'billijkheidscorrectie' kan enerzijds een gerechtvaardigde rem betekenen op de toegang tot de rechter en anderzijds die toegang vergemakkelijken. Het mag bijvoorbeeld niet zo zijn dat een armlastige procespartij zijn zaak uiteindelijk wél wint, maar door niet op zijn wederpartij verhaalbare proceskosten aan de rand van het faillissement wordt gebracht.5 Dit voorbeeld maakt duidelijk dat van een billijkheidscorrectie mijns inziens niet slechts sprake hoeft te zijn in geval van misbruik van procesrecht of een onrechtmatig handelen door de wederpartij (- hoewel het in die gevallen wel evident is dat er van het liquidatietarief zou worden afgeweken6). Ook buiten die gevallen kan een billijkheidsvergoeding geïndiceerd zijn.
Evenzeer kan ik mij vinden in schrijfsters opvatting dat uitgangspunt van de proceskostenveroordeling dient te blijven dat de kosten ten laste van de verliezende partij worden gebracht en dat een systeem waarin elke partij de eigen kosten draagt te verwerpen is. Dit zou in veel gevallen een ontoelaatbare belemmering van de toegang tot de rechter kunnen vormen. Een uitzondering is wellicht denkbaar indien beide partijen op basis van een toevoeging procederen, maar dit vormt slechts een deel der gevallen.
Principle 14 aanbeveling R(81)7 luidt:
'Except in very special circumstances a winning party should in principle obtain from the losing party recovery of his costs including lawyers' fees, reasonably incurred in the proceedings.'
Hoewel het accent in deze bepaling nu juist anders gelegd wordt dan in onze hoofdregel van art. 237 lid 1 Rv, meen ik dat met behulp van een billijkheidscorrectie als voorgestaan, de uitkomsten niet wezenlijk behoeven te verschillen.7 Een benadering vanuit een andere kant met andere woorden, met (nagenoeg) eenzelfde uitkomst.8
Dit geldt temeer indien men bedenkt dat vast recht, deurwaarderskosten, getuigentaxen, deskundigenkosten en eventueel zelf gemaakte reiskosten naar Nederlands recht als werkelijke kosten in de kostenveroordeling worden opgenomen. Voor déze kosten geldt géén mitigering ingevolge het liquidatietarief. Op zich is dit verdedigbaar, mits het beloop van deze kosten dan maar enigszins gereguleerd of in de hand gehouden zou kunnen worden. Principle 13 R(81)7 bepaalt:
'Particular attention should be given to the question of lawyers' and experts' fees in so far as they constitute an obstacle to access to justice. Some form of control of the amount of these fees should be ensured.'
'Some form of control' bestaat wel ten aanzien van advocatenkosten, namelijk door voornoemd liquidatietarief. Voor deskundigenkosten en getuigentaxen is enige vorm van controle neergelegd in art. 57 Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) en het daarop gebaseerde Besluit. Niettemin kunnen deze kosten onder omstandigheden voor een justitiabele een financiële dobber van formaat zijn, bijvoorbeeld indien een lange (overbodige) reeks van getuigen gehoord is. Ik vraag mij af waarom ook hier niet enige vorm van plafonnering ingebouwd zou kunnen worden. Aansluiting zou gezocht kunnen worden bij de rechtspraak van de Hoge Raad inzake vergoeding van buitengerechtelijke kosten.9