Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.5.2.4:2.4.5.2.4 Neutraliteit tussen transacties
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.5.2.4
2.4.5.2.4 Neutraliteit tussen transacties
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496533:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 5 juli 1988, nr. C-289/86, BNB 1988/303 (Happy Family), r.o. 20.
HvJ 4 december 1990, nr. C-186/89, V-N 1991/663, 22 (Van Tiem).
HvJ 29 oktober 2009, nr. C-29/08, V-N 2009/56.13 (AB SKF).
Zie bijvoorbeeld HvJ 27 april 2006, nrs. C-443/04 en C-444/04, BNB 2006/256 (Solleveld en Van den Hout-van Eijnsbergen), r.o. 39, waarin het ging over toepassing van de medische vrijstelling.
HvJ 10 november 2011, nr. C-259/10 en C-260/10, V-N 2011/62.20 (Rank Group).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot slot vergt het neutraliteitsbeginsel dat goederen en diensten die met elkaar concurreren voor de heffing van btw hetzelfde moeten worden behandeld. Volgens Swinkels betekent dit dat in principe alle illegale transacties aan heffing van btw moeten worden onderworpen. Hij verwijst onder andere naar HvJ Happy Family Rustenburgerstraat, waarin het hof overwoog dat bij de heffing van btw het fiscale neutraliteitsbeginsel zich tegen een algemeen onderscheid tussen legale en illegale transacties verzet, tenzij elke mededinging tussen een legale en een illegale economische sector is uitgesloten.1 Daarnaast brengt het neutraliteitsbeginsel mee dat handelingen die hetzelfde effect hebben, maar elk een eigen rechtsvorm, hetzelfde moeten worden behandeld. Hierbij kan worden verwezen naar HvJ Van Tiem.2 Daarin oordeelde het hof onder verwijzing naar het neutraliteitsbeginsel onder meer dat het verlenen van een opstalrecht op een onroerende zaak moet worden beschouwd als een economische activiteit, bestaande uit de exploitatie van een lichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Ook in de zaak AB SKF,3 waarin het ging om het recht op aftrek van btw, brengt het HvJ in herinnering dat het neutraliteitsbeginsel een gelijke behandeling vergt van soortgelijke transacties. Het hof overweegt onder verwijzing naar eerdere rechtspraak4 dat:
‘67. (…) het beginsel van fiscale neutraliteit, dat een grondbeginsel is van het gemeenschappelijke btw-stelsel, zich ertegen verzet dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de btw verschillend worden behandeld (…).’
In het Rank Group-arrest5 ligt vervolgens de vraag voor hoe het beginsel van fiscale neutraliteit in dit verband moet worden uitgelegd. Moet, om te kunnen spreken van schending van het neutraliteitsbeginsel, sprake zijn van een verschil in behandeling van twee diensten, die vanuit het oogpunt van de consument gelijk of soortgelijk zijn en aan dezelfde behoeften van deze laatste voldoen, of moet tevens worden aangetoond dat daadwerkelijk sprake is van (verstoring van de) mededinging tussen de betrokkenen? Het HvJ licht in dit verband de hiervoor in de zaak AB SKF geciteerde overweging als volgt toe:
“33. Blijkens deze omschrijving van bedoeld beginsel brengt de soortgelijkheid van twee diensten mee dat deze met elkaar concurreren.
34. Dat er tussen twee dienstverrichtingen daadwerkelijk mededinging bestaat [cursivering; BH]vormt dus geen zelfstandige en aanvullende voorwaarde voor schending van het beginsel van fiscale neutraliteit wanneer de betrokken verrichtingen vanuit het oogpunt van de consument gelijk of soortgelijk zijn en aan dezelfde behoeften van deze laatste beantwoorden (…).
35. Deze overweging geldt ook voor het bestaan van een verstoring [cursivering; BH]van de mededinging. Wanneer twee gelijke of soortgelijke prestaties die aan dezelfde behoeften voldoen voor de heffing van btw verschillend worden behandeld, wordt daardoor in de regel de mededinging verstoord (…).”
Uit deze overweging kan worden afgeleid dat ingeval bepaalde diensten vanuit het oogpunt van de consument (soort)gelijk zijn én aan dezelfde behoeften van de consument beantwoorden, een verschil in behandeling leidt tot schending van het neutraliteitsbeginsel. Hiervoor hoeft dus niet komen vast te staan dat tussen de betrokken diensten daadwerkelijk mededinging bestaat of dat deze wordt verstoord (hoewel hiervan in de regel wel sprake zal zijn).