Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.4.c
6.3.4.c Facultatieve toepassing en Europese regulering
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS469943:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Walter 1973, p. 119; Ulmer 1974 (Folgerecht), p. 600; Desbois, Frangon & Kerever 1976, p. 177; Katzenberger 1979, p. 59; Drexl 1990, p. 147. Vgl. ook Schneider-Brodtmann 1996, p. 124 die zich hier — vanwege zijn conflictenrechtelijke kwalificatie van de materiële-reciprociteitstoets — in de bocht van het begunstigingsbeginsel wringt.
Net als art. 7 lid 8 en art. 2 lid 7 werkt de materiële-reciprociteitstoets van art. 14ter 'automatisch', dat wil zeggen: zolang de nationale wetgever niet anders bepaalt, moet zij worden toegepast.
Vgl. HvJ EG 20 oktober 1993, gevoegde zaken nr. C-92/92 (Phil Collins) en nr. C-326/92 (EMI Electrola), Jur. 1993, p. 1-5145, zie par. 6.3.1 onder (b). Overigens wordt het volgrecht grotendeels geharmoniseerd door Richtlijn 2001/84/EG(PbEG 2001, L 272/32).
Een lidstaat heeft op grond van art. 7 lid 3 nog wel de vrijheid om de reciprociteitstoets niet toe te passen vis-à-vis niet-EG/EER-auteurs, maar die wel in die lidstaat hun gewone verblijfplaats hebben. Zie art. 43g lid 1 onder c Auteurswet.
Deze fout werkt door in art. 43g lid 2 Auteurswet. Merk voorts op dat de eis die de reciprociteitstoets van art. 7 lid 1 van deze Richtlijn aan (de wet van) het referentieland stelt, niet geheel overeenkomt met art. 14ter van de conventie. Laatstgenoemde bepaling stelt het volgrecht afhankelijk van de voorwaarde dat 'de nationale wetgeving van de auteur deze bescherming erkent?' Art. 7 lid 1 van de Richtlijn eist dat deze wet 'de bescherming van het volgrecht erkent ten behoeve van auteurs uit de lidstaten en hun rechtsopvolgers.'
902. Facultatieve toepassing. Net als de andere reciprociteitsuitzonderingen op het non-discriminatiebeginsel, is toepassing van de reciprociteitstoets van artikel 14ter lid 2 facultatief.1 Een Unieland mag bepalen dat de reciprociteitstoets achterwege blijft.2
903. Richtlijn 2001/84/EG. In Europees verband is deze toepassingsvrijheid echter gereguleerd. Waar het gaat om auteurs die onderdaan zijn van andere EG/EERlanden is toepassing van de reciprociteitstoets verboden op grond van het Europese non-discriminatiebeginsel.3 Waar het gaat om auteurs die onderdaan zijn van derde landen, is toepassing van de reciprociteitstoets daarentegen verplicht gesteld door artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2001/84/EG. Deze auteurs kunnen alleen dan op het volgrecht overeenkomstig deze Richtlijn en de wetgeving van de betrokken lidstaat aanspraak maken, wanneer hun lex auctoris de bescherming van het volgrecht erkent ten behoeve van EG-auteurs en hun rechtsopvolgers.4
904. Richtlijn in strijd met Berner Conventie. Genoemd artikel 7 lid 1 van deze Richtlijn is m.i. in strijd met artikel 14ter van de Berner Conventie waar het gaat om de bescherming van de rechtsopvolger van een niet-Europese auteur. Artikel 7 lid 1 van de Richtlijn stelt het volgrecht van niet-Europese auteurs en hun rechtsopvolgers namelijk afhankelijk van de voorwaarde dat "de wetgeving van het land waarvan de auteur of zijn rechtsopvolger onderdaan is, de bescherming van het volgrecht erkent ten behoeve van auteurs uit de lidstaten en hun rechtsopvolgers" (cursivering toegevoegd). De rechtsopvolger wordt dus het volgrecht ontzegd indien de wetgeving van zijn vaderland geen volgrecht erkent ten behoeve van Europese auteurs en hun rechtsopvolgers. Daarmee stemt deze bepaling voor rechtsopvolgers van niet-Europese auteurs af op (de wet van) een ander referentieland dan de conventie — en dat is in strijd met de conventie. Voor de reciprociteitstoets van artikel 14ter is immers uitsluitend de nationale wet van de auteur (lex auctoris) van belang, niet de nationale wet(ten) van de rechtsopvolger(s).5