De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.2.3.1:4.2.3.1 Organen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.2.3.1
4.2.3.1 Organen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366021:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handboek 2013, nr. 200, Van Schilfgaarde/Winter en Wezeman, nr. 94, Asser\Van der Grinten en Maeijer 2-II, nr. 37 en Dijk/Van der Ploeg, par. 5.2 en 5.3.
Dijk/Van der Ploeg, par. 5.2 en 5.3. Zie ook de noot van Blanco Fernandez onder 5 bij JOR 2000/145 (HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439, JOR 2000/145, Geestelijk Leider).
Art. 87, 96, 96a, 101 lid 6, 129 192, 197 lid 3, 198 lid 3, 206, 210 lid 6, 216 lid 1, 227 lid 2, 239 en 244 BW.
Zie art. 2:78a/189a BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor kwam ter sprake dat de regels van de deelrechtsorde bepalen in welke gevallen handelingen van personen als handelingen van een rechtspersoon kwalificeren. Zogeheten organen spelen daarin een belangrijke rol.
Alle rechtspersonen hebben gemeen dat zij organen kennen. De besluiten van deze organen worden aan de rechtspersoon toegerekend. In de literatuur zijn verschillende definities van het begrip “orgaan” geformuleerd die echter in grote lijnen op hetzelfde neerkomen.1 Terugkerende elementen in deze definities zijn dat het gaat om (groepen) personen c.q. instanties c.q. functionele eenheden die op grond van de wet of de statuten bevoegd zijn namens de rechtspersoon bindende beslissingen te nemen. De meest voorkomende organen zijn de aandeelhoudersvergadering, de vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort (zoals een prioriteitsaandeelhoudersvergadering), het bestuur en de raad van commissarissen.
Er bestaat in de literatuur discussie over de vraag of een persoon aan wie in de statuten een bepaalde (beslissings)bevoegdheid is toegekend, bijvoorbeeld de oprichter, een overheidsinstantie of een geestelijk leider, kwalificeert als een orgaan van de rechtspersoon. Ik sluit me dienaangaande aan bij de auteurs van Dijk/Van der Ploeg2 die het wenselijk achten om dergelijke personen wel als orgaan aan te merken:
“Naar ons inzicht bevordert het de eenheid van de rechtspersoon meer, wanneer alle organisatorische eenheden aan wie statutair beslissingsbevoegdheden zijn toebedeeld tot de organen worden gerekend. Alle beslissingen van die eenheden dienen genormeerd te worden door de statuten, reglementen en de redelijkheid en billijkheid. De beslissingen hebben toch ook allen effect ‘binnen’ de rechtspersoon.”
Voor de toepassing van een beperkt aantal artikelen3 blijkt echter uit de wet4 dat slechts de aandeelhoudersvergadering (van een bepaalde soort), bestuur, raad van commissarissen en gecombineerde vergadering van bestuur en commissarissen als orgaan kwalificeren. Voor dit onderzoek is dat echter van gering belang, omdat al deze bepalingen zijn opgenomen in andere afdelingen van Boek 2 BW dan de afdeling waarin het enquéterecht is vastgelegd. Voor de toepassing van art. 2:356 sub a BW – waarin is vastgelegd dat de ondernemingskamer een besluit van “enig ander orgaan van de rechtspersoon” kan vernietigen – ga ik er dus vanuit dat alle (groepen) personen c.q. instanties c.q. functionele eenheden, die op grond van de statuten bevoegd zijn namens de rechtspersoon bindende beslissingen te nemen, kwalificeren als orgaan.
Met de auteurs van Dijk/Van der Ploeg ben ik voorts van mening dat de ondernemingsraad slechts als orgaan van de rechtspersoon kan worden aangemerkt voor zover in de statuten bevoegdheden aan de ondernemingsraad zijn toegekend.