Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.2.6.2
II.2.6.2 De adressering van een norm
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460170:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
.. maar misschien wel met een andere (strafrechtelijke) norm.
Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 160; Kelk/De Jong 2016, p. 443-445. Blomberg & Koopmans 2015, p. 72.
Heel soms is er sprake van een ‘impliciet kwaliteitsdelict’. Zo zou je een kwalitatief bestanddeel kunnen lezen in het bouwverbod in artikel 2.1 lid 1 sub a Wabo, zie Michiels, Blomberg & Jurgens2016, p. 159. Een ander voorbeeld van een impliciet kwaliteitsdelict betreft artikel 10.1 lid 1 Wm, waarvan de verplichting volgens de wetstekst lijkt te zijn geadresseerd aan ‘een ieder’, maar bij nadere bestudering van de wetsgeschiedenis blijkt dat “artikel 10.1, derde lid, [zich] richt (..) tot degenen die beroeps- of bedrijfsmatig handelingen met afvalstoffen verrichten.” Kamerstukken II 1999/2000, 26 638, nr. 8, p. 4. Zie over de adressering van artikel 10.1 Wm par. II.2.6.3.
Overigens is er niet altijd sprake van een exclusieve kring van geadresseerden; de hoedanigheid die wordt vereist in het kwalitatieve bestanddeel kan er ook een zijn die vrijwel iedereen bezit of kan bezitten, bijvoorbeeld de bestuurder in de Wegenverkeerswet. Zie ook Kristen 2007, p. 115-116.
Al leent zelfs een ‘helder’ kwalitatief bestanddeel zoals ‘bestuurders’ zich nog voor verschillende interpretaties. Zie bijvoorbeeld omtrent een niet-benoemde bestuurder HR 3 december 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB6908, NJ 1975/229.
Een ander goed voorbeeld van een artikel dat onredelijk hoge verplichtingen aan alle betrokkenen zou opleggen, betreft artikel 5 lid 1 BRZO: dit is een omissiedelict dat de drijver van de inrichting een verplichting oplegt om alle maatregelen te nemen in het kader van een BRZO-bedrijf om zware ongelukken te voorkomen.
Er kan echter sprake zijn van een betekenisverschil. Stel dat de wetgever met ‘een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan’ een specifieke groep heeft willen adresseren, zoals de eigenaar van de grond, dan is voor het plegerschap vereist dat de aangesproken persoon zelf deze hoedanigheid bezit. Als dit echter niet het geval is en ‘bij wie afvalstoffen ontstaan’ wordt geïnterpreteerd als een onpersoonlijke omstandigheid, dan kan eenieder dit delict plegen, bijvoorbeeld ook degene die op andermans erf afvalstoffen produceert. Op deze laatste rust dan echter alsnog de algemene zorgplicht van artikel 10.1 lid 1 BW.
Deze passage wordt genoemd in r.o. 2.3 in HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9326 (concl. A-G Vegter), NJ 2010/23, conclusie ECLI:NL:PHR:2009:BI9326.
Ook de A-G heeft moeite met de interpretatie van het hof. Conclusie A-G 15 december 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI9326, par. 11: “Het lijkt er op dat de twee onderscheiden vragen te weten of verdachte normadressant is en of hij pleger is in een adem worden beantwoord. Ik laat dat nu maar voor wat het is.”
Cf. de opvatting van A-G Vegter in Conclusie A-G 15 december 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI9326, nr. 10, die wel uitgaat van een specifieke adressaat. Deze opvatting bespreek ik hierna in par. II.2.6.3, en daarin licht ik ook toe waarom artikel 10.2 Wm een tot eenieder gericht delict is.
Dit getuigt echter van een te fysieke interpretatie van artikel 10.2 lid 1. Hier kom ik op terug in par. II.3.4.4.
Fun fact: dit verbod geldt niet voor spermawinning ten behoeve van een door de European Association of Zoos and Aquaria gecoördineerd Europees fokprogramma, mits het dier onder algehele narcose is gebracht en de elektrische prikkeling geschiedt door of onder toezicht van een dierenarts.
HR 24 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2918 (concl. A-G Machielse), NJ 2005/434; JM 2006/32, m.nt. Koopmans; JIN 2005/282, m.nt. Kessler, conclusie A-G ECLI:NL:PHR:2005:AT2918 (Binnentanker).
Uitgangspunt: tot eenieder gericht
Als een norm een gedraging verbiedt, dan is het uitgangspunt dat iedereen zich moet houden aan het verbod in de delictsomschrijving. Bijvoorbeeld, artikel 173a sub 1 Sr bepaalt dat het opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of een geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is. Dat betekent dat iedere (rechts)persoon die deze gedraging opzettelijk verricht in beginsel een strafbaar feit pleegt. Een norm die tot eenieder is gericht, wordt een ‘algemeen delict’ of een ‘gemeen delict’ genoemd.
Een specifieke adressaat
Soms zijn de normen gericht tot een specifieke adressaat. Dat betekent dat de verplichting uit de norm niet geldt voor iedereen, maar slechts voor de (rechts) personen met de door de norm omschreven kwaliteit. De adressaat van de norm, heet – niet verrassend – de normadressaat. Een delict met een kwalitatief bestanddeel heet een kwaliteitsdelict.
Een bekend voorbeeld van kwaliteitsdelicten is een ambtsdelict, zoals artikel 365 Sr: ‘De ambtenaar die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie’. Een topsporter die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, verricht weliswaar de delictsgedraging van artikel 365 Sr, maar handelt tóch niet in strijd met deze norm.1 De verbodsbepaling bevat slechts een verplichting voor ambtenaren.
Een ander voorbeeld uit het milieustrafrecht: op basis van artikelen 17.1 en 17.2 Wet milieubeheer is ‘degene die de inrichting drijft’ verplicht om onmiddellijk maatregelen te nemen zodra zich een ongewoon voorval voordoet waardoor nadelige gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, en dit voorval te melden. De meldplicht en verplichting om maatregelen te nemen, rust niet op een voorbijganger die het voorval ziet gebeuren, maar wél op de drijver van de inrichting.
Betekenis normadressaatschap voor daderschap
Waarom is het relevant om de normadressaat te achterhalen? Zoals gezegd moet de pleger zelf álle bestanddelen van het delict vervullen. Als er sprake is van een kwaliteitsdelict, moet de leidinggevende vanwege het kwalitatieve bestanddeel dus zelf normadressaat zijn. Deelnemers hoeven niet zelf het kwalitatieve bestanddeel te vervullen.2 Maar dan is het toch nog noodzakelijk te achterhalen tot wie de norm is gericht, want de deelnemer moet in een bepaalde relatie staan tot de normadressaat. Zo moet bij feitelijk leidinggeven de rechtspersoon (ingevolge het accessoriteitsvereiste) een strafbaar feit begaan. Dit geschiedt meestal via (functioneel) plegerschap, en dus moet de geschonden norm (in ieder geval) zijn gericht tot de rechtspersoon. Bij medeplegen moet de verdachte zelf, of anders degene met wie hij nauw en bewust samenwerkt het kwalitatieve bestanddeel vervullen. Oftewel, normadressaatschap is relevant voor ieder type daderschap.
Het achterhalen van de normadressaat
Hoe kan worden vastgesteld of een voorschrift is gericht tot een specifieke adressaat, en zo ja, wie de normadressaat is? Zoals gezegd is de hoofdregel dat normen gericht zijn tot eenieder. Dus als er niets staat omtrent een specifieke kwaliteit die de pleger dient te hebben, is het waarschijnlijk3 een algemeen delict. In het strafrecht zijn veel normen geformuleerd als ‘hij die’, met vervolgens de delictsgedraging. Dit betekent natuurlijk niet dat alleen mannen worden geadresseerd door de norm; dit zijn ‘gewoon’ algemene delicten, zij het met een masculiene formulering.
Als de wetgever een specifieke4 adressaat heeft beoogd, is dit doorgaans geëxpliciteerd in het wetsartikel. Er staat dan in plaats van ‘hij die’ bijvoorbeeld ‘de bestuurder’ (bijv. art. 343 Sr), ‘de schuldeiser’ (art. 345 Sr), ‘de ambtenaar’ (bijv. art. 359 Sr), ‘de schipper’ (bijv. art. 470 Sr) enzovoorts. Bij deze delicten is er sprake van een makkelijk identificeerbare groep geadresseerden.5
Maar de hoedanigheid die vereist is voor het vervullen van een kwalitatief bestanddeel, is niet altijd zo duidelijk als de voorbeelden hiervoor doen vermoeden. Soms kiest de wetgever (al dan niet bewust) voor een vage hoedanigheid, zodat het kwalitatieve bestanddeel nader kan worden ingevuld door de rechtspraktijk en de rechtswetenschap. Het eerder gebruikte voorbeeld met de drijver kan dat illustreren. ‘Degene die de inrichting drijft’ is normadressaat van veel normen in het milieu(straf ) recht. Maar wie drijft de inrichting? De rechtspersoon? De eigenaar? De bestuurders? De bedrijfsleider? Degene die de vergunning heeft aangevraagd? Allemaal? Deze hoedanigheid kan op veel verschillende manieren worden uitgelegd, zoals in het bestuursrechtelijke hoofdstuk uitgebreid aan bod komt. In sommige gevallen vergt het dus toch nog enige interpretatie, om te achterhalen op wie de verplichting uit de norm rust.
Functie van kwalitatieve bestanddeel
Waarom zou de wetgever ervoor kiezen om een delict een kwaliteitsdelict te maken? Bij een algemeen delict kunnen immers veel meer mensen aangesproken worden op de verboden of geboden gedraging, hetgeen de handhaving zal vergemakkelijken. Maar het is niet altijd wenselijk dat een norm algemene werking heeft. Er zijn verschillende redenen voor de wens om een specifieke groep aan te spreken.
Ten eerste kan de wetgever een kwalitatief bestanddeel gebruiken om een gekwalificeerde versie te introduceren van een commuun delict. De betreffende kwaliteit is dan een wettelijke strafverzwarende of strafverlichtende omstandigheid. Zo krijgt de beheerder van ‘instellingen van weldadigheid’ een zwaardere straf voor verduistering, dan de beheerder van een ander soort instelling (bijvoorbeeld de beheerder van timmerbedrijf ) voor hetzelfde vergrijp (cf. art. 321 Sr en art. 323 Sr).
Ook kan een beperking in de kring der geadresseerden wenselijk zijn om te ruime aansprakelijkheid te voorkomen. De adressering van de norm speelt met name een belangrijke rol wanneer de norm niet een verbod, maar een gebod bevat. Bij dergelijke normen kan met nalaten de objectieve zijde van het delict reeds vervuld worden, en zonder het kwalitatieve bestanddeel zou dit een grote, onbepaalde groep overtreders opleveren. Neem bijvoorbeeld de eerder aangehaalde gebodsbepalingen uit artikel 17.1 en 17.2 Wm; als dit geen kwaliteitsdelicten maar algemene delicten zouden zijn, zou op iedereen – dus ook een uitvoerende werknemer of een toevallige voorbijganger – de verplichting rusten om een ongewoon voorval te melden aan het bevoegd gezag en maatregelen te nemen wanneer dit voorval zich voordoet.6 Het opzettelijk achterwege laten van meldingen of maatregelen kan dan al worden aangemerkt als misdrijf. Dit levert een veel grotere strafbare groep personen op dan wenselijk is. Dat is dan ook de functie van het kwalitatieve bestanddeel, niets meer en niets minder: het beperken van de kring der personen op wie de verplichting rust. De adressering van een verplichting uit een norm, is dan ook een andere kwestie dan de inhoud van de verplichting.
Verhouding tot andere bestanddelen
Zodoende komt opnieuw het eerder gemaakte onderscheid tussen verschillende typen omstandigheden in beeld. Elk type bestanddelen kent zijn eigen soort vraag. Objectieve bestanddelen zien op de omstandigheden die een bepaald soort handelen of situatie strafbaar maken. Subjectieve bestanddelen zien op de geestesgesteldheid van de dader (opzet/schuld). Kwalitatieve bestanddelen stellen eisen aan de hoedanigheid van de dader.
Tegelijkertijd moet worden aangetekend dat de bestanddelen niet strikt van elkaar moeten of kunnen worden onderscheiden. Net zoals soms een delictsgedraging een bepaalde geestesgesteldheid veronderstelt (‘mishandeling’ impliceert bijvoorbeeld opzet) waardoor de objectieve zijde van het delict bepaalde subjectieve trekken krijgt, net zo kan het kwalitatieve bestanddeel overlap hebben met andere bestanddelen. Soms is discussie mogelijk over de kleur van een bestanddeel (objectief, subjectief, kwalitatief ).
Bijvoorbeeld, artikel 10.1 lid 2 Wm bepaalt kort gezegd dat het voor een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan verboden is handelingen te verrichten met betrekking tot die afvalstoffen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Je zou ‘een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan’ kunnen interpreteren als een kwalitatief bestanddeel, maar je zou artikel 10.1 lid 2 Wm ook kunnen interpreteren als een algemeen delict waarbij het zinsdeel ‘bij wie afvalstoffen ontstaan’ kan worden aangemerkt als een objectief bestanddeel, meer specifiek als een onpersoonlijke omstandigheid waarvan sprake moet zijn voor het strafbare karakter van de gedraging. Beide interpretaties leiden in principe tot dezelfde uitkomst.7
Dat sommige specifieke delictsbestanddelen zich lastig in een hokje laten plaatsen, doet er echter niet aan af dat er wel een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt tussen de functies van de verschillende bestanddelen. Wanneer het ene bestanddeel wordt uitgelegd als een afgeleide van het andere, neemt onduidelijkheid toe en gaat functionaliteit verloren. Bijvoorbeeld, als de functie van het kwalitatieve bestanddeel wordt miskend, bestaat het risico dat personen ten onrechte strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor het schenden van een verplichting die aan een ander is gericht. Het verschil in functie van het objectieve bestanddeel en het kwalitatieve bestanddeel kan worden verduidelijkt aan de hand van de volgende voorbeelden.
Voorbeelden
Het eerste voorbeeld betreft een zaak – die nader besproken zal worden in paragraaf II.3.4.4 – waarin een grote hoeveelheid groenafval (resten van uien, wortels en lelies) is gestort op het land van de verdachte, een natuurlijk persoon. De vraag rijst of verdachte – die niet zelf het afval gestort heeft maar de storting ‘slechts’ heeft toegestaan – in strijd heeft gehandeld met artikel 10.2 lid 1 Wm. Het artikel luidt als volgt: “Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.” Het hof spreekt de verdachte vrij en heeft daartoe het volgende overwogen:8
“Nog daargelaten of met betrekking tot die stoffen kan worden gesproken van afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer, heeft naar het oordeel van het hof verdachte niet te gelden als normadressaat van de overtreden bepaling. Weliswaar heeft verdachte toegestaan dat de in de tenlastelegging genoemde stoffen op zijn land werden gestort, doch dat maakt hem nog geen pleger van het strafbare feit zoals is ten laste gelegd. Daarvan kan naar het oordeel van het hof pas worden gesproken als verdachte ten aanzien van die stoffen een handeling heeft verricht die is gericht op het zich ontdoen daarvan, zoals bijvoorbeeld het onderwerken. Nu zulks hier niet is gebleken acht het hof niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.”
De overweging van het hof dat de leidinggevende geen normadressaat is van artikel 10.2 lid 1 Wm is onjuist.9 Als ik het goed zie bevat de delictsomschrijving geen kwalitatief bestanddeel;10 het artikel verbiedt in algemene zin om afvalstoffen buiten een inrichting in de bodem te brengen. De verplichting geldt dus voor iedereen, inclusief de aangesproken leidinggevende.
Waar het volgens mij misgaat is dat in de motivering van het hof normadressaatschap, plegerschap en de uitleg van de delictsgedraging door elkaar heen lopen. Het hof geeft een zeer fysieke interpretatie aan het tenlastegelegde delict, en gaat ervan uit dat ‘het toelaten van de stortingen’ geen ‘storten’ in de zin van artikel 10.2 lid 1 Wm is. Maar in plaats van te concluderen dat daardoor de delictsgedraging niet is verricht (en dus het objectieve bestanddeel niet is vervuld, en de verdachte daarom geen pleger is) zegt het hof in de eerste zin dat de aangesprokene geen normadressaat is. Makkelijker gezegd, het hof komt tot de conclusie dat de verdachte het niet heeft gedaan,11 maar overweegt per abuis dat verdachte niet gehouden is tot de naleving van de verplichting (want geen normadressaat is). Dit is een onwenselijk precedent, want hierdoor zouden personen met een vergelijkbare hoedanigheid die aansprakelijk worden gesteld voor het overtreden van artikel 10.2 lid 1 Wm ten onrechte normadressaatschap als verweer kunnen gebruiken.
Voor de duidelijkheid: iemand ‘wordt’ geen normadressaat door de delictsgedraging te verrichten. Bijvoorbeeld, degene die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, verricht de delictsgedraging van het ambtsdelict neergelegd in artikel 365 Sr, maar verandert daarmee niet plotsklap in een ambtenaar.
Andersom is het niet zo dat degene die de door een norm vereiste kwaliteit bezit, zich kan onttrekken aan zijn normadressaatschap met het betoog dat deze de gedraging niet kán verrichten. Een ambtenaar die door gewetensbezwaren of vanwege waterdichte controle nimmer misbruik van diens gezag zou kunnen maken, blijft normadressaat van artikel 365 Sr.
Nu toegepast op een tot eenieder gericht delict met een zeer specifieke gedraging: het is op grond van artikel 1.17 lid 2 Besluit houders dieren voor iedereen verboden om ‘bij het fokken van dieren sperma te winnen door middel van elektrische prikkeling’.12 Dit verbod zal waarschijnlijk alleen betekenis hebben voor fokkers van dieren, maar daarmee verandert het delict niet opeens in een (impliciet) kwaliteitsdelict. Want het verbod blijft gelden voor niet-fokkers die deze niet-alledaagse handeling toch verrichten.
In het Binnentanker-arrest was er ook sprake van een misverstand met betrekking tot kwalitatieve bestanddelen.13 In deze zaak werd de eigenares van een schip vervolgd voor het lekken van gasolie, terwijl het lek het gevolg was van een (aan verdachte onbekend) defect aan de tank van het schip. De verdediging verwijt het hof dat hij door het toerekenen van het olielek een “kwaliteitselement” gelezen heeft in het ten laste gelegde artikel (art. 1 lid 1 en 3 Wvo). Daarmee wekt de verdediging de indruk dat een kwalitatief bestanddeel zou kunnen leiden tot een soort risicoaansprakelijkheid. Dat is natuurlijk onjuist: ook al zou de geschonden bepaling een kwalitatief bestanddeel bevatten (quod non) dan zou dit nog steeds niet kunnen rechtvaardigen dat de delictsgedraging aan de normadressaat wordt toegerekend. Het kwalitatieve bestanddeel bepaalt immers slechts wie gehouden is tot de naleving van de verplichting. Het vervullen van het kwalitatieve bestanddeel is geen substituut voor het vervullen van een objectief bestanddeel: voor plegen moeten allebei zijn vervuld. Makkelijker gezegd: dat de norm geldt voor de verdachte (normadressaatschap) betekent nog niet dat de verdachte het verbod of gebod uit de norm heeft geschonden.
Deze voorbeelden illustreren hopelijk de verschillende functies van het kwalitatieve en het objectieve bestanddeel, en laten zien dat de normadressaat iets anders betekent dan ‘degene die de delictsgedraging verricht of kan verrichten’.