Omdat het een cassatieberoep van het openbaar ministerie betreft is, anders dan bij het cassatieberoep van de klager tegen een (afwijzende) beslissing tot teruggave, de vraag of het rijbewijs inmiddels al of niet is teruggegeven niet bepalend voor het belang in cassatie, vgl. HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:538, NJ 2014/375, m.nt. Keulen.
HR, 30-11-2021, nr. 21/00488
ECLI:NL:HR:2021:1792
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-11-2021
- Zaaknummer
21/00488
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1792, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 30‑11‑2021; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:657
ECLI:NL:PHR:2021:657, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑07‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1792
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑04‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0362
NJ 2022/67 met annotatie van W.H. Vellinga
Uitspraak 30‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Beschikking, klaagschrift ex art. 164.8 WVW 1994 strekkende tot teruggave van ingevorderd rijbewijs. OM-cassatie. Wanneer is sprake van ‘invordering’ a.b.i. art. 164.6 WVW 1994? Rb heeft geoordeeld dat onder ‘invordering’ moet worden verstaan de door opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van rijbewijs a.b.i. art. 164.1 WVW 1994, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd. Van ‘invordering’ a.b.i. art. 164.6 WVW 1994 is sprake wanneer het rijbewijs n.a.v. een vordering tot overgifte a.b.i. art. 164.1 WVW 1994 door de in die bepaling genoemde personen of OM daadwerkelijk is ontvangen. Oordeel Rb is dus onjuist. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00488 B
Datum 30 november 2021
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 20 januari 2021, nummer RK 20/011373, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat onder ‘invordering’ als bedoeld in artikel 164 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) moet worden verstaan: de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in artikel 164 lid 1 WVW 1994, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd.
2.2
De beslissing van de rechtbank houdt, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, het volgende in:
“Feiten
Tegen de klaagster is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd te Nijmegen op 11 november 2020.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat het alcoholgehalte in haar bloed hoger was dan 0,2 milligram alcohol per liter, namelijk 1,69 mg/l en dat het cocaïnegehalte in haar bloed hoger was dan 10 milligram per liter, namelijk 210 mg/l.
Op 11 november 2020 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van de klaagster ingevorderd.
De officier van justitie heeft vervolgens beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van 5 maanden, uiterlijk tot 16 april 2021.
(...)
Beklag
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs. Hiertoe is, kort samengevat, primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet tijdig een beslissing heeft genomen aangaande de invordering van het rijbewijs. Onder verwijzing naar artikel 164 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994, stelt klaagster zich op het standpunt dat de beslissing op 1 december 2020 is genomen, terwijl het rijbewijs al op 17 november 2020 in het bezit was van het Openbaar Ministerie. In de kennisgeving tot invordering is geen andere beslissingsdatum genoemd. Die beslissing ligt buiten de 10 dagen termijn.
(...)
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs. Hij stelt zich op het standpunt dat de beslissing tot inhouding van het rijbewijs is genomen op 27 november 2020 en derhalve binnen de gestelde termijn van tien dagen, welke termijn pas ingaat op het moment van feitelijke overhandiging van het rijbewijs. Dat is gebeurd op 17 november 2020. (...)
Beoordeling
De rechtbank overweegt het volgende.
Blijkens art. 164 lid 6 WVW 1994 dient de OvJ binnen tien dagen “na de dag van invordering” te beslissen over inhouding van het rijbewijs. Gebeurt dat niet, dan dient hij de teruggave van het rijbewijs te bevelen. Dat roept de vraag op wat moet worden verstaan onder "invordering" in deze bepaling.
De regeling van de strafvorderlijke invordering en inhouding van het rijbewijs, thans neergelegd in art 164 WVW 1994, vindt zijn oorsprong in de wet van 15 mei 1991, Stb. 291. Deze regeling is in de nieuwe WVW 1994 nagenoeg onveranderd overgenomen zodat de wetsgeschiedenis van deze voorgaande wettelijke regeling zijn waarde behoudt. In de memorie van toelichting is vermeld dat “van invordering eerst sprake is indien de in artikel 27, eerste lid, bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, zodat in de praktijk steeds bewezen zal kunnen worden dat de bestuurder weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zijn rijbewijs was ingevorderd.” (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 3, p. 9). Het eerste deel van deze aangehaalde zin heeft de rechtbank Den Bosch ertoe gebracht te beslissen dat er geen sprake is van invordering van het rijbewijs in de zin van art. 27 WVW (thans: art. 164 WVW 1994) indien dat rijbewijs niet feitelijk is overhandigd aan de politie (rechtbank ‘s-Hertogenbosch 22 maart 1992, ECLI:NL:RBSHE:1992:AD1638, NJ 1992/469). Dit echter ten onrechte.
Deze passage in de toelichting had immers betrekking op art. 32 (thans art. 9 WVW 1994). De “invordering” is in deze context verbonden aan het fysieke "in handen zijn van" politie of justitie om bewijstechnische redenen. Vanaf het moment dat de bestuurder het rijbewijs heeft afgegeven tot aan het moment dat hij het weer heeft terug ontvangen, is er sprake van “invordering” in de zin van art. 27 (oud) en is het dus verboden een voertuig te besturen (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. p. 9) Het besturen van een motorvoertuig nadat een vordering tot afgifte is gedaan maar vóór feitelijke afgifte, is apart strafbaar gesteld in dezelfde bepaling art. 9 lid 7 WVW 1994. Ten onrechte heeft de rechtbank Den Bosch uit deze passage afgeleid dat deze uitleg ook heeft te gelden voor een bezwaarprocedure tegen de inhouding van het rijbewijs.
Na de inname van het rijbewijs dient de politie het rijbewijs met het proces-verbaal van invordering op te sturen naar het parket. Daar moet de OvJ beoordelen of het rijbewijs moet worden ingehouden, in afwachting van de strafzitting. Hij krijgt hiervoor tien dagen de tijd, zodat hij kan onderzoeken of betrokkene eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten dan wel of er eerder proces-verbaal tegen hem is opgemaakt voor verkeersdelicten. Hieruit kan namelijk een recidivegevaar voor de toekomst worden afgeleid, dat redengevend kan zijn voor verdere inhouding. Volgt binnen deze tien dagen geen beslissing tot inhouding, dan moet het rijbewijs worden terug gegeven (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 3, p. 10). In de oorspronkelijke tekst van het wetsontwerp luidde art. 27 lid 4: “Indien de ambtenaar van het openbaar ministerie binnen tien dagen na de ontvangst van het proces-verbaal niet gebruik maakt van de in het derde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het rijbewijs of de rijbewijzen zo spoedig mogelijk terug aan de houder.” (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 2, p. 2). De tien dagen termijn nam dus een aanvang met de ontvangst van het proces-verbaal op het parket. Bij nota van wijziging werd het voorstel gewijzigd in: "Indien de ambtenaar van het openbaar ministerie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het derde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het rijbewijs of de rijbewijzen onverwijld terug aan de houder." Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 7, p. 1). Dit werd in de memorie van antwoord toegelicht: de tien dagen termijn gaat in de “dag na de invordering” en niet pas bij ontvangst van het proces-verbaal om meer duidelijkheid te scheppen over het ingangsmoment; het is immers tevoren niet bekend wanneer het proces-verbaal van invordering bij het parket zal inkomen en het is niet juist de bestuurder te belasten met allerlei vertragingen bij de politie (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 6, p. 20).
Uit het voorgaande volgt dat de termijn van tien dagen aan de OvJ is gegeven om te beoordelen of er redenen zijn het rijbewijs verder in te houden, meer in het bijzonder of er sprake is van recidive. De wetgever heeft deze periode duidelijk willen afbakenen door het aanvankelijke aanvangsmoment van ontvangst van het proces-verbaal te wijzigen in de dag na invordering, mede om hierover geen misverstand te laten bestaan en om betrokkene binnen een korte, overzichtelijke termijn duidelijkheid te willen geven of zijn rijbewijs al dan niet zou worden ingehouden en dus of hij genoopt was een bezwaarschrift in te dienen als hij toch over het rijbewijs wilde beschikken. Voor onderzoek of er sprake is van recidive en of er gronden zijn het rijbewijs langer in te houden in afwachting van de inhoudelijke strafzitting, is het ook niet nodig fysiek te beschikken over het ingevorderde rijbewijs. Er is dus ook inhoudelijk geen reden de tien dagen termijn pas te laten ingaan op liet moment dat het rijbewijs daadwerkelijk is afgegeven aan politie of justitie. Aangezien vaak niet duidelijk is wanneer de feitelijke inlevering zal plaatsvinden, ingeval dat niet meteen bij de staande houding is gebeurd, zou het aanvangsmoment van de tien dagen termijn dus weer onzeker zijn en dat is precies wat de wetgever destijds wilde voorkomen door genoemde wijziging in het wetsvoorstel. Redelijke wetsuitleg brengt daarom mee dat onder “invordering” als bedoeld in art. 164 lid 6 WVW moet worden verstaan: de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd.
De mogelijke tegenwerping dat bij deze uitleg van art. 164 lid 6 WVW een bestuurder de mogelijkheid heeft overgifte van het rijbewijs achterwege te laten (onder het mom van diefstal of verlies) en vervolgens toch ongestraft een motorvoertuig zou kunnen blijven besturen, gaat niet op omdat ook deze handeling is strafbaar gesteld in art.. 9 lid 7 WVW.
Aangezien de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van de invordering heeft beslist het rijbewijs onder zich te houden, zal het rijbewijs volgens het bepaalde in artikel 164, zesde lid, WVW 1994, aan de klager worden teruggegeven.
De rechtbank zal het klaagschrift gegrond verklaren en bevelen dat het rijbewijs aan de klager moet worden teruggegeven.”
2.3.1
Artikel 164 WVW 1994, luidt, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang:
“1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs.
(...)
4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken.
(...)
6. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte plaats indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Het rijbewijs wordt niet aan de houder teruggegeven, indien het een rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 123b, vierde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 134, vierde lid, of 180, vierde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.”
2.3.2
Diverse onderdelen van de wetsgeschiedenis bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 15 mei 1991, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet (invordering en inhouding van rijbewijzen), Stb. 1991, 291, de voorloper van de Wegenverkeerswet 1994, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.6. Daarvan is in het bijzonder de memorie van toelichting van belang die ten aanzien van artikel 32 (oud) en artikel 27 lid 1 WVW, welke wet nadien is vervangen door de Wegenverkeerswet 1994 – thans artikel 164 lid 6 WVW 1994 − onder meer het volgende inhoudt:
“Voorgesteld wordt om artikel 32 WVW aan te vullen met een nieuw derde lid waarin - op soortgelijke wijze als in het eerste en tweede lid van dat artikel - een verbod is vervat op het besturen van een motorrijtuig nadat het daarvoor afgegeven rijbewijs is ingevorderd. Aangezien van invordering eerst sprake is indien de in artikel 27, eerste lid, bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, zal in de praktijk steeds bewezen kunnen worden dat de bestuurder weet of redelijkerwijs moet weten dat zijn rijbewijs is ingevorderd.” (Kamerstukken II 1987/88, 20 591 nr. 3 p. 9)
2.4
Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is van ‘invordering’ als bedoeld in artikel 164 lid 6 WVW 1994 sprake wanneer het rijbewijs naar aanleiding van een vordering tot overgifte als bedoeld in artikel 164 lid 1 WVW 1994 door de in die bepaling genoemde personen of het openbaar ministerie daadwerkelijk is ontvangen.
2.5
Het oordeel van de rechtbank is dus onjuist. Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Gelderland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 november 2021.
Conclusie 06‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. OM-cassatie, klacht over oordeel rechtbank dat onder invordering als bedoeld in art. 164 lid 6 WVW 1994 moet worden verstaan de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW 1994, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00488 B
Zitting 6 juli 2021
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de klaagster.
1. Inleiding
1.1.
De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beslissing van 20 januari 2021 het beklag van de klaagster ex art. 164 lid 8 WVW 1994, dat strekt tot teruggave van haar door de politie ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, gegrond verklaard en de teruggave van het rijbewijs aan de klaagster gelast.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld door mr. J.W. Schouten, officier van justitie. Mr. W. Bos, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland, heeft een schriftuur ingediend, bevattende één middel van cassatie.1.
2. Het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat redelijke wetsuitleg meebrengt dat onder invordering als bedoeld in art. 164 lid 6 WVW 1994 moet worden verstaan de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW 1994, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.2.
Blijkens de stukken van het geding heeft een politieambtenaar op 11 november 2020 de overgifte van het rijbewijs van de klaagster gevorderd. De betrokkene heeft toen niet aan de vordering voldaan, maar heeft haar rijbewijs op 17 november 2020 ingeleverd op het politiebureau. Vervolgens heeft de officier van justitie op 27 november 2020 beslist tot inhouding van het rijbewijs van de klaagster. Deze beslissing houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Persoonsgegevens verdachte
Naam [klaagster]
(…)
Feitgegevens
Feitomschrijving Rijden onder invloed
(…)
Pleegdatum 11 november 2020
(…)
Datum invordering rijbewijs 17 november 2020
Beslissing officier van justitie
Inhouden rijbewijs
Periode inhouden: 5 maanden
Inhouden uiterlijk tot: 16 april 2021
Datum beslissing: 27 NOV 2020”
2.3.
Tegen de inhouding van het rijbewijs is namens de klaagster een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van haar rijbewijs. De beslissing op dat klaagschrift houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Feiten
Tegen de klaagster is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd te Nijmegen op 11 november 2020.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat het alcoholgehalte in haar bloed hoger was dan 0,2 miligram alcohol per liter, nameljk 1,69 mg/l en dat het cocaïnegehalte in haar bloed hoger was dan 10 miligram per liter, namelijk 210 mg/l.
Op 11 november 2020 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van de klaagster ingevorderd.
De officier van justitie heeft vervolgens beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van 5 maanden, uiterlijk tot 16 april 2021.
(…)
Beklag
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs. Hiertoe is, kort samengevat, primair aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet tijdig een beslissing heeft genomen aangaande de invordering van het rijbewijs. Onder verwijzing naar artikel 164 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994, stelt klaagster zich op het standpunt dat de beslissing op 1 december 2020 is genomen, terwijl het rijbewijs al op 17 november 2020 in het bezit was van het Openbaar Ministerie. In de kennisgeving tot invordering is geen andere beslissingsdatum genoemd. Die beslissing ligt buiten de 10 dagen termijn.
(…)
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs. Hij stelt zich op het standpunt dat de beslissing tot inhouding van het rijbewijs is genomen op 27 november 2020 en derhalve binnen de gestelde termijn van tien dagen, welke termijn pas ingaat op het moment van feitelijke overhandiging van het rijbewijs. Dat is gebeurd op 17 november 2020.
Beoordeling
De rechtbank overweegt het volgende.
Blijkens art 164 lid 6 WVW 1994 dient de OvJ binnen tien dagen "na de dag van invordering" te beslissen over inhouding van het rijbewijs, Gebeurt dat niet, dan dient hij de teruggave van het rijbewijs te bevelen. Dat roept de vraag op wat moet worden verstaan onder "invordering" in deze bepaling.
De regeling van de strafvorderlijke invordering en inhouding van het rijbewijs, thans neergelegd in art 164 WVW 1994, vindt zijn oorsprong in de wet van 15 mei 1991, Stb. 291. Deze regeling is in de nieuwe WVW 1994 nagenoeg onveranderd overgenomen zodat de wetsgeschiedenis van deze voorgaande wettelijke regeling zijn waarde behoudt. In de memorie van toelichting is vermeld dat "van invordering eerst sprake is indien de in artikel 27, eerste lid, bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, zodat in de praktijk steeds bewezen zal kunnen worden dat de bestuurder weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zijn rijbewijs was ingevorderd." (Kamerstukken 1987/1988,20 591, nr. 3, p.9). Het eerste deel van deze aangehaalde zin heeft de rechtbank Den Bosch ertoe gebracht te beslissen dat er geen sprake is van invordering van het rijbewijs in de zin van art. 27 WVW (thans: art. 164 WVW 1994) indien dat rijbewijs niet feitelijk is overhandigd aan de politie (rechtbank 's-Hertogenbosch 22 maart 1992, ECLI:NL:RBSHE:1992:AD1638, NJ 1992/469). Dit echter ten onrechte.
Deze passage in de toelichting had immers betrekking op art. 32 (thans art. 9 WVW 1994). De "invordering" is in deze context verbonden aan het fysieke "in handen zijn van" politie of justitie om bewijstechnische redenen. Vanaf het moment dat de bestuurder het rijbewijs heeft afgegeven tot aan het moment dat hij het weer heeft terug ontvangen, is er sprake van "invordering" in de zin van art. 27 (oud) en is het dus verboden een voertuig te besturen (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. p. 9) Het besturen van een motorvoertuig nadat een vordering tot afgifte is gedaan maar vóór feitelijke afgifte, is apart strafbaar gesteld in dezelfde bepaling art 9 lid 7 WVW 1994. Ten onrecht heeft de rechtbank den Bosch uit deze passage afgeleid dat deze uitleg ook heeft te gelden voor een bezwaarprocedure tegen de inhouding van het rijbewijs.
Na de inname van het rijbewijs dient de politie het rijbewijs met het proces-verbaal van invordering op te sturen naar het parket. Daar moet de OvJ beoordelen of het rijbewijs moet worden ingehouden, in afwachting van de strafzitting. Hij krijgt hiervoor tien dagen de tijd, zodat hij kan onderzoeken of betrokkene eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten dan wel of er eerder proces-verbaal tegen hem is opgemaakt voor verkeersdelicten. Hieruit kan namelijk een recidivegevaar voor de toekomst worden afgeleid, dat redengevend kan zijn voor verdere inhouding. Volgt binnen deze tien dagen geen beslissing tot inhouding, dan moet het rijbewijs worden terug gegeven (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 3, p.10). In de oorspronkelijke tekst van het wetsontwerp luidde art 27 lid 4: " Indien de ambtenaar van het openbaar ministerie binnen tien dagen na de ontvangst van het proces-verbaal niet gebruik maakt van de in het derde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het rijbewijs of de rijbewijzen zo spoedig mogelijk terug aan de houder." (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr.2, p.2). De tien dagen termijn nam dus een aanvang met de ontvangst van het proces-verbaal op het parket. Bij nota van wijziging werd het voorstel gewijzigd in: "Indien de ambtenaar van het openbaar ministerie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het derde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het rijbewijs of de rijbewijzen onverwijld terug aan de houder." Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr.7, p.1). Dit werd in de memorie van antwoord toegelicht: de tien dagen termijn gaat in de "dag na de invordering" en niet pas bij ontvangst van het proces-verbaal om meer duidelijkheid te scheppen over het ingangsmoment; het is immers tevoren niet bekend wanneer het proces-verbaal van invordering bij het parket zal inkomen en het is niet juist de bestuurder te belasten met allerlei vertragingen bij de politie (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr.6, p.20).
Uit het voorgaande volgt dat de termijn van tien dagen aan de OvJ is gegeven om te beoordelen of er redenen zijn het rijbewijs verder in te houden, meer in het bijzonder of er sprake is van recidive. De wetgever heeft deze periode duidelijk willen afbakenen door het aanvankelijke aanvangsmoment van ontvangst van het proces-verbaal te wijzigen in de dag na invordering, mede om hierover geen misverstand te laten bestaan en om betrokkene binnen een korte, overzichtelijke termijn duidelijkheid te willen geven of zijn rijbewijs al dan niet zou worden ingehouden en dus of hij genoopt was een bezwaarschrift in te dienen als hij toch over het rijbewijs wilde beschikken. Voor onderzoek of er sprake is van recidive en of er gronden zijn het rijbewijs langer in te houden in afwachting van de inhoudelijke strafzitting, is het ook niet nodig fysiek te beschikken over het ingevorderde rijbewijs. Er is dus ook inhoudelijk geen reden de tien dagen termijn pas te laten ingaan op liet moment dat het rijbewijs daadwerkelijk is afgegeven aan politie of justitie. Aangezien vaak niet duidelijk is wanneer de feitelijke inlevering zal plaatsvinden, ingeval dat niet meteen bij de staande houding is gebeurd, zou het aanvangsmoment van de tien dagen termijn dus weer onzeker zijn en dat is precies wat de wetgever destijds wilde voorkomen door genoemde wijziging in het wetsvoorstel. Redelijke wetsuitleg brengt daarom mee dat onder "invordering" als bedoeld in art. 164 lid 6 WVW moet worden verstaan: de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd.
De mogelijke tegenwerping dat bij deze uitleg van art. 164 lid 6 WVW een bestuurder de mogelijkheid heeft overgifte van het rijbewijs achterwege te laten (onder het mom van diefstal of verlies) en vervolgens toch ongestraft een motorvoertuig zou kunnen blijven besturen, gaat niet op omdat ook deze handeling is strafbaar gesteld in art 9 lid 7 WVW.
Aangezien de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van de invordering heeft beslist het rijbewijs onder zich te houden, zal het rijbewijs volgens het bepaalde in artikel 164, zesde lid, WVW 1994, aan de klager worden teruggegeven.
De rechtbank zal het klaagschrift gegrond verklaren en bevelen dat het rijbewijs aan de klager moet worden teruggegeven.”
2.4.
Aan het middel is ten grondslag gelegd dat zowel uit de wetssystematiek als uit de wetsgeschiedenis volgt dat pas sprake is van een invordering indien het rijbewijs na de vordering tot overgifte daadwerkelijk in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, zodat de beslissing tot inhouding van het rijbewijs in deze zaak tijdig is genomen.
2.5.
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen relevant:
- art. 9 lid 7 WVW 1994:
“Het is degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
- art. 112 lid 1 WVW 1994:
“Onverminderd artikel 111 wordt een rijbewijs niet afgegeven aan degene:
(…)
b. van wie ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte van dat bewijs is gevorderd dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven;
(…)”
- art. 115 lid 1 WVW 1994:
“Degene die is belast met de afgifte van rijbewijzen, en die in het kader van de aanvraag of de uitreiking van een nieuw rijbewijs of een vervangend rijbewijs de beschikking krijgt over een rijbewijs waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 119, vierde lid, 120, derde lid, 123b, vierde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 134, vierde lid, of 180, vierde lid, van deze wet een verplichting tot inlevering bestaat, is bevoegd dat rijbewijs in te nemen en het door te begeleiden naar het betrokken parket van het openbaar ministerie dan wel naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.”
- art. 161 lid 1 WVW 1994:
“De in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen die bij de uitoefening van de bij of krachtens deze wet, krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht dan wel krachtens artikel 5:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan hen verleende bevoegdheden de beschikking krijgen over een rijbewijs waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 119, vierde lid, 120, derde lid, 123b, vierde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 134, vierde lid, of 180, vierde lid, van deze wet een verplichting tot inlevering bestaat, zijn bevoegd dat rijbewijs in te nemen en het door te geleiden naar het betrokken parket van het openbaar ministerie dan wel naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.”
- art. 164 WVW 1994:
“1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs.
2. De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in geval van overtreding van:
(…)
3. De in het eerste lid bedoelde vordering kan worden gedaan indien door de overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht.
4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken.
(…)
6. Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter dan wel uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest. Teruggave vindt ten slotte plaats indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd. Het rijbewijs wordt niet aan de houder teruggegeven, indien het een rijbewijs betreft waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 123b, vierde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 134, vierde lid, of 180, vierde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. Het rijbewijs wordt in dat geval doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.
7. In geval van toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder toezicht of, voor zover degene die het proces-verbaal opmaakt zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn de artikelen 170, tweede lid, tweede en derde volzin, vierde en vijfde lid, 171, 172 en 173, eerste lid, van deze wet en de artikelen 4:116, 4:118 tot en met 4:124, 5:10, 5:25, eerste en zesde lid, 5:29, tweede en derde lid, 5:30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats indien aan de vordering is voldaan of indien de officier van justitie zich niet langer tegen de teruggave verzet.
8. In geval van toepassing van het eerste of vierde lid kan elke belanghebbende bij klaagschrift daartegen opkomen. Zolang in de zaak nog geen vervolging is ingesteld, wordt het klaagschrift ingediend ter griffie van de rechtbank in het arrondissement waar het in het eerste lid bedoelde feit werd begaan, en anders ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de vervolging plaatsvindt of, in geval van verzet tegen een uitgevaardigde strafbeschikking, zou worden voortgezet, dan wel het laatst plaatsvond. Artikel 552a, vierde en zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering is verder van overeenkomstige toepassing. De raadkamer van het gerecht geeft zo spoedig mogelijk, na de belanghebbende, desverlangd bijgestaan door diens raadsman, te hebben gehoord, althans opgeroepen, zijn met redenen omklede beslissing, welke onverwijld aan de belanghebbende wordt betekend. Tegen de beslissing kan door het openbaar ministerie binnen veertien dagen daarna en door de belanghebbende binnen veertien dagen na de betekening beroep in cassatie worden ingesteld. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.
(…)”
- art. 179 lid 6 WVW 1994:
“Bij het opleggen van de bijkomende straf, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, wordt de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering gebracht.”
- art. 180 WVW 1994:
“(…)
4. De houder van een rijbewijs is, tenzij het is ingevorderd en niet is teruggegeven, verplicht dat rijbewijs in te leveren op de plaats genoemd in het schrijven, bedoeld in het derde lid, uiterlijk op het tijdstip van ingang van de ontzegging.
5. Teruggave vindt plaats zodra de termijn van de ontzegging is verstreken. Geen teruggave vindt plaats ten aanzien van het rijbewijs of de rijbewijzen waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd of ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 134, vierde lid, of 180, vierde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. Degene bij wie het rijbewijs is ingeleverd geleidt in deze gevallen het rijbewijs of de rijbewijzen door naar degene bij wie de houder dat rijbewijs of die rijbewijzen had dienen in te leveren. Indien het rijbewijs op grond van artikel 123b ongeldig is dan wel indien een aantekening is geplaatst als bedoeld in dat artikel, geleidt degene bij wie het rijbewijs is ingeleverd het rijbewijs of de rijbewijzen door naar de Dienst Wegverkeer.
(…)”
2.6.
Art. 164 lid 6 WVW 1994 is voortgekomen uit art. 27 lid 4 (oud) Wegenverkeerswet. Die bepaling is ingevoerd bij de Wet invordering en inhouding van rijbewijzen2.die op 1 februari 1992 in werking is getreden. De parlementaire geschiedenis van deze wet houdt onder meer het volgende in:
- het wetsvoorstel:
“ARTIKEL I
De Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554) wordt als volgt gewijzigd:
(…)
C
Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:
(…)
d. Na het derde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
4. Indien de ambtenaar van het openbaar ministerie binnen tien dagen na de ontvangst van het proces-verbaal niet gebruik maakt van de in het derde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het rijbewijs of de rijbewijzen zo spoedig mogelijk terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling geen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd, dan wel geen ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het rijbewijs is of de rijbewijzen zijn ingehouden geweest.
e. Het vijfde lid komt te luiden:
5. In geval van toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is of de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering, onder toezicht of, voor zover degene die het proces-verbaal opmaakt zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In het laatste geval zijn het tweede tot en met tiende, het twaalfde tot en met veertiende en het zeventiende lid van artikel 43a van overeenkomstige toepassing. Teruggave van het motorrijtuig vindt slechts plaats, indien aan de vordering is voldaan.
(…)
D
Aan artikel 32 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
3. Het is degene die weet of redelijkerwijze moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs of internationaal rijbewijs ingevolge artikel 27 is ingevorderd, indien dat bewijs niet aan hem is teruggegeven, verboden op een weg een motorrijtuig te besturen van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven.”3.
- de memorie van toelichting:
“Volgens het nieuwe vierde lid dient het openbaar ministerie binnen tien dagen te beslissen over inhouding van het rijbewijs. Deze periode is redelijkerwijs nodig om in die gevallen waarin de hoogte van het AAG niet aanstonds tot inhouding kan leiden, een onderzoek in te stellen naar het bestaan van een recidivegevaar, mede aan de hand van de justitiële documentatie en andere beschikbare gegevensbronnen. In de praktijk zal dit er toe leien dat de bestuurder zijn rijbewijs als regel tot het eind van deze periode kwijt is. Wij achten dit juist, omdat hij door onder invloed aan het verkeer deel te nemen zelf het risico in het leven heeft geroepen dat zijn rijbewijs wordt ingevorderd en eventueel voor enige tijd wordt ingehouden. Anderzijds is deze termijn niet zo lang, dat de bestuurder ten aanzien van wie niet tot inhouding zou worden besloten, daardoor onevenredig zou worden benadeeld. Overigens kan deze regeling op zichzelf bijdragen aan een versterking van het beoogde preventieve effect van de invordering.
(…)
Artikel I, onderdelen A en D
Deze onderdelen strekken tot aanpassing van de strafbaarstelling van rijden met een motorrijtuig terwijl het daarvoor afgegeven rijbewijs is ingevorderd. (…)
Voorgesteld wordt om artikel 32 WVW aan te vullen met een nieuw derde lid waarin - op soortgelijke wijze als in het eerste en tweede lid van dat artikel - een verbod is vervat op het besturen van een motorrijtuig nadat het daarvoor afgegeven rijbewijs is ingevorderd. Aangezien van invordering eerst sprake is indien de in artikel 27, eerste lid, bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, zal in de praktijk steeds bewezen kunnen worden dat de betuurder weet of redelijkerwijs moet weten dat zijn rijbewijs is ingevorderd. Het voorgestelde verbod blijft dan van kracht totdat het rijbewijs aan hem is teruggegeven. Het betreft hier een bijkomende voorwaarde met een puur feitelijk karakter. Dit voorkomt discussies over de duur en de reden van inhouding of eventuele complicaties bij de teruggave van het rijbewijs. Zolang de betrokkene zijn rijbewijs niet heeft teruggekregen, zal hij zich dus aan het verbod moeten houden.
(…)
Artikel I, onderdeel C
(…)
Het voorgestelde vierde lid bevat een uitdrukkelijke regeling voor de teruggave van het rijbewijs, welke de positie van de houder beoogt te waarborgen. Zo is het openbaar ministerie verplicht tot teruggave van het rijbewijs, indien het niet binnen tien dagen gebruik maakt van de bevoegdheid tot inhouding. Gedurende die tijd kan het nodige onderzoek worden ingesteld, mede aan de hand van de justitiële documentatie en andere beschikbare gegevensbronnen. Daarnaast dient teruggave plaats te vinden, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling geen ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd of indien de periode van inhouding langer dreigt te worden dan de duur van de te verwachten ontzegging. Of een van deze gevallen zich voordoet hangt uiteraard mede af van hetgeen in overeenkomstige gevallen gebruikelijk is. Ten slotte spreekt het vanzelf dat het openbaar ministerie besluit tot teruggave indien blijkt dat het rijbewijs ten onrechte is ingevorderd.
Het huidige derde lid voorziet in de mogelijkheid om het motorrijtuig tijdelijk onder toezicht of in bewaring te stellen, voor zover geen andere bestuurder beschikbaar is. Dit uiteraard om te voorkomen dat de bestuurder zelf gebruik maakt van het motorrijtuig. In het voorgestelde vijfde lid wordt deze regeling aangevuld met een bepaling voor gevallen waarin de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering van de politie, bij voorbeeld omdat hij zijn rijbewijs niet bij zich heeft. Om te voorkomen dat bestuurders in de toekomst zullen trachten op deze wijze aan invordering te ontkomen, is het gewenst dat ook in dit geval tot ondertoezichtstelling of inbewaringstelling kan worden overgegaan. Het motorrijtuig zal dan ook pas worden teruggegeven, indien aan de vordering is voldaan. Van toepassing van het eerste lid is in dit verband sprake, zodra de politie door het doen van een vordering de verplichting tot overgifte van het rijbewijs in het leven heeft geroepen. De verwijzing naar artikel 43a heeft betrekking op de regeling voor het beheer van voertuigen en het verhaal van kosten in het kader van de wegsleepregeling bij fout parkeren. De kosten van overbrenging en bewaring zullen dan ook verschuldigd zijn door de weigerachtige bestuurder of door de eigenaar of houder van het motorrijtuig. Wij verwachten dat op deze wijze de invordering van het rijbewijs effectief kan worden afgedwongen.“4.
- de memorie van antwoord:
“De leden van de C.D.A.-fractie vroegen zich af wat er gebeurt indien het openbaar ministerie niet binnen de voorgestelde termijn van tien dagen beslist over de inhouding van het rijbewijs. Zij legden daarbij een verband met de werkdruk bij het openbaar ministerie. Op dit laatste aspect zullen wij in het vervolg van deze memorie nog afzonderlijk ingaan. Wat de voorgestelde regeling zelf betreft merken wij op, dat volgens het nieuwe artikel 27, vierde lid, het rijbewijs moet worden teruggegeven indien het openbaar ministerie niet binnen de bedoelde termijn van tien dagen gebruik maakt van de bevoegdheid tot inhouding. Dit impliceert dat ook indien het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen, het rijbewijs na verloop van die termijn moet worden teruggegeven aan de houder. De voorgestelde termijn schept derhalve een waarborg voor de verdachte, dat hij zijn rijbewijs niet langer behoeft te missen dan nodig is.
In dit verband zij nog de aandacht erop gevestigd, dat wij de voorkeur hebben gegeven aan een andere omschrijving van de 10 dagentermijn. Blijkens onderdeel IV van de nota van wijziging gaat deze niet pas in bij de ontvangst van het rijbewijs door het openbaar ministerie, maar direct na de dag van invordering. Weliswaar wordt de termijn daardoor enigszins bekort, maar aldus ontstaat wel voor alle betrokkenen een veel grotere mate van duidelijkheid. Het tijdstip van binnenkomen op het parket kan in de praktijk immers door allerlei moeilijk na te trekken oorzaken variëren, terwijl het ook niet juist zou zijn om de verdachte te belasten met de gevolgen van eventuele vertragingen bij de politie. Voor de werkzaamheden op het parket heeft deze wijziging geen onoverkomelijke gevolgen.
De politie is volgens het bestaande artikel 27, tweede lid, eerste volzin, overigens verplicht om een ingevorderd rijbewijs, tegelijk met het proces-verbaal, onverwijld toe te zenden aan het openbaar ministerie. In de praktijk gebeurt dit vaak met een afzonderlijk proces-verbaal van invordering. Ook in de toekomst zal zo nodig van deze snelle werkwijze gebruik kunnen worden gemaakt.
De leden van de V.V.D.-fractie wilden nog een nadere toelichting bij het karakter van de onderhavige termijn. Daarbij verwezen zij naar opmerkingen in de memorie van toelichting over de consequenties van die termijn voor de bestuurder. Naar aanleiding daarvan zij opgemerkt, dat de betrokken termijn van tien dagen in de meeste gevallen benodigd zal zijn voor het instellen van een onderzoek naar het bestaan van een gevaar voor recidive en voor het naar aanleiding daarvan nemen van een beslissing omtrent de inhouding van het rijbewijs. Het spreekt echter vanzelf, dat indien aanstonds duidelijk wordt dat niet tot inhouding zal worden overgegaan, bijvoorbeeld omdat blijkt dat het rijbewijs ten onrechte werd ingevorderd, de teruggave niet langer op zich zal mogen laten wachten. Omgekeerd behoeft het openbaar ministerie niet te wachten met een beslissing tot inhouding, indien het daarvoor aanstonds voldoende gronden aanwezig acht. Een spoedige beslissing heeft in dat geval voor de verdachte echter minder consequenties. In het beoogde systeem van invordering valt niet te vermijden, dat de betrokken bestuurders hun rijbewijs ten minste voor een korte periode zullen moeten missen De opmerkingen in de toelichting beoogden tot uitdrukking te brengen, dat de bewuste bestuurders de nadelen hiervan zelf kunnen voorkomen door niet na gebruik van te veel alcohol achter het stuur van een motorrijtuig plaats te nemen.
(…)
De leden van de V.V.D.-fractie vroegen tevens de aandacht voor de mogelijkheid van schadevergoeding. Ook de leden van de P.P.R.-fractie vroegen of een betrokkene recht heeft op schadeloosstelling, indien blijkt dat het rijbewijs ten onrechte is ingevorderd en dit heeft geleid tot inkomstenderving. Naar aanleiding hiervan hebben wij het wetsvoorstel op een tweetal punten gewijzigd. Vooreerst is voorzien in een wijziging van artikel 39, zevende lid, WVW. Deze bepaling biedt de rechter thans de mogelijkheid om bij oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid te bepalen, dat de periode van inhouding geheel of gedeeltelijk in mindering dient te worden gebracht op de duur van de ontzegging. In de praktijk wordt van die mogelijkheid vrijwel steeds gebruik gemaakt. Naar ons oordeel past het bij het karakter van de voorgestelde regeling om de bestaande bevoegdheid om te zetten in een verplichting, met dien verstande dat de periode van inhouding steeds geheel in mindering zal worden gebracht. Voorts hebben wij gemeend ook de periode na invordering en vóór inhouding of teruggave van het rijbewijs in deze aftrekregeling te moeten opnemen. Een en ander sluit aan bij het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht inzake de aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis bij de oplegging van een vrijheidsstraf. Verwezen zij in dit verband naar onderdeel VIII van de nota van wijziging.
(…)”5.
- de nota van wijziging:
“Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
(…)
IV
In artikel I, onderdeel C, onder d, komt het vierde lid te luiden:
4. Indien de ambtenaar van het openbaar ministerie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het derde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het rijbewijs of de rijbewijzen onverwijld terug aan de houder. Teruggave vindt eveneens plaats, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het rijbewijs is of de rijbewijzen zijn ingevorderd of ingehouden geweest, of indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen.
(…)
VII
Artikel I, onderdeel D, komt te luiden:
Aan artikel 32 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
3. Het is degene van wie ingevolge artikel 27 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs of internationaal rijbewijs is gevorderd, indien dat bewijs niet aan hem is teruggegeven, verboden op een weg een motorrijtuig te besturen van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven.
VIII
Aan artikel I wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:
Artikel 39, zevende lid, komt te luiden:
7. Bij de rechterlijke uitspraak wordt bepaald, dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 27 vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de in dit artikel bedoelde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
(…)
Toelichting
(…)
IV
De voorgestelde tekst voor het nieuwe artikel 27, vierde lid, inzake de teruggave van het rijbewijs is toegelicht in paragraaf 9 van het algemeen deel van de memorie van antwoord.
V, VI en VIII
Deze onderdelen hebben betrekking op diverse aspecten van de rechtsbescherming, te weten de regeling voor de bezwaarschriftprocedure, de mogelijkheid van schadevergoeding en de verplichte aftrek van de periode van invordering en inhouding bij oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid. Een en ander is reeds ter sprake gekomen in paragraaf 10 van het algemeen deel van de memorie van antwoord. (…)
VII
De hier voorgestelde wijziging beoogt de effectiviteit van de invordering te vergroten ten opzichte van die bestuurders die zouden menen aan de werking daarvan te kunnen ontkomen door hun rijbewijs thuis te laten. Volgens de nieuwe tekst van artikel 32, derde lid, WVW brengt reeds de vordering tot overgifte van het rijbewijs met zich mede, dat het daar nader omschreven verbod van toepassing wordt. Dit sluit ook beter aan bij de tekst van artikel 16, tweede lid, onder 2e. Overigens zal de invordering pas voltooid zijn als het rijbewijs feitelijk in het bezit is gekomen van de politie.
De onderhavige wijziging ondervangt een probleem waarop gewezen is door mr. W.H. Vellinga in het Nederlands Juristenblad (1988, blz. 1342-1346). Zijn suggestie om de oplossing te zoeken in een verdere uitbouw van het rijverbod van artikel 28 WVW achten wij minder aantrekkelijk, onder meer omdat het karakter van die regeling daardoor zou veranderen. Daarnaast lijkt het ook om praktische redenen beter bij de bestaande regeling van artikel 27 WVW aan te sluiten.“6.
2.7.
Ik merk op dat bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WVW 1994 de bepalingen die hebben geleid tot (het huidige) art. 9 lid 7 WVW 1994 en art. 112 lid 1 WVW 1994 zijn gewijzigd ten opzichte van het aanvankelijke wetsvoorstel. Aanvankelijk luidden de voorgestelde bepalingen als volgt:
“Artikel 8
(…)
5. Het is degene van wie ingevolge artikel 155 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag in het buitenland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, indien dat bewijs niet aan hem is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen.
(…)
Artikel 114
Onverminderd het bepaalde in artikel 113 wordt een rijbewijs niet afgegeven aan degene:
(…)
b. van wie ingevolge een der artikelen 131, tweede lid, of 155 de overgifte van dat bewijs is gevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven;
(…)”7.
In de derde nota van wijziging is het voorgestelde art. 8 lid 5 als volgt komen te luiden:
“Het is degene van wie ingevolge artikel 155 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag in het buitenland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd, dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
Verder is art. 114 als volgt komen te luiden:
“Onverminderd het bepaalde in artikel 113 wordt een rijbewijs niet afgegeven aan degene:
(…)
b. van wie ingevolge een der artikelen 131, tweede lid, of 155 de overgifte van dat bewijs is gevorderd dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven;
(…)”
De toelichting houdt over deze wijzigingen niet meer in dan dat deze en andere wijzigingen ertoe strekken “enkele onvolkomenheden in de tekst van het voorstel van wet weg te nemen”.8.
2.8.
In de rechtspraak van de Hoge Raad is de vraag of sprake was van een ingevorderd rijbewijs een enkele keer aan de orde gekomen in het kader van art. 179 lid 6 WVW 1994. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 30 oktober 2012, voor zover hier van belang, het volgende:
“2.3. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende:
(i) naar aanleiding van een op 21 september 2009 in de zaak met parketnummer 540481-09 gedane vordering, heeft de verdachte zijn rijbewijs afgegeven;
(ii) op 25 september 2009 heeft de officier van justitie beslist tot teruggave van het rijbewijs aan de verdachte;
(iii) de hiervoor bedoelde zaak is geëindigd met een transactie;
(iv) op 8 december 2009 is in de onderhavige zaak het rijbewijs van de verdachte gevorderd; de verdachte heeft aan die vordering geen feitelijk gevolg gegeven;
(v) op 30 december 2009 heeft de Officier van Justitie beslist tot teruggave van het rijbewijs aan de verdachte;
(vi) het door de verdachte naar aanleiding van de op 21 september 2009 gedane vordering afgegeven rijbewijs, was ten tijde van de behandeling van de onderhavige zaak in hoger beroep nog niet aan hem teruggegeven.
2.4. Blijkens de toelichting klaagt het middel dat het Hof in strijd met art. 179, zesde lid, WVW 1994 niet de tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte sedert 8 december 2009 ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in mindering heeft gebracht.
2.5. In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat "mede gelet op hetgeen omtrent de duur van de ontzegging is geregeld in het zesde lid van artikel 180 WVW 1994" die periode niet in aanmerking komt voor aftrek als hiervoor bedoeld, aangezien de verdachte niet heeft voldaan aan de vordering tot overgifte van het rijbewijs nu daadwerkelijke inlevering van het rijbewijs door de verdachte achterwege is gebleven.
2.6. Dat oordeel van het Hof is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte, naar het Hof klaarblijkelijk als vaststaand heeft aangenomen, zijn rijbewijs op 21 september 2009 had ingeleverd in een zaak die geëindigd is met een transactie en dat hij op 8 december 2009 zijn rijbewijs nog niet had teruggekregen. In die omstandigheden moet het rijbewijs met ingang van 8 december 2009 worden beschouwd als te zijn ingevorderd en ingehouden in de onderhavige zaak. Dat brengt mee dat het Hof op grond van art. 179, zesde lid, WWV 1994 had moeten bevelen dat de tijd die het rijbewijs aldus ingevorderd en ingehouden is geweest op de duur van de opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen in mindering moet worden gebracht.”9.
2.9.
Daarnaast kan worden gewezen op de beschikking van de Hoge Raad van 15 mei 2015. In deze beschikking, over de invordering en inhouding van buitenlandse rijbewijzen, kwam art. 180 lid 4 WVW 1994 aan de orde. De Hoge Raad overwoog, voor zover hier van belang, het volgende:
“Art. 180, vierde lid, WVW 1994 is immers alleen van toepassing indien het rijbewijs ten tijde van de tenuitvoerlegging van de ontzegging van de rijbevoegdheid (nog) niet is ingevorderd dan wel (na invordering) is teruggegeven. De bepaling ziet derhalve op andere gevallen dan gevallen als het onderhavige waarin het rijbewijs meteen na aanhouding van de verdachte is ingevorderd en nadien is ingehouden.”10.
2.10.
Verder is de vraag wanneer sprake is van de invordering van het rijbewijs enkele malen aan de orde gekomen in de feitenrechtspraak. Daarbij kan allereerst worden gewezen op de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 maart 1992. Deze uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Uit art. 27 eerste lid WVW volgt dat op eerste vordering daartoe van een opsporingsambtenaar, voor een bestuurder de verplichting ontstaat tot overgifte van zijn rijbewijs. De invordering is een feit zodra het rijbewijs daadwerkelijk is overgegeven, zoals ook blijkt uit de MvT bij art. 27:
‘Aangezien van invordering eerst sprake is indien de in art. 27 eerste lid bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, ...’ (TK, vergaderjaar 1987-1988, 20591, nr. 3, p. 9 onderaan).
Dat de wetgever bij het ontbreken van de feitelijke overgifte geen invordering heeft willen aannemen blijkt ook uit het bepaalde in art. 27 vijfde lid en hetgeen de MvT (TK, vergaderjaar 1987-1988, 20591, nr. 3, p. 11), daarover opmerkt. Ingevolge deze bepaling kan het bestuurde voertuig in bewaring worden genomen indien de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering tot overgifte. Aldus wordt voorkomen dat bestuurders op deze wijze aan invordering zullen trachten te ontkomen. Blijkens het proces-verbaal van invordering is de personenauto van belanghebbende overigens ook in bewaring gesteld.
Nu de feitelijke overgifte van het rijbewijs in het onderhavige geval niet heeft plaatsgevonden kan niet worden gesproken van invordering van het rijbewijs van belanghebbende als bedoeld in art. 27 WVW.
Bij het ontbreken van een ingevorderd en aan het Openbaar Ministerie opgezonden rijbewijs heeft de betrokken ambtenaar van het Openbaar Ministerie ook niet het rijbewijs kunnen inhouden.”11.
2.11.
Verder kan worden gewezen op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 januari 1996 die, voor zover hier van belang, het volgende inhoudt:
“De klager (M.R.S., red.) meent dat, kennelijk: bij de beantwoording van de – in artikel 27 lid 4 Wegenverkeerswet bedoelde – vraag of ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan hem geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd van langere duur dan de tijd gedurende welke het rijbewijs is ingevorderd of ingehouden geweest, moet worden geteld vanaf 6 maart 1994, de dag van invordering en niet eerst vanaf 6 of 8 maart 1995, de dag van overgifte.
Die mening is onjuist. In redelijkheid kunnen de desbetreffende wetsartikelen niet anders worden verstaan dan dat ‘de tijd gedurende welke het rijbewijs is ... ingevorderd of ingehouden geweest’ eerst begint op de dag dat het rijbewijs feitelijk uit handen van de houder en in handen van de bij artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen dan wel van de betrokken ambtenaar van het openbaar ministerie geraakt.
Aan de tekst van de artikelen 27 en 32 lid 3 van de Wegenverkeerswet noch aan enig ander wetsartikel kan steun worden ontleend voor de mening van de klager.”12.
2.12.
Ten slotte overwoog het gerechtshof ’s-Gravenhage in zijn arrest van 31 januari 2002, voor zover hier van belang, het volgende:
“Art. 179 lid 6 Wegenverkeerswet bepaalt dat bij het opleggen van de bijkomende straf van de ontzegging van de rijbevoegdheid, de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge art. 164 Wegenverkeerswet vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht. Uit de wetsgeschiedenis van art. 164 Wegenverkeerswet, met name uit die van art. 27 (oud) Wegenverkeerswet, de voorloper van art. 164, blijkt dat van ‘invordering’ eerst kan worden gesproken indien het rijbewijs feitelijk in het bezit is gekomen van de politie (Tweede Kamer 1987-1988, 20 591 nr 3 p. 9 en 1989–1990, 20 591 nr 7 p. 4-5). Uit deze laatste passage blijkt tevens dat de wetgever bewust onderscheid heeft willen aanbrengen tussen het tijdstip waarop het verbod het motorrijtuig te besturen ingaat (namelijk vanaf de vordering tot overgifte van het rijbewijs) en het tijdstip waarop de invordering is voltooid (zodra het rijbewijs feitelijk in het bezit is gekomen van de politie). De wetgever heeft gemeend aldus de effectiviteit van de invordering van het rijbewijs te vergroten ten opzichte van die bestuurders die zouden menen aan de werking daarvan te kunnen ontkomen door hun rijbewijs thuis te laten.”13.
2.13.
Centraal in deze zaak staat de vraag of onder invordering van het rijbewijs de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW 1994 moet worden verstaan, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd, of dat pas sprake is van invordering van een rijbewijs op het moment dat het naar aanleiding van de vordering tot overgifte in handen is gekomen van de politie14.of het openbaar ministerie.15.
2.14.
In dat kader verdient allereerst de tekst van art. 164 WVW 1994 aandacht, meer in het bijzonder het vierde en het zesde lid van deze bepaling. Het vierde lid houdt onder meer in dat de ingevorderde bewijzen tegelijk met het proces-verbaal worden opgezonden aan de officier van justitie en dat de officier van justitie bevoegd is de ingevorderde bewijzen onder zich te houden. Verder houdt de eerste volzin van het zesde lid in dat de officier van justitie de ingevorderde bewijzen teruggeeft aan de houder indien hij niet binnen tien dagen na de dag van invordering gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de ingevorderde bewijzen onder zich te houden. Deze bepalingen verdragen zich slecht met de door de rechtbank gegeven uitleg dat onder invordering de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW 1994 moet worden verstaan, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd. Indien niet aan die vordering wordt voldaan, is er immers geen ingevorderd rijbewijs dat tegelijk met het proces-verbaal kan worden opgezonden aan de officier van justitie, is er geen ingevorderd rijbewijs dat door de officier van justitie onder zich gehouden kan worden en is er geen ingevorderd rijbewijs dat door de officier van justitie kan worden teruggegeven.
2.15.
Daarnaast wijs ik op de laatste volzin van art. 164 lid 6 WVW 1994. Deze houdt in dat het rijbewijs onder meer niet wordt teruggegeven aan de houder indien het een rijbewijs betreft waarvan ingevolge art. 164 WVW 1994 de overgifte is gevorderd, maar wordt doorgeleid naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren.16.Het valt op dat de wet hier spreekt van een rijbewijs waarvan de overgifte is gevorderd en niet van een ingevorderd rijbewijs, hetgeen een aanwijzing oplevert dat van een ingevorderd rijbewijs nog geen sprake is op het moment dat slechts de overgifte ervan is gevorderd, maar pas wanneer de politie of het openbaar ministerie naar aanleiding van de vordering tot overgifte de beschikking heeft gekregen over het rijbewijs.
2.16.
Verder stel ik met betrekking tot de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis vast dat deze onder meer inhoudt dat “van invordering eerst sprake is indien de in artikel 27, eerste lid, bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar” en dat “de invordering pas voltooid [zal] zijn als het rijbewijs feitelijk in het bezit is gekomen van de politie”. Het betreft hier, zoals de rechtbank heeft overwogen, passages die betrekking hebben op art. 32 lid 3 (oud) Wegenverkeerswet. Toch meen ik dat deze passages ook relevant zijn voor de uitleg van het begrip “invordering” in art. 164 lid 6 WVW 1994, aangezien aan de parlementaire geschiedenis mijns inziens geen aanwijzingen zijn te ontlenen dat de wetgever ten aanzien van art. 32 lid 3 (oud) Wegenverkeerswet een andere uitleg zou hebben voorgestaan van het begrip “invordering” dan ten aanzien van de overige bij de Wet invordering en inhouding van rijbewijzen ingevoerde bepalingen, waaronder art. 27 lid 4 (oud) Wegenverkeerswet.
2.17.
Ik merk daarbij op dat de door de wetgever gegeven uitleg van het begrip “invordering” ook aansluit bij de bedoeling van de wetgever om de effectiviteit van de invordering te vergroten ten opzichte van bestuurders die niet aanstonds aan de vordering voldoen. Daartoe heeft de wetgever niet alleen de mogelijkheid geïntroduceerd om een motorrijtuig onder toezicht of in bewaring te stellen in gevallen waarin de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering van de politie, maar ook het voorgestelde art. 32 lid 3 (oud) Wegenverkeerswet aangepast, mede in reactie op het artikel van Vellinga.17.Het tegengestelde effect zou echter worden bereikt indien van invordering van het rijbewijs reeds sprake zou zijn op het moment van de vordering tot overgifte van het rijbewijs, ongeacht of het rijbewijs feitelijk wordt ingeleverd. Dat zou immers tot gevolg hebben dat de eveneens bij de Wet invordering en inhouding van rijbewijzen ingevoerde verplichte aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest op de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid ook de tijd tussen het moment dat de overgifte van het rijbewijs is gevorderd en de daadwerkelijke inlevering daarvan zou omvatten.
2.18.
Verder meen ik dat de door de wetgever gegeven uitleg ook niet in strijd is met de wijziging van het aanvangsmoment van de beslistermijn van tien dagen tijdens de parlementaire behandeling. Aanvankelijk diende de ambtenaar van het openbaar ministerie binnen tien dagen na de ontvangst van het proces-verbaal gebruik te maken van de bevoegdheid tot inhouding van het rijbewijs. Dat is bij de nota van wijziging gewijzigd in tien dagen na de dag van invordering. De achterliggende gedachte was, aldus de memorie van antwoord, dat door deze wijziging voor alle betrokkenen een veel grotere mater van duidelijkheid ontstond, dat het tijdstip van binnenkomen op het parket in de praktijk kan variëren en dat het niet juist zou zijn om de verdachte te belasten met de gevolgen van eventuele vertragingen bij de politie. Dat doel wordt ook behaald indien de termijn aanvangt op de dag nadat de politie of het openbaar ministerie naar aanleiding van de vordering tot overgifte de beschikking heeft gekregen over het rijbewijs.
2.19.
Het is juist dat, zoals de rechtbank overweegt, het aanvangen van de termijn van tien dagen op de dag nadat het rijbewijs feitelijk is ingeleverd tot onzekerheid met betrekking tot het aanvangsmoment leidt. Het gaat hier echter niet om onzekerheid die het gevolg is van het handelen van de politie, zoals het geval zou zijn indien de termijn van tien dagen aanvangt bij de ontvangst van het proces-verbaal door het openbaar ministerie, maar onzekerheid die slechts het gevolg is van het handelen van een houder van het rijbewijs die niet aan zijn wettelijke verplichtingen voldoet. Die onzekerheid ontstaat immers alleen indien de houder van het rijbewijs niet aanstonds voldoet aan de vordering tot overgifte van zijn rijbewijs en aldus niet voldoet aan de in art. 164 lid 1 WVW 1994 neergelegde verplichting om zijn rijbewijs op eerste vordering over te geven. De houder van het rijbewijs heeft met andere woorden die onzekerheid in eigen hand. Uit de parlementaire geschiedenis kan mijns inziens niet worden afgeleid dat de wetgever ook deze onzekerheid met art. 164 lid 6 WVW 1994 heeft willen ondervangen. Integendeel, de wettelijke regeling van de invordering van rijbewijzen is, zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, mede erop gericht om bestuurders te bewegen te voldoen aan de vordering tot overgifte. Daarin past ook dat de beslistermijn pas aanvangt op het moment dat de bestuurder zijn rijbewijs naar aanleiding van de vordering tot overgifte heeft ingeleverd. Daarbij merk ik op dat zulks ook niet afdoet aan de mogelijkheden van de houder van het rijbewijs om op te komen tegen de vordering tot overgifte van zijn rijbewijs. Hij kan immers op grond van art. 164 lid 8 WVW 1994 reeds tegen de vordering tot overgifte opkomen door indiening van een klaagschrift.
2.20.
Gelet op het voorgaande kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat van invordering in de zin van art. 164 lid 6 WVW 1994 pas sprake is wanneer het rijbewijs naar aanleiding van de vordering tot overgifte daadwerkelijk in handen is gekomen van de politie of het openbaar ministerie. Ook andere bepalingen in de WVW 1994 pleiten mijns inziens voor deze uitleg. In dat kader kan in de eerste plaats worden gewezen op art. 115 lid 1 WVW 1994 en art. 161 lid 1 WVW 1994. Op grond van deze bepalingen zijn personen die zijn belast met de afgifte van rijbewijzen en opsporingsambtenaren die in de uitoefening van hun werkzaamheden de beschikking krijgen over een rijbewijs waarvan ingevolge art. 164 WVW 1994 de overgifte is gevorderd, bevoegd dat rijbewijs in te nemen en het door te (be)geleiden naar het betrokken parket van het openbaar ministerie dan wel naar degene bij wie de houder dat rijbewijs had dienen in te leveren. Deze bepalingen spreken aldus uitdrukkelijk niet van een ingevorderd rijbewijs, maar van een rijbewijs waarvan ingevolge art. 164 WVW 1994 de overgifte is gevorderd. De verklaring daarvoor is dat het niet mogelijk is dat zij bij de uitoefening van hun werkzaamheden de beschikking krijgen over een ingevorderd rijbewijs, omdat daarvan pas sprake is als het rijbewijs naar aanleiding van de vordering tot overgifte daadwerkelijk in handen is gekomen van de politie of het openbaar ministerie.18.
2.21.
Verder wordt in de WVW 1994 op enkele plaatsen onderscheid gemaakt tussen de situatie dat de overgifte van het rijbewijs is gevorderd en de situatie dat het rijbewijs is ingevorderd. Dat betreft allereerst art. 9 lid 7 WVW 1994. Daarnaast bepaalt art. 112 lid 1 onder c WVW 1994 onder meer dat een rijbewijs niet wordt afgegeven aan degene van wie ingevolge art. 164 WVW 1994 de overgifte van dat bewijs is gevorderd dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven. Dat onderscheid zou niet nodig zijn geweest indien reeds sprake is van een ingevorderd rijbewijs op het moment dat de vordering tot overgifte is gedaan, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd.19.
2.22.
Daarnaast kan worden gewezen op art. 179 lid 6 WVW 1994. Deze bepaling houdt, in navolging van art. 39 lid 7 (oud) Wegenverkeerswet, in dat bij de oplegging van de ontzegging van de rijbevoegdheid de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevolge art. 164 WVW 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest op de duur van die straf geheel in mindering gebracht. Daarbij past niet, zoals ik hiervoor reeds opmerkte, dat ook de tijd dat de houder van het rijbewijs niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot overgifte van het rijbewijs op de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid in mindering zou worden gebracht. Daarin ligt een aanwijzing dat van invordering van het rijbewijs nog geen sprake is wanneer de overgifte van het rijbewijs is gevorderd, maar het rijbewijs nog niet in handen van politie of openbaar ministerie is. Dat sluit naar mijn mening ook aan bij het hiervoor aangehaalde arrest van 30 oktober 2012. In die zaak was het ingevorderde rijbewijs na de beslissing van de officier van justitie tot teruggave na een eerdere invordering nog niet aan de verdachte teruggegeven, waardoor het rijbewijs ten tijde van een volgende vordering tot overgifte nog steeds bij het openbaar ministerie lag. Onder die omstandigheden moest het rijbewijs vanaf de dag van de vordering tot overgifte worden beschouwd als te zijn ingevorderd en ingehouden in de betreffende strafzaak. Dat was niet nodig geweest indien de omstandigheid dat de overgifte van het rijbewijs was gevorderd reeds voldoende was geweest om van invordering van het rijbewijs te spreken.
2.23.
Ten slotte wijs ik op art. 180 lid 4 WVW 1994. Deze bepaling is, zoals de Hoge Raad overwoog in de hiervoor aangehaalde beschikking, alleen van toepassing indien het rijbewijs ten tijde van de tenuitvoerlegging van de ontzegging van de rijbevoegdheid (nog) niet is ingevorderd dan wel (na invordering) is teruggegeven en ziet niet op gevallen waarin het rijbewijs meteen na aanhouding van de verdachte is ingevorderd en nadien is ingehouden. Mede in het licht hiervan is deze bepaling voor geen andere uitleg vatbaar dan dat van invordering pas sprake is als de politie of het openbaar ministerie naar aanleiding van de vordering tot overgifte daadwerkelijk de beschikking heeft over het rijbewijs.
2.24.
Gelet op het voorgaande laat de tekst van de wet, de parlementaire geschiedenis en de wetssystematiek mijns inziens geen andere uitleg toe dan dat van invordering van het rijbewijs pas sprake is wanneer het rijbewijs naar aanleiding van de vordering tot overgifte door de houder is overgegeven dan wel het rijbewijs (nadien) overeenkomstig art. 115 lid 1 WVW 1994 of art. 161 lid 1 WVW 1994 is ingenomen dan wel op grond van art. 164 lid 6 WVW 1994 of art. 180 lid 5 WVW 1994 is doorgeleid en de politie of het openbaar ministerie aldus naar aanleiding van de vordering tot overgifte daadwerkelijk de beschikking heeft over het rijbewijs. Dat betekent mijns inziens dat als dag van invordering in de zin van art. 164 lid 6 WVW 1994 heeft te gelden de dag waarop de politie of het openbaar ministerie naar aanleiding van de vordering tot overgifte daadwerkelijk de beschikking heeft over het rijbewijs.
2.25.
Gelet op het voorgaande is naar mijn mening het oordeel van de rechtbank dat onder invordering als bedoeld in art. 164 lid 6 WVW 1994 moet worden verstaan de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW 1994, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd, onjuist.
2.26.
Het middel slaagt.
3. Conclusie
3.1.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑07‑2021
Stb. 1991, 291.
Kamerstukken II 1987/88, 20591, nr. 3, p. 7 en 9-11.
Kamerstukken II 1989/90, 20591, nr. 6, p. 20-24.
Kamerstukken II 1990/91, 22030, nr. 2, p. 6 en 39.
Kamerstukken II 1992/93, 22030, nr. 15, p. 1, 3 en 10.
HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3863.
HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3077, rov. 3.4.
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 23 maart 1992, ECLI:NL:RBSHE:1992:AD1638, NJ 1992/469.
Gerechtshof Amsterdam 12 januari 1996, ECLI:NL:GHAMS:1996:AC2331, NJ 1997/295.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 31 januari 2002, ECLI:NL:GHSGR:2002:AK4633, VR 2003/46.
Een vordering tot overgifte van het rijbewijs kan op grond van art. 164 lid 1 in verbinding met art. 159 WVW 1994 worden gedaan door algemene en buitengewone opsporingsambtenaren in de zin van art. 141 en 142 Sv alsmede door de in het Besluit aanwijzing ambtenaren belast met opsporing ex artikel 159 Wegenverkeerswet 1994 aangewezen ambtenaren van de rijksbelastingdienst, de Dienst Wegverkeer en de Inspectie Verkeer en Waterstaat. In de praktijk wordt deze vordering in de meeste gevallen door politieambtenaren worden gedaan.
Ik laat de situatie dat een rijbewijs waarvan de overgifte is gevorderd gestolen of vermist is hier verder buiten beschouwing. In deze situatie wordt aangenomen dat er sprake is van een fictieve “invordering” en wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die geldt voor het geval waarin het rijbewijs daadwerkelijk is ingevorderd, omdat de verdachte in de onmogelijkheid verkeert om aan de verplichting tot overgifte van het rijbewijs te voldoen, aldus par. 2.1.3 van de door het College van procureurs-generaal gegeven Instructie inzake de invordering van rijbewijzen (2015I007).
In dat artikel in het NJB had Vellinga opgemerkt dat de hele voorgestelde regeling was opgehangen aan het voldoen aan de vordering tot overgifte van het rijbewijs (door hem aangeduid als de achilleshiel van het wetsontwerp) en dat ook de strafbaarheid van het rijden na invordering of tijdens inhouding aan de overgifte van het rijbewijs was gekoppeld. Zie W.H. Vellinga, ‘Het wetsontwerp tot intensivering van de invordering van rijbewijzen’, NJB 1988, afl. 37, p. 1345.
In die zin ook M. Barels in A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994 (2e druk), Deventer:Gouda Quint, 1999, p. 303 (in het bijzonder voetnoot 96).
Daarmee is overigens niet gezegd dat voor de toepassing van art. 9 lid 7 WVW 1994 een scherp onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen de situatie dat de overgifte van het rijbewijs is gevorderd en de situatie dat het rijbewijs is ingevorderd. Zie in dat kader de conclusie van mijn ambtgenoot Aben (ECLI:NL:PHR:2012:BV9974, onder 3.3-3.5) voor HR 10 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9974 (HR: art. 81 RO).
Beroepschrift 01‑04‑2021
CASSATIESCHRIFTUUR
Registratienummer: RK 20/011373
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 20 januari 2021, waarbij de Rechtbank het klaagschrift van:
‘[klaagster]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992’
tegen de inhouding van haar rijbewijs op grond van art. 164 WVW 1994 gegrond heeft verklaard.
Rekwirant kan zich met deze beschikking en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79, eerste lid, RO, meer in het bijzonder schending van art. 164 WVW 1994, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, het oordeel van de Rechtbank dat ‘[r]edelijke wetsuitleg [meebrengt] dat onder ‘invordering’ als bedoeld in art. 164 lid 6 WVW moet worden verstaan: de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd’, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Door bij de beoordeling van het klaagschrift uit te gaan van deze verkeerde uitleg van het begrip ‘Invordering’, heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van invordering van het rijbewijs van klaagster heeft beslist het rijbewijs onder zich te houden en om die reden het klaagschrift van klaagster — derhalve eveneens ten onrechte — gegrond verklaard.
Toelichting
1.
Tegen klaagster is proces-verbaal opgemaakt terzake van verdenking van overtreding van art. 8 WVW 1994, gepleegd te Nijmegen op 11 november 2020. Op diezelfde datum heeft de politie op grond van art. 164, eerste lid, WVW 1994 de overgifte van haar rijbewijs gevorderd. Klaagster kon op dat moment niet aan deze vordering voldoen, omdat zij haar rijbewijs niet bij zich had.
Op 17 november 2020 heeft klaagster haar rijbewijs alsnog ingeleverd bij de politie.1.
Op 27 november 2020 heeft de officier van justitie besloten om het rijbewijs in te houden voor een periode van vijf maanden, uiterlijk tot 16 april 2021.2.
2.
Op 30 december 2020 heeft klaagster een klaagschrift als bedoeld in art. 164, achtste lid, WVW 1994 ingediend bij de Rechtbank Gelderland. Bij de thans bestreden beschikking van 20 januari 2021 heeft de Rechtbank het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave van het rijbewijs aan klaagster gelast. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
‘Beoordeling
De rechtbank overweegt het volgende.
Blijkens art 164 lid 6 WVW 1994 dient de OvJ binnen tien dagen ‘na de dag van invordering’ te beslissen over inhouding van het rijbewijs, Gebeurt dat niet, dan dient hij de teruggave van het rijbewijs te bevelen. Dat roept de vraag op wat moet worden verstaan onder ‘invordering’ in deze bepaling.
De regeling van de strafvorderlijke invordering en inhouding van het rijbewijs, thans neergelegd in art 164 WVW 1994, vindt zijn oorsprong in de wet van 15 mei 1991, Stb. 291. Deze regeling is in de nieuwe WVW 1994 nagenoeg onveranderd overgenomen zodat de wetsgeschiedenis van deze voorgaande wettelijke regeling zijn waarde behoudt.
In de memorie van toelichting is vermeld dat ‘van invordering eerst sprake is indien de in artikel 27, eerste lid, bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, zodat in de praktijk steeds bewezen zal kunnen worden dat de bestuurder weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zijn rijbewijs was ingevorderd.’ (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 3, p. 9). Het eerste deel van deze aangehaalde zin heeft de rechtbank Den Bosch ertoe gebracht te beslissen dat er geen sprake is van invordering van het rijbewijs in de zin van art. 27 WVW (thans: art. 164 WVW 1994) indien dat rijbewijs niet feitelijk is overhandigd aan de politie (rechtbank 's‑Hertogenbosch 22 maart 1992, ECLI:NL:RBSHE:1992:AD1638, NJ 1992/469). Dit echter ten onrechte.
Deze passage in de toelichting had immers betrekking op art. 32 (thans art. 9 WVW 1994). De ‘invordering’ is in deze context verbonden aan het fysieke ‘in handen zijn van’ politie of justitie om bewijstechnische redenen. Vanaf het moment dat de bestuurder het rijbewijs heeft afgegeven tot aan het moment dat hij het weer heeft terug ontvangen, is er sprake van ‘invordering’ in de zin van art. 27 (oud) en is het dus verboden een voertuig te besturen (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. p. 9) Het besturen van een motorvoertuig nadat een vordering tot afgifte is gedaan maar vóór feitelijke afgifte, is apart strafbaar gesteld in dezelfde bepaling art 9 lid 7 WVW 1994. Ten onrecht heeft de rechtbank den Bosch uit deze passage afgeleid dat deze uitleg ook heeft te gelden voor een bezwaarprocedure tegen de inhouding van het rijbewijs.
Na de inname van het rijbewijs dient de politie het rijbewijs met het proces-verbaal van invordering op te sturen naar het parket. Daar moet de OvJ beoordelen of het rijbewijs moet worden ingehouden, in afwachting van de strafzitting. Hij krijgt hiervoor tien dagen de tijd, zodat hij kan onderzoeken of betrokkene eerder is veroordeeld voor verkeersdelicten dan wel of er eerder proces-verbaal tegen hem is opgemaakt voor verkeersdelicten. Hieruit kan namelijk een recidivegevaar voor de toekomst worden afgeleid, dat redengevend kan zijn voor verdere inhouding. Volgt binnen deze tien dagen geen beslissing tot inhouding, dan moet het rijbewijs worden terug gegeven (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 3, p. 10). In de oorspronkelijke tekst van het wetsontwerp luidde art 27 lid 4: ‘Indien de ambtenaar van het openbaar ministerie binnen tien dagen na de ontvangst van het proces-verbaal niet gebruik maakt van de in het derde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het rijbewijs of de rijbewijzen zo spoedig mogelijk terug aan de houder.’(Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 2, p. 2). De tien dagen termijn nam dus een aanvang met de ontvangst van het proces-verbaal op het parket. Bij nota van wijziging werd het voorstel gewijzigd in: ‘Indien de ambtenaar van het openbaar ministerie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het derde lid bedoelde bevoegdheid, geeft hij het rijbewijs of de rijbewijzen onverwijld terug aan de houder.’ Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 7, p. 1). Dit werd in de memorie van antwoord toegelicht: de tien dagen termijn gaat in de ‘dag na de invordering’ en niet pas bij ontvangst van het proces-verbaal om meer duidelijkheid te scheppen over het ingangsmoment; het is immers tevoren niet bekend wanneer het proces-verbaal van invordering bij het parket zal inkomen en het is niet juist de bestuurder te belasten met allerlei vertragingen bij de politie (Kamerstukken 1987/1988, 20 591, nr. 6, p. 20).
Uit het voorgaande volgt dat de termijn van tien dagen aan de OvJ is gegeven om te beoordelen of er redenen zijn het rijbewijs verder in te houden, meer in het bijzonder of er sprake is van recidive. De wetgever heeft deze periode duidelijk willen afbakenen door het aanvankelijke aanvangsmoment van ontvangst van het proces-verbaal te wijzigen in de dag na invordering, mede om hierover geen misverstand te laten bestaan en om betrokkene binnen een korte, overzichtelijke termijn duidelijkheid te willen geven of zijn rijbewijs al dan niet zou worden ingehouden en dus of hij genoopt was een bezwaarschrift in te dienen als hij toch over het rijbewijs wilde beschikken. Voor onderzoek of er sprake is van recidive en of er gronden zijn het rijbewijs langer in te houden in afwachting van de inhoudelijke strafzitting, is het ook niet nodig fysiek te beschikken over het ingevorderde rijbewijs. Er is dus ook inhoudelijk geen reden de tien dagen termijn pas te laten ingaan op het moment dat het rijbewijs daadwerkelijk is afgegeven aan politie of justitie. Aangezien vaak niet duidelijk is wanneer de feitelijke inlevering zal plaatsvinden, ingeval dat niet meteen bij de staande houding is gebeurd, zou het aanvangsmoment van de tien dagen termijn dus weer onzeker zijn en dat is precies wat de wetgever destijds wilde voorkomen door genoemde wijziging in het wetsvoorstel. Redelijke wetsuitleg brengt daarom mee dat onder ‘invordering’ als bedoeld in art. 164 lid 6 WVW moet worden verstaan: de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd. De mogelijke tegenwerping dat bij deze uitleg van art. 164 lid 6 WVW een bestuurder de mogelijkheid heeft overgifte van het rijbewijs achterwege te laten (onder het mom van diefstal of verlies) en vervolgens toch ongestraft een motorvoertuig zou kunnen blijven besturen, gaar niet op omdat ook deze handeling is strafbaar gesteld in art 9 lid 7 WVW.
Aangezien de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van de invordering heeft beslist het rijbewijs onder zich te houden, zal het rijbewijs volgens het bepaalde in artikel 164, zesde lid, WVW 1994, aan de klager worden teruggegeven.
De rechtbank zal het klaagschrift gegrond verklaren en bevelen dat het rijbewijs aan de klager moet worden teruggegeven.’
3.
Het gaat in deze beklagzaak om de interpretatie van het begrip ‘invordering’ in art. 164, zesde lid, eerste volzin, WVW 1994. Deze bepaling luidt:
‘Indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van invordering niet gebruik maakt van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid 3. , geeft hij de ingevorderde bewijzen onverwijld terug aan de houder.’
Volgens de Rechtbank brengt redelijke wetsuitleg mee dat onder het begrip ‘invordering’ als bedoeld in deze bepaling moet worden verstaan: de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164, eerste lid, WVW 1994, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd. Naar de mening van rekwirant heeft de Rechtbank met deze uitleg van het begrip ‘invordering’ blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zowel uit de wetssystematiek als uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat er pas sprake is van een ‘invordering’, indien het rijbewijs na de vordering tot overgifte daadwerkelijk in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat de beslissing tot inhouding van het rijbewijs (wel) tijdig is genomen. Klaagster heeft haar rijbewijs immers op 17 november 2020 feitelijk ingeleverd bij de politie, terwijl de beslissing tot inhouding is gedateerd op 27 november 2020. De Rechtbank heeft de gegrondverklaring van het klaagschrift derhalve ten onrechte gebaseerd op haar oordeel dat de in art. 164, zesde lid, eerste volzin, WVW 1994 genoemde termijn van tien dagen is overschreden. Rekwirant licht dit standpunt als volgt toe.
4.
Art. 164 WVW 1994 bevat de regeling voor de strafrechtelijke invordering en inhouding van het rijbewijs.4. Bij de toepassing van deze regeling moet een onderscheid worden gemaakt tussen de ‘vordering tot overgifte’ enerzijds en de ‘invordering’ anderzijds. Op grond van art. 164, tweede lid, WVW 1994 moet een opsporingsambtenaar de overgifte van het rijbewijs vorderen, indien tegen de bestuurder van een motorrijtuig proces-verbaal wordt opgemaakt wegens verdenking van één van de in dat lid omschreven verkeersdelicten. Het gaat daarbij — kort gezegd — om ernstige gevallen van rijden onder invloed en grove snelheidsovertredingen. Op grond van art. 164, derde lid, WVW 1994 kan de overgifte van het rijbewijs worden gevorderd, indien door een overtreding de veiligheid op de weg ernstig in gevaar is gebracht. Door de vordering tot overgifte ontstaat voor de betrokken bestuurder de verplichting om het rijbewijs te overhandigen aan de opsporingsambtenaar (zie art. 164, eerste lid, WVW 1994). Voldoet de bestuurder niet aan deze verplichting, dan blijft het bij een vordering tot overgifte. Voldoet de bestuurder wel aan deze verplichting en overhandigt hij het rijbewijs, dan gaat de vordering tot overgifte over in een (voltooide) invordering. Dit volgt onder meer uit de formulering van art. 164, vierde lid, eerste volzin, WVW 1994, waarin is bepaald dat de ‘ingevorderde’ bewijzen tegelijk met het proces-verbaal onverwijld worden opgezonden aan de officier van justitie. De officier van justitie dient vervolgens binnen tien dagen na de dag van invordering te beslissen of hij het rijbewijs inhoudt of teruggeeft. Indien het rijbewijs wordt ingehouden, dient de duur van de inhouding te worden afgestemd op de duur van (het onvoorwaardelijke deel) van de ontzegging van de rijbevoegdheid die naar verwachting zal worden opgelegd in de hoofdzaak (zie art. 164, zesde lid, tweede volzin, WVW 1994).
De enkele omstandigheid dat een ‘vordering tot overgifte’ is gedaan, doet reeds bepaalde rechtsgevolgen ontstaan. Zo is het degene van wie ingevolge art. 164 WVW 1994 de overgifte van het rijbewijs is gevorderd, verboden op de weg een motorrijtuig te besturen dat behoort tot een categorie waarvoor het gevorderde rijbewijs is afgegeven (zie art. 9, zevende lid, WVW 1994). Overtreding van dit verbod is strafbaar gesteld als misdrijf.5. Voorts kan aan degene van wie ingevolge art. 164 WVW 1994 de overgifte van het rijbewijs is gevorderd, geen nieuw rijbewijs worden afgegeven (zie art. 112, eerste lid, onderdeel b, WVW 1994). Hier staat tegenover dat de betrokken bestuurder reeds vanaf het moment dat er sprake is van een vordering tot overgifte, de bevoegdheid heeft om een klaagschrift in te dienen bij (doorgaans) de rechtbank (zie art. 164, achtste lid, WVW 1994).
Tegen een bestuurder die niet voldoet aan een ‘vordering tot overgifte’ kan op verschillende manieren worden opgetreden. Ten eerste is het niet voldoen aan een vordering tot overgifte afzonderlijk strafbaar gesteld als overtreding.6. Blijft de overgifte van het rijbewijs uit, dan kan tegen de bestuurder dus proces-verbaal worden opgemaakt. Ten tweede kan — indien de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering — het motorrijtuig onder toezicht of in bewaring worden gesteld (zie art. 164, zevende lid, WV W 1994). Ingevolge de laatste volzin van deze bepaling vindt teruggave van het motorrijtuig slechts plaats, indien aan de vordering is voldaan of indien de officier van justitie zich niet langer tegen de teruggave verzet.
Enkele andere voorschriften die beogen de positie van de bestuurder te waarborgen7., knopen juist aan bij het begrip ‘invordering’. Deze voorschriften zijn opgenomen in art. 164, zesde lid, en art. 179, zesde lid, WVW 1994.
Art. 164, zesde lid, WVW 1994 noemt drie gevallen waarin het rijbewijs moet worden teruggegeven aan de houder. Dit is ten eerste het geval, indien de officier van justitie binnen tien dagen na de dag van ‘invordering’ niet gebruik maakt van de bevoegdheid tot inhouding van het rijbewijs. Deze bepaling staat in de onderhavige beklagzaak centraal. Ten tweede bevat art. 164, zesde lid, WVW 1994 een anticipatiegebod: teruggave van het rijbewijs dient eveneens plaats te vinden, indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke het rijbewijs ‘ingevorderd’ of ingehouden is geweest. Bij de toepassing van het laatste gedeelte van deze volzin, wordt de periode waarin er slechts sprake was van een ‘vordering tot overgifte’ dus buiten beschouwing gelaten. Tenslotte dient het rijbewijs te worden teruggegeven, indien het onderzoek van de zaak op de terechtzitting niet binnen zes maanden na de dag van ‘invordering’ is aangevangen, dan wel binnen die termijn geen strafbeschikking is uitgevaardigd.
Art. 179, zesde lid, WVW 1994 bevat een regeling van verplichte aftrek in het kader van de ontzegging van de rijbevoegdheid. Op grond van deze bepaling wordt de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge art. 164 WVW 1994 vóór het tijdstip waarop de ontzegging ingaat, ‘ingevorderd’ of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering gebracht. Ook hier wordt de periode waarin er slechts sprake was van een ‘vordering tot overgifte’ dus niet meegeteld.
5.
Zoals gezegd, bepaalt art. 164, vierde lid, eerste volzin, WVW 1994 dat de ‘ingevorderde’ bewijzen tegelijk met het proces-verbaal onverwijld worden opgezonden aan de officier van justitie. Dit impliceert dat het begrip ‘invordering’ ziet op de situatie waarin het rijbewijs na de vordering tot overgifte daadwerkelijk in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar. Het rijbewijs kan immers niet worden opgestuurd, indien de opsporingsambtenaar daarover niet de fysieke beschikking heeft gekregen. In het verlengde daarvan bepaalt art. 164, vierde lid, tweede volzin, WVW 1994 dat de officier van justitie in de daar omschreven gevallen bevoegd is om de ‘ingevorderde’ bewijzen onder zich te houden, en wordt in art. 164, zesde lid, eerste volzin, WVW 1994 gesproken over de teruggave van de ‘ingevorderde’ bewijzen door de officier van justitie. Ook hier wordt het begrip ‘invordering’ dus gebruikt ter aanduiding van de situatie waarin de bestuurder aan de vordering tot overgifte heeft voldaan en het rijbewijs heeft overhandigd.
Het onderscheid tussen de ‘vordering tot overgifte’ enerzijds en de ‘invordering’ anderzijds komt ook duidelijk tot uitdrukking in de formulering van art. 9, zevende lid, en art. 112, eerste lid, onderdeel b, WVW 1994. Het verbod van art. 9, zevende lid, WVW 1994 tot — kort gezegd — het besturen van motorrijtuigen is gericht tot ‘degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd’ én ‘degene van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven’. Op dezelfde wijze bevat art. 112, eerste lid, onderdeel b, WVW 1994 een verbod voor de rijbewijsafgevende instantie om een nieuw rijbewijs af te geven aan ‘degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van het rijbewijs is gevorderd’ én ‘degene wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven’. In deze opsomming past ook het voorschrift van art. 180, vierde lid, WVW 1994 dat handelt over de inleverplicht van het rijbewijs in het kader van de executie van de ontzegging van de rijbevoegdheid. Op grond van dit artikellid dient de houder van een rijbewijs dit uiterlijk op het tijdstip van ingang van de ontzegging in te leveren. De inleverplicht geldt echter niet, indien het rijbewijs ‘is ingevorderd en niet is teruggegeven’.8. Net als art. 164 WVW 1994 laten ook deze bepalingen naar de mening van rekwirant geen andere conclusie toe dan dat de wetgever het begrip ‘invordering’ heeft gereserveerd voor die gevallen waarin het rijbewijs na de vordering tot overgifte daadwerkelijk door de bestuurder is overhandigd en in het bezit is gekomen van politie en/of justitie.
6.1
Deze conclusie wordt voorts bevestigd door de wetsgeschiedenis. Met ingang van 1 oktober 1998 is de regeling van art. 164 WVW 1994 uitgebreid met grove snelheidsovertredingen als grond voor invordering en inhouding van het rijbewijs.9. In de oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel dat tot deze wetswijziging heeft geleid, werd voorgesteld om het bestaande art. 164 WVW 1994 op te splitsen in vier artikelen, te weten art. 164, 164a, 164b en 164c. Het bestaande art. 164, zesde lid, WVW 1994, waarop de onderhavige beklagzaak zich toespitst, zou een plaats krijgen in het nieuwe art. 164a, derde lid.10. In het verslag vroegen de leden van de D'66-fractie onder meer om een toelichting op het begrip ‘invordering’ als bedoeld in die bepaling.11. In de nota naar aanleiding van het verslag reageerde de regering hierop als volgt:
‘De termen ‘invorderen’ en ‘vordering’ zien op de handeling van de opsporingsambtenaar die erop is gericht het rijbewijs in het bezit van Justitie te krijgen. Het is een voorlopige maatregel die de oplegging van een sanctie betreffende het rijbewijs moet vergemakkelijken. De invordering vangt aan met de vordering tot overgifte van het rijbewijs en is voltooid zodra deze overgifte heeft plaatsgevonden. De basis voor de invordering is gelegen in het voorgestelde artikel 164.’ 12.
In het verdere wetgevingsproces is de opsplitsing van het bestaande art. 164 WVW 1994 in vier losse artikelen komen te vervallen en is art. 164 WVW 1994 gehandhaafd als één artikel.13. Deze omstandigheid doet uiteraard niet af aan de relevante van de geciteerde passage voor de uitleg van het huidige art. 164, zesde lid, WVW 1994.
6.2
In de tweede plaats is de totstandkomingsgeschiedenis van de voorganger van art. 164, zevende lid, WVW 1994, te weten art. 27, vijfde lid, WVW (oud), van belang. Zoals in punt 4 al aan de orde kwam, bevat art. 164, zevende lid, WVW 1994 de bevoegdheid om het bestuurde motorrijtuig onder toezicht of in bewaring te stellen, indien de bestuurder niet aanstonds voldoet aan de vordering tot overgifte. Uit de wetsgeschiedenis van art. 27, vijfde lid, WVW (oud) blijkt dat de wetgever deze bevoegdheid gewenst achtte om te voorkomen dat bijvoorbeeld bestuurders die hun rijbewijs niet bij zich hebben, op deze wijze zullen trachten aan ‘invordering’ te ontkomen. De wetgever verwachtte dat door ondertoezichtstelling of inbewaringstelling van het motorrijtuig de ‘invordering’ van het rijbewijs effectief zou kunnen worden afgedwongen.14.
6.3
Tot slot wijst rekwirant op de totstandkomingsgeschiedenis van de voorganger van art. 9, zevende lid, WVW 1994, te weten art. 32, derde lid, WVW (oud). Laatstgenoemde bepaling werd ingevoerd bij de Wet van 15 mei 1991, Stb. 1991, 291, die in werking is getreden op 1 februari 1992. In de oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid, had het derde lid de volgende redactie (onderstreping rekwirant):
‘Het is degene die weet of redelijkerwijze moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs of internationaal rijbewijs ingevolge artikel 27 is inaevorderd. indien dat bewijs niet aan hem is teruggegeven, verboden op een weg een motorrijtuig te besturen van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven. ’15.
De memorie van toelichting bevatte omtrent deze bepaling het volgende:
‘Aangezien van invordering eerst sprake is indien de in artikel 27, eerste lid, bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, zal in de praktijk steeds bewezen kunnen worden dat de bestuurder weet of redelijkerwijs moet weten dat zijn rijbewijs is ingevorderd.’ 16.
Bij nota van wijziging werd de redactie van het derde lid aangepast en kwam deze als volgt te luiden (onderstreping rekwirant):
‘Het is degene van wie ingevolge artikel 27 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs of internationaal rijbewijs is gevorderd, indien dat bewijs niet aan hem is teruggegeven, verboden op een weg een motorrijtuig te besturen van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven.’ 17.
Deze aanpassing werd als volgt toegelicht:
‘De hier voorgestelde wijziging beoogt de effectiviteit van de invordering te vergroten ten opzichte van die bestuurders die zouden menen aan de werking daarvan te kunnen ontkomen door hun rijbewijs thuis te laten. Volgens de nieuwe tekst van artikel 32, derde lid, WVW brengt reeds de vordering tot overgifte van het rijbewijs met zich mede, dat het daar nader omschreven verbod van toepassing wordt. (…) Overigens zal de invordering pas voltooid zijn als het rijbewijs feitelijk in het bezit is gekomen van de politie.’18.
Bij de totstandkoming van de WVW 1994 is de normadressaat van hetgeen thans strafbaar is gesteld in art. 9, zevende lid, WVW 1994 nog iets scherper geformuleerd en is de tweedeling gemaakt tussen enerzijds ‘degene van wie ingevolge artikel 164 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd’ en anderzijds ‘degene van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven’. Volgens de betreffende toelichting strekte deze wijziging ertoe een onvolkomenheid weg te nemen.19. Een echt inhoudelijke verandering werd daarmee dus kennelijk niet beoogd.
Wat daar verder van zij, de vermelde wetsgeschiedenis van art. 32, derde lid, WVW (oud) laat er — net als de in punt 6.1 en 6.2 vermelde wetsgeschiedenis — geen twijfel over bestaan dat er in de visie van de wetgever pas sprake is van een (voltooide) ‘invordering’ op het moment dat de bestuurder het rijbewijs feitelijk ter beschikking heeft gesteld van de opsporingsambtenaar. In de thans bestreden beschikking heeft de Rechtbank weliswaar acht geslagen op de hiervoor geciteerde passage uit de memorie van toelichting, maar heeft zij deze als niet relevant terzijde geschoven. De argumenten die de Rechtbank daarvoor gebruikt, laten zich niet eenvoudig doorgronden. In elk geval lijkt de Rechtbank uit het oog te hebben verloren dat het verbod van (thans) art. 9, zevende lid, WVW 1994 juist betrekking heeft op de situatie waarin het rijbewijs van de bestuurder ingevolge art. 164 WVW 1994 is gevorderd c.q. is ingevorderd. Er valt naar de mening van rekwirant dan ook geen goede reden te bedenken waarom deze begrippen in art. 9, zevende lid, WVW 1994 een andere betekenis zouden hebben dan in art. 164 WVW 1994. De Rechtbank lijkt deze samenhang te hebben miskend.
7.
De Rechtbank besteedt tevens uitgebreid aandacht aan de totstandkomingsgeschiedenis van de voorganger van art. 164, zesde lid, eerste volzin, WVW 1994, te weten art. 27, vierde lid, eerste volzin, WVW (oud). Ook deze bepaling werd ingevoerd bij de genoemde Wet van 15 mei 1991, Stb. 1991, 291. De oorspronkelijke tekst van het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid, hield in dat de officier van justitie ‘binnen tien dagen na de ontvangst van het proces-verbaal’ moest beslissen over de inhouding of teruggave van een ingevorderd rijbewijs.20. Bij nota van wijziging werd dit veranderd in ‘binnen tien dagen na de dag van invordering’.21. In de memorie van antwoord werd deze wijziging als volgt toegelicht:
‘In dit verband zij nog de aandacht erop gevestigd, dat wij de voorkeur hebben gegeven aan een andere omschrijving van de 10 dagentermijn. Blijkens onderdeel IV van de nota van wijziging gaat deze niet pas in bij de ontvangst van het rijbewijs door het openbaar ministerie, maar direct na de dag van invordering. Weliswaar wordt de termijn daardoor enigszins bekort, maar aldus ontstaat wel voor alle betrokkenen een veel grotere mate van duidelijkheid. Het tijdstip van binnenkomen op het parket kan in de praktijk immers door allerlei moeilijk na te trekken oorzaken variëren, terwijl het ook niet juist zou zijn om de verdachte te belasten met de gevolgen van eventuele vertragingen bij de politie. ’22.
In de thans bestreden beschikking heeft de Rechtbank uit deze passage afgeleid dat de wetgever de 10 dagentermijn duidelijk heeft willen afbakenen door het aanvankelijke aanvangsmoment van ontvangst van het proces-verbaal te wijzigen in de dag na invordering. Op deze wijze zou over het aanvangsmoment geen misverstand kunnen bestaan en zou de betrokkene binnen een korte, overzichtelijke termijn duidelijkheid krijgen over de vraag of zijn rijbewijs al dan niet zou worden ingehouden. De Rechtbank ziet hierin een belangrijk argument om de 10 dagentermijn niet pas in te laten gaan op het moment dat het rijbewijs daadwerkelijk is afgegeven aan politie of justitie: ‘Aangezien vaak niet duidelijk is wanneer de feitelijke inlevering zal plaatsvinden, ingeval dat niet meteen bij de staande houding is gebeurd, zou het aanvangsmoment van de tien dagen termijn dus weer onzeker zijn en dat is precies wat de wetgever destijds wilde voorkomen door genoemde wijziging in het wetsvoorstel.’
De Rechtbank ziet er hiermee echter aan voorbij dat er een belangrijk verschil bestaat tussen de situatie waarin de 10 dagentermijn gaat lopen op de dag na ‘de ontvangst van het proces-verbaal’ en de situatie waarin die termijn gaat lopen op de dag nadat ‘het rijbewijs is ingevorderd’ (d.w.z. feitelijk is overhandigd). In het eerste geval is de aanvang van de 10 dagentermijn geheel afhankelijk van de snelheid waarmee de politie het proces- verbaal samen met het ingevorderde rijbewijs inzendt naar het openbaar ministerie. De bestuurder kan daar geen invloed op uitoefenen. In het laatste geval heeft de bestuurder de situatie echter geheel in eigen hand. Hij kan zelf bewerkstelligen dat de 10 dagen- termijn gaat lopen en ook andere waarborgen die aanknopen bij het begrip ‘invordering’ (zie punt 4) voor hem gaan gelden. Het enige dat hij daarvoor hoeft te doen, is het alsnog inleveren van zijn rijbewijs bij politie of justitie.23. In dit geval kan bij de bestuurder dus geen onzekerheid bestaan over het aanvangsmoment van de 10 dagentermijn.
Indien het oordeel van de Rechtbank zou worden gevolgd en de 10 dagentermijn reeds een aanvang zou nemen door de enkele ‘vordering tot overgifte’, verliest de bestuurder die niet aanstonds aan die vordering voldoet een belangrijke prikkel om alsnog zijn rijbewijs in te leveren. Daarbij komt dat de benadering van de Rechtbank er in voorkomend geval toe kan leiden dat de officier van justitie een beslissing tot inhouding van het rijbewijs moet nemen, terwijl hij feitelijk nog helemaal niet over het document beschikt. Dit verdraagt zich niet met de wettelijke terminologie. Art. 164, vierde lid, tweede volzin, WVW 1994 spreekt immers over de bevoegdheid van de officier van justitie om een rijbewijs ‘onder zich te houden’, hetgeen veronderstelt dat het rijbewijs zich in diens feitelijke macht bevindt. Consequent doorgeredeneerd leidt de opvatting van de Rechtbank bovendien tot het onwenselijke gevolg dat een bestuurder die na een vordering tot overgifte zijn rijbewijs niet inlevert, toch in aanmerking komt voor de verplichte aftrek op grond van art. 179, zesde lid, WVW 1994. Daarmee wordt hij in wezen beloond voor het negeren van een wettelijke verplichting.
8.
Gelet op voornoemde wetssystematiek en wetsgeschiedenis getuigt het oordeel van de Rechtbank dat ‘[r]edelijke wetsuitleg [meebrengt] dat onder ‘invordering’ als bedoeld in art. 164 lid 6 WVW moet worden verstaan: de door de opsporingsambtenaar gedane vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 164 lid 1 WVW, ongeacht of daarbij het rijbewijs ook feitelijk is overhandigd’, van een onjuiste rechtsopvatting.24. Door bij de beoordeling van het klaagschrift uit te gaan van deze verkeerde uitleg van het begrip ‘invordering’, heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van invordering van het rijbewijs van klaagster heeft beslist het rijbewijs onder zich te houden en om die reden het klaagschrift van klaagster — derhalve eveneens ten onrechte — gegrond verklaard.
9.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep merkt rekwirant nog het volgende op. Uit door rekwirant bij het arrondissementsparket Oost-Nederland ingewonnen inlichtingen is gebleken dat het rijbewijs van klaagster naar aanleiding van de thans bestreden beschikking op 20 januari 2021 op grond van art. 164, zesde lid, laatste volzin, WVW 1994 is doorgestuurd naar het CBR. Daarmee is een einde gekomen aan de inhouding van het rijbewijs van klaagster. Deze omstandigheid staat naar de mening van rekwirant evenwel niet in de weg aan de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep, nu de beslissing van de Rechtbank tot gegrondverklaring van het klaagschrift van klaagster afwijkt van het door de officier van justitie dienaangaande in raadkamer ingenomen standpunt (vgl. HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:538, NJ 2014/375, rov. 2.1).
Indien het cassatiemiddel doel treft, zal de beschikking van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 20 januari 2021 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze beschikking te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 1 april 2021
mr. W. Bos
plaatsvervangend officer van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 01‑04‑2021
Dit blijkt uit de ‘Kennisgeving van ontvangst van het ingevorderd rijbewijs’ ([001]), die zich in het dossier bevindt waarover de Hoge Raad beschikt en waarvan de Hoge Raad kennisneemt. Uit de weergave van het standpunt van klaagster en van de officier van justitie in de bestreden beschikking blijkt ook dat tussen partijen niet in geding is dat klaagster haar rijbewijs op 17 november 2020 feitelijk heeft ingeleverd.
Ook de beslissing tot inhouding van het rijbewijs bevindt zich in het dossier waarover de Hoge Raad beschikt en waarvan de Hoge Raad kennisneemt. Deze beslissing heeft als datumstempel: 27 november 2020. Vgl. ook het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer d.d. 20 januari 2021, waarin als feitelijke vaststelling van de behandelend rechter wordt vermeld (p. 2): ‘De beslissing OM is op 27 november gestempeld’.
Opmerking rekwirant: in het vierde lid is de bevoegdheid tot inhouding van het rijbewijs geregeld.
Zie art. 176, tweede lid, jo. art. 178, eerste lid, WVW 1994.
Zie art. 177, tweede lid, onderdeel a, jo. art. 178, tweede lid, WVW 1994.
Vgl. Kamerstukken II 1987–1988, 20 591, nr. 3, p. 10; Kamerstukken II 1989–1990, 20 591, nr. 6, p. 11, 20 en 22 en Kamerstukken II 1990–1991, 20 591, nr. 10, p. 5.
Vgl. omtrent deze bepaling: HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3077, NJ 2015/446, rov. 3.4.
Wet van 24 juni 1998, Stb. 1998, 375.
Zie Kamerstukken II 1994–1995, 24 112, nrs. 1–2, p. 1–3 en Kamerstukken II 1994–1995, 24 112, nr. 3, p. 2.
Zie Kamerstukken II 1994–1995, 24 112, nr. 4, p. 9.
Dit kwam door de aanneming van het amendement van het lid Vos c.s. Zie Kamerstukken II 1997– 1998, 24 112, nr. 12 en Handelingen II 1997–1998, nr. 46, p. 3611–3612.
Zie Kamerstukken II 1987–1988, 20 591, nr. 3, p. 11.
Kamerstukken II 1987–1988, 20 591 nrs. 1–2, p. 3.
Zie Kamerstukken II 1992–1993, 22 030, nr. 15, p. 1 en 10.
Zie Kamerstukken II 1989–1990, 20 591, nr. 7, p. 1.
Rekwirant laat hierbij de bijzondere situatie waarin het rijbewijs vermist of gestolen is onbesproken, aangezien die situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet.
Vgl. Rechtbank 's‑Hertogenbosch 23 maart 1992, NJ 1992/469. Zie ook Gerechtshof Amsterdam 12 januari 1996, NJ 1997/295.