Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.5.2.1
V.5.2.1 Inleiding
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242798:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Voor de volledigheid wijs ik erop dat het doen van voordrachten voor de benoeming van een bestuurder en het vaststellen van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders niet alleen taken, maar tegelijkertijd ook bevoegdheden van het bestuur zijn. Een voorwaarde is uiteraard wel dat bij de statuten is bepaald dat het bestuur tot het uitoefenen van deze taken en bevoegdheden bevoegd is. Op het onderscheid tussen taken en bevoegdheden kom ik in hoofdstuk VI terug.
Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 15 (MvT); en Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 3, p. 15-16 (MvT).
In de eerste plaats beperkt art. 2:129a/239a lid 1 BW de vrijheid om de taken te verdelen over de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. Op grond van deze bepaling kan de taak om toezicht te houden op de taakuitoefening door de bestuurders niet worden ontnomen aan de niet-uitvoerende bestuurders. Verder kan het voorzitterschap van het bestuur, het doen van voordrachten voor de benoeming van een bestuurder en het vaststellen van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders niet aan een uitvoerend bestuurder worden toebedeeld.1 Volgens de minister gaat het hier om taken en bevoegdheden die in het duale governance model bij de raad van commissarissen liggen of gelet op een mogelijk belangenconflict niet uitsluitend mogen worden toegekend aan een of meer uitvoerende bestuurders.2 In het vervolg van deze subparagraaf passeren de beperkingen van art. 2:129a/239a lid 1 BW een voor een de revue.