Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.4.2
5.4.2 De parlementaire geschiedenis van het groepsregime
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250359:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1969/70, 10689, 2, p. 4-5 (OvW). Zie § 2.2 voor een uitvoerigere bespreking van de wetshistorie van het groepsregime.
Kamerstukken II 1969/70, 10689, 4, p. 31 (bijlage 2 MvT).
Kamerstukken II 1970/71, 10689, 7, p. 7 (MvA).
Stb. 1971, 286.
Handelingen II 1970/71, p. 2998.
Stb. 1976, 228.
Kamerstukken II 1973/74, 11005, 64, p. 2 (2eNvW).
Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 854 en Franken & Franken 2008, p. 74.
Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 853-854.
Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 853-854. Zie ook Rb. Rotterdam 14 januari 1987, NJ 1988/1050 (Phillips/Van Eijk) en Franken & Franken 2008, p. 74. Vgl. Bartman in zijn annotatie onder Rb. Amsterdam 20 december 2000, JOR 2001/53 (Tevema).
Stb. 1983, 663.
HvJ EG 13 november 1990, NJ 1993/163 (Marleasing), r.o. 7 en 8.
Kamerstukken II 1970/71, 10689, 7, p. 7 (MvA).
Kamerstukken II 1969/70, 10689, 4, p. 31 (bijlage 2 MvT).
Beckman 1995a, p. 121-122.
Beckman 1995a, p. 649-650.
Beckman 1995a, p. 650 en Zwemmer 2011, p. 226.
Kamerstukken II 1992/93, 22896, 3, p. 25 (MvT). Ik merk op dat een verzekeringsmaatschappij sinds 2015 niet meer gebruik kan maken van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime (zie art. 2:403 lid 4 BW en Stb. 2015, 349).
Harmsma 2001, p. 113, Bartman 2002, p. 22, Franken & Franken 2008, p. 61 en Zwemmer 2011, p. 226. Zie ook Hof Amsterdam 26 juli 2001, JOR 2004/94, m.nt. Bartman (Hemony/Van der Woude), r.o. 4.9.
Kamerstukken II 1970/71, 10689, 7, p. 7 (MvA).
Op grond van het voorgestelde art. 42c lid 2 WvK van het wetsvoorstel Regeling van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zou een groepsmaatschappij gebruik mogen maken van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime als (onder meer) haar moedermaatschappij zich aansprakelijk had gesteld voor de verbintenissen die de groepsmaatschappij ‘zal aangaan’.1 In navolging van het advies van de Commissie Vennootschapsrecht2 heeft de minister in de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel opgemerkt dat de moedermaatschappij zich slechts aansprakelijk zou hoeven stellen voor de toekomstige verplichtingen van de groepsmaatschappij. De moedermaatschappij zou zich niet aansprakelijk hoeven stellen voor de reeds bestaande verplichtingen omdat dergelijke crediteuren volgens de minister genoegen hebben genomen met de kredietwaardigheid van de groepsmaatschappij, voor zover zij zelf geen garanties hebben bedongen.3
Het voorgestelde art. 42c WvK is nooit in de wet opgenomen. Het groepsregime is later in een aangepaste vorm opgenomen in art. 38a WJO. Op grond van deze bepaling moest de moedermaatschappij zich aansprakelijk stellen voor de ‘aangegane schulden’ van de groepsmaatschappij die gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling.4 Bij de beraadslaging in de Tweede Kamer heeft een Kamerlid betoogd dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij niet beperkt zou moeten zijn tot de toekomstige schulden van de groepsmaatschappij. De minister liet echter in een schriftelijk reactie weten geen reden te zien om de regeling aan te passen.5 Hij bevestigt daarmee indirect het eerdere uitgangspunt dat de moedermaatschappij zich slechts aansprakelijk hoeft te stellen voor de toekomstige verplichtingen van de groepsmaatschappij.
Toen het groepsregime later is verplaatst naar art. 2:343 (oud) BW, is de formulering met betrekking tot de aansprakelijkstelling door de moedermaatschappij opnieuw gewijzigd.6 Ingevolge deze bepaling moest de moedermaatschappij een verklaring deponeren op grond waarvan zij zich aansprakelijk stelt ‘voor de uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden’ van de groepsmaatschappij. Met deze aanpassing was volgens de minister echter geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van art. 38a WJO. De nieuwe formulering had enkel tot doel om te verduidelijken dat de moedermaatschappij zich slechts aansprakelijk hoefde te stellen voor de schulden die uit een rechtshandeling van de groepsmaatschappij waren voortgevloeid.7 Het uitgangspunt dat de moedermaatschappij alleen aansprakelijk is voor de toekomstige verplichtingen van de groepsmaatschappij bleef dus van kracht.
Het groepsregime in Nederland, en art. 38a WJO in het bijzonder, heeft gediend als inspiratie voor de jaarrekeningvrijstelling voor dochterondernemingen op grond van art. 57 van de Vierde EEG-richtlijn – thans art. 37 van de richtlijn jaarrekeningen.8 Een van de voorwaarden uit art. 57 van de Vierde EEG-richtlijn om gebruik te mogen maken van deze vrijstelling was dat de moederonderneming zich garant moest stellen voor de ‘aangegane verplichtingen’ van de dochteronderneming.9 Houwen merkt op dat deze formulering is ontleend aan art. 38a WJO op grond waarvan een moedermaatschappij zich aansprakelijk moest stellen voor de ‘aangegane schulden’ van de groepsmaatschappij.10 Hierboven heb ik erop gewezen dat ten aanzien van deze bepaling wordt aangenomen dat de moedermaatschappij zich slechts aansprakelijk hoefde te stellen voor de toekomstige verplichtingen van de groepsmaatschappij. Dit brengt volgens Houwen mee dat ook de temporele reikwijdte van de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van art. 2:403 BW zo moet worden uitgelegd dat de moedermaatschappij slechts aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht vanaf het moment dat de 403-verklaring is gedeponeerd.11
Ik interpreteer bovenstaande redenering van Houwen aldus dat de aansprakelijkstelling uit art. 57 van de Vierde EEG-richtlijn moet worden uitgelegd overeenkomstig art. 38a WJO, te weten: een aansprakelijkstelling voor toekomstige verplichtingen. Aangezien art. 57 van de Vierde EEG-richtlijn in Nederland is geïmplementeerd in art. 2:403 BW12 moet laatstgenoemde bepaling worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de desbetreffende richtlijn.13 Dit betekent dat een moedermaatschappij op grond van een 403- verklaring ook slechts aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht nadat de 403-verklaring is gedeponeerd.
Bovenstaand betoog is echter niet onomstreden. Ik wijs op drie punten. Ten eerste is de argumentatie in de kern terug te voeren tot een opmerking van de minister in de memorie van antwoord met betrekking tot het voorgestelde art. 42 WvK14 – en het bijbehorende advies van de Commissie Vennootschapsrecht.15 Beckman wijst er terecht op dat art. 42c WvK nooit in de wet is opgenomen en dat de voorgestelde jaarrekeningvrijstelling op grond van deze bepaling beperkter was dan die uit het latere art. 38a WJO.16 Op grond van art. 42c WvK zouden slechts bepaalde groepsmaatschappijen gebruik kunnen maken van de jaarrekeningvrijstelling. Daarnaast had deze vrijstelling alleen betrekking op de openbaarmakingsplicht en niet tevens op de inrichting van de jaarrekening – met dien verstande dat als de openbaarmakingsplicht verviel de groepsmaatschappij op grond van art. 13 lid 3 WJO met instemming van de aandeelhouders gebruik zou kunnen maken van de bevoegdheid om af te wijken van de inrichtingsvereisten voor een jaarrekening uit de WJO. Evenals Beckman meen ik daarom dat de ‘doorwerking’ van de opmerking van de minister met betrekking tot het voorgestelde art. 42c WvK ten aanzien van art. 38a WJO – en de andere genoemde bepalingen – slechts op magere grond te verdedigen is.17
Een tweede kritiekpunt met betrekking tot de doorwerking van de opmerking van de minister, is dat de Nederlandse parlementaire geschiedenis van het groepsregime niet bepalend is voor de uitleg van art. 57 van de Vierde EEG-richtlijn. Hoewel de aansprakelijkstelling door een moederonderneming op grond van art. 57 van de Vierde EEG-richtlijn is geïnspireerd op de aansprakelijkstelling door een moedermaatschappij op grond van art. 38a WJO, deel ik de mening van Beckman en Zwemmer dat de richtlijn op dit punt niet per se hetzelfde hoeft te worden uitgelegd. De richtlijn is een eigen regeling die op zichzelf moet worden beoordeeld.18 Dit betekent overigens niet dat art. 57 uit de richtlijn niet zo kan worden uitgelegd dat de moederonderneming zich slechts aansprakelijk hoeft te stellen voor toekomstige verplichtingen, maar wel dat art. 38a WJO niet doorslaggevend is voor de uitleg van art. 57 van de richtlijn – en daarmee ook niet voor de uitleg van art. 2:403 BW als implementatie van deze bepaling in Nederland. De opmerking van de minister met betrekking tot het voorgestelde art. 42c WvK werkt daarom niet door ten aanzien van art. 2:403 BW.
Het derde en laatste punt waar ik op wijs is dat de minister bij het wetsvoorstel Bepalingen voor de jaarrekening van verzekeringsmaatschappijen impliciet heeft bevestigd dat zijn opmerking omtrent de reikwijdte van de aansprakelijkheid op grond van het voorgestelde art. 42c WvK niet doorwerkt ten aanzien van art. 2:403 BW. In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel merkt de minister op dat een verzekeringsmaatschappij gebruik kan maken van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime op grond van art. 2:403 BW, indien (onder meer) de moedermaatschappij zich aansprakelijk heeft gesteld voor de uit rechtshandelingen van de verzekeringsmaatschappij ‘voortvloeiende en voortgevloeide schulden’.19 Dat de moedermaatschappij zich volgens de minister ook aansprakelijk moet stellen voor de schulden die al uit een rechtshandeling zijn voortgevloeid, betekent dat de 403-aansprakelijkheid niet is beperkt tot de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij verricht vanaf het moment dat de 403-verklaring is gedeponeerd.20 De minister wijkt dus af van zijn eerdere standpunt ten aanzien van het voorgestelde art. 42c WvK.21 Hij licht echter niet toe wat ten grondslag ligt aan deze wijziging.