Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.5.2.5
V.5.2.5 Vaststelling van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242927:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Het vaststellen van de bezoldiging van een uitvoerend bestuurder is mijns inziens een taak en bevoegdheid tegelijkertijd. Het vaststellen van de bezoldiging leent zich derhalve voor toebedeling aan een of meer bestuurders ex art. 2:9 lid 1 BW. Bij de vaststelling van de bezoldiging van een niet-uitvoerend bestuurder stond ik stil in § IV.3.4.1. Op het vaststellen van de bezoldiging van een uitvoerend bestuurder kom ik in § VI.5.3 terug.
Op grond van het vierde lid van art. 2:135 BW kunnen de statuten de taak om de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders vast te stellen, toebedelen aan een ander ‘orgaan’. De houders van prioriteitsaandelen vormen evenals het bestuur een orgaan van de vennootschap, zie art. 2:78a BW. Ook bij de BV kan de taak worden toegekend aan de prioriteit of het bestuur. Uit art. 2:245 lid 1 BW volgt immers dat de taak om de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders vast te stellen bij de algemene vergadering ligt, tenzij de statuten anders bepalen. Wat is rechtens als de taak wordt toegekend aan een prioriteitsaandeelhouder die tevens de hoedanigheid van uitvoerend bestuurder heeft? In de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling is hier discussie over gevoerd. Volgens de minister staat art. 2:129a/239a lid 1 BW hier niet aan in de weg. De uitoefening van de taak geschiedt in dat geval namelijk niet in de hoedanigheid van uitvoerend bestuurder, maar in de hoedanigheid van prioriteitsaandeelhouder. Zie Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 21-22 (MvA). Volgens mij heeft de minister het bij het rechte eind. Idem Van Schilfgaarde, in zijn noot onder HR 6 januari 2011, NJ 2012, 336 (Imeko). Bij Amsterdam Commodities NV, OCI NV, Prosus NV en Unilever NV is de taak toegekend aan het bestuur. Zie art. 13.11 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017; art. 13.6 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016; art. 15.5 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019; en art. 19.7 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 6 en 15 (NV).
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 17 (MvT).
Zie principe 3.2 van de Code. Zoals ik al schreef, wijkt Altice Europe NV af van dit principe. In haar Comply-or-explain list in respect of the Dutch Corporate Governance Code d.d. 2 april 2020, p. 34, licht Altice Europe NV deze afwijking toe.
Zie art. 19.7 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012. De statuten van Amsterdam Commodities NV, OCI NV en Prosus NV wijzen eveneens het bestuur aan. Zie art. 13.11 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017; art. 13.6 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016; en art. 15.5 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019.
Assink, WPNR 2014/7041, p. 1148. In gelijke zin Schwarz 2017b, p. 138.
Ervan uitgaande dat de statuten het bestuur als het tot vaststelling van de bezoldiging bevoegde orgaan hebben aangewezen. Zie in dezelfde zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/444; Dortmond, Ondernemingsrecht 2013/124; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:129a/239a BW, aant. 5.4; Lokin 2018, p. 446; en Nowak, Ondernemingsrecht 2016/113.
Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 26 (NV). Evenzo Dortmond, Ondernemingsrecht 2013/124; en Nowak, Ondernemingsrecht 2016/113. Anders: Schwarz 2017b, p. 138. De opvatting van Schwarz vindt mijns inziens geen steun in de wettekst.
Idem Nowak, Ondernemingsrecht 2016/113.
Assink, WPNR 2014/7041, p. 1148.
Tot slot de vaststelling van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders.1 De bevoegdheid om de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders vast te stellen, rust op de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.2 Voorstelbaar is dat de prioriteit wordt aangewezen als het tot vaststelling van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders bevoegde orgaan. Ook kan het bestuur deze bevoegdheid toebedeeld krijgen.3 Het bestuur kan de bevoegdheid vervolgens bij een of meer bestuurders leggen, maar die vrijheid is niet onbegrensd.
Uit art. 2:129a/239a lid 1 BW volgt dat de taak om de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders vast te stellen, niet aan een uitvoerend bestuurder kan worden toebedeeld. De wetgever tracht met dit voorschrift het risico op belangenverstrengeling te voorkomen.4 Dezelfde gedachte ligt ten grondslag aan het tweede lid van art. 2:129a/239a BW.5 Op grond van deze bepaling mogen de uitvoerende bestuurders niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming omtrent de vaststelling van hun bezoldiging. Ik ga hier in § V.7.3.4.b nader op in.
Het bestuur kan de bevoegdheid wel bij een of meer niet-uitvoerende bestuurders leggen. Voor beursvennootschappen is dat zelfs verplicht. De Code schrijft namelijk voor dat niet de algemene vergadering, maar de niet-uitvoerende bestuurders de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders vaststellen.6
Wat is rechtens als een nadere taakverdeling ontbreekt? Bij Unilever NV bijvoorbeeld, bepalen de statuten slechts dat de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders wordt vastgesteld door het bestuur.7 Volgens Assink rust de taak om de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders vast te stellen in dat geval exclusief op de niet-uitvoerende bestuurders. Hij baseert zijn standpunt op art. 2:129a/239a lid 1 BW.8 Ik zie dat anders. Als een taakverdeling binnen het bestuur ontbreekt, dan komt de taak volgens mij toe aan het bestuur als collectief.9 Het eerste lid van art. 2:129a/239a BW gaat daar ook van uit. Uit deze bepaling volgt slechts dat de taak niet aan een uitvoerend bestuurder kan worden toebedeeld. De taak kan aan een of meer niet-uitvoerende bestuurders worden toegekend, maar verplicht is dat niet.10 Is een taakverdeling niet voorhanden, dan komt de taak dus toe aan de gezamenlijke uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. Aangezien de uitvoerende bestuurders ingevolge art. 2:129a/239a lid 2 BW een tegenstrijdig belang hebben bij de vaststelling van de bezoldiging, mogen zij niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming. Dit betekent dat de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders de facto wordt vastgesteld door de niet-uitvoerende bestuurders.11 Overigens komt ook Assink tot deze conclusie.12 Het onderscheid tussen onze opvattingen is louter semantisch van aard.