Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/7.3.2.7
7.3.2.7 Normadressaat en overtrederschap
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS604576:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 18.18 Wm lijkt evenwel neutraal geformuleerd. Aangezien deze bepaling echter betrekking heeft op overtredingen verbonden aan een krachtens de Wm verleende vergunning, is de normadressaat toch de drijver. Immers, de artikel 16.5 Wm-vergunning wordt verleend aan de drijver van de inrichting, geldt voor eenieder die de inrichting drijft en bij wisseling van drijver moet ook de tenaamstelling van de vergunning worden gewijzigd (artikel 16.19 jo 16.20 Wm). In de literatuur is echter ook wel verdedigd dat artikel 18.18 Wm ruim kan worden geïnterpreteerd (Knijff, Jurgens & Backes 1998, p. 11 en 12). Ik ben echter met Blomberg van mening dat een dergelijke ruime interpretatie zich slecht verhoudt met het legaliteitsbeginsel (Blomberg 2000, p. 46). Overigens is niet uitgesloten dat anderen dan de drijver in voorkomende gevallen wel via de algemene zorgplicht van artikel 1.1a Wm worden aangesproken. De overtreden norm is in dat geval echter deze algemene zorgplicht en niet de specifieke bepaling die aan de drijver of exploitant is gericht (Blomberg 2000, p. 48).
Blomberg 2000, p. 49.
Artikel 5:1 lid 2 Awb en Blomberg 2000, p. 50.
Lam 2013, p. 529-531.
Michiels 2004.
Vz. ABRvS 22 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AO1306, r.o. 2.4 en 3 (I).
Michiels 2004, randnr. 1.
Hetgeen een vereiste is voor het opleggen van een last onder dwangsom (zie onder meer: ABRvS 19 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW2266, r.o. 2.5, ABRvS 8 augustus 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1295, r.o. 2.5.1 en ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3985, r.o. 4.1).
De normadressaat van de bepalingen die betrekking hebben op inrichtingen en installaties, waarnaar wordt verwezen in artikel 18.6a en 18.16a Wm (last onder dwangsom en bestuurlijke boete), is de drijver of exploitant van de inrichting respectievelijk installatie.1 De drijver of exploitant is daarmee ook de overtreder indien een van de bepalingen wordt geschonden, ook wanneer deze wordt gepleegd door een ander dan de drijver zelf.2 Verder kunnen ook personen die de overtreding medeplegen worden aangemerkt als overtreder.3 Ook de feitelijk leidinggevende, zoals een bestuurder/enig aandeelhouder kan onder omstandigheden als overtreder worden aangemerkt.4
Interessant is nog de situatie waarin een inrichting wordt overgedragen aan een derde persoon nadat een herstelsanctie is opgelegd aan de oorspronkelijke drijver. In een annotatie besteedt Michiels hier aandacht aan.5 De voorzieningenuitspraak van de voorzitter van de Afdeling betrof een situatie waarin voor bekendmaking van het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom, de inrichting werd overgedragen aan een derde. De voorzitter van de Afdeling achtte dit besluit onzorgvuldig en schortte de werking van het besluit op.6 Michiels besteedt aandacht aan de vraag wat voor gevolgen een overdracht na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom, maar binnen de begunstigingstermijn zou moeten hebben. Volgens hem zou ook dan moeten volgen dat het besluit geen werking meer kan hebben voor de rechtsopvolger.7 Evident is dat de last onder dwangsom geen werking kan hebben voor de geadresseerde. Immers, deze heeft het niet meer in zijn macht om de overtreding te beëindigen.8 Met Michiels ben ik van mening dat in geval van een dergelijke overdracht een nieuw besluit tot oplegging van de last onder dwangsom bekend zal moeten worden gemaakt aan de nieuwe eigenaar. Immers, hij is anders ook geen normadressaat van het besluit. Middels artikel 18.1a lid 1 Wm jo 5: 18 Wabo is evenwel geregeld dat het bestuursorgaan kan besluiten dat het besluit ook gericht is aan de rechtsopvolgers van degene aan wie het besluit is opgelegd. Op deze wijze kan de hierboven beschreven problematiek van overdracht worden omzeild.